07/02/2017

'Betonstop' en het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen

De Vlaamse Regering formuleert in het Vlaams Regeerakkoord 2014 – 2019 de ambitie om een Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) te realiseren als opvolger van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV). Het globaal traject verloopt via de 3 mijlpalen Groenboek, het nieuwe Witboek en (ontwerp)Beleidsplan. De Vlaamse Regering heeft op 4 mei 2012 het Groenboek BRV goedgekeurd. De consultatie over het Groenboek en het verdere beleidsontwikkelingstraject resulteren in dit Witboek. Het Witboek BRV is een beleidsverklaring van de Vlaamse Regering die de strategische krachtlijnen schetst voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de komende decennia.

Het recente debat over de 'betonstop' kwam er naar aanleiding van het Witboek.  In de ambtelijke taal van het Witboek heet het:

'De bepaling van de 60/40-verhouding tussen woongelegenheden in het stedelijk gebied en woongelegenheden in het buitengebied, met bijkomend de gesloten bevolkingsprognose, de indeling in “kernen van ontwikkeling” en woonquota sluit onvoldoende aan bij de maatschappelijke evoluties van vandaag, met name de demografische groei, de vergrijzing en gezinsverdunning, de migratie. Er wordt voor geopteerd om proactief in te zetten op ruimtelijk rendement, wat betekent dat compacter en verdicht wonen zal worden gestimuleerd, en dat bepaald juridisch aanbod zal worden geschrapt. Er wordt een meer flexibele woonprogrammatie voorzien. Een meer flexibele woonprogrammatie maakt een ontwikkeling op maat inclusief aandacht voor nieuwe woonvormen en het benutten van specifieke kansen mogelijk'.

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Leandra Decuyper, Omgevingsvergunning, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/01/2017

Kaart met van archeologienota vrijgestelde gebieden uitgebreid

Op 5 januari 2017 werd de kaart met gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt - en waarvoor derhalve geen archeologienota dient te worden opgemaakt - uitgebreid.

Bij het aanvragen van een verkavelingsvergunning of stedenbouwkundige vergunning een in een gebied waar geen archeologische erfgoed te verwachten valt, dient geen archeologienota bij de vergunningsaanvraag gevoegd worden.

Door de uitbreiding van deze gebieden wordt het aantal vrijgestelde zones van 2519 naar 3636 zones uitgebreid. De oppervlakte van de gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt, stijgt daarmee van 1,55% van het totale oppervlak van Vlaanderen naar 1,78%.
Wij gaan er evenwel van uit dat deze uitbreiding niet de laatste was en in de toekomst bijkomende zones zullen vastgesteld worden. 

De uitgebreide kaart via het geoportaal
Meer informatie over de gevallen waarin wel een archeologienota vereist is, vindt u hier.

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Archeologie, Leandra Decuyper, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
18/11/2016

Hervorming archeologienota op komst

Het is gekend dat de archeologienota én vertragend én duur is.  Er zijn ten andere ook vragen naar de maatschappelijke relevantie van de proliferatie van archeologieonderzoeken, anders dan de tewerkstelling van archeologen op kosten van de vergunningsaanvrager.

De druk blijkt te hoog want nu al zou het systeem worden herdacht als we Netwerk Architecten Vlaanderen mogen geloven.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Archeologie, Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/11/2016

Vlaamse planschaderegeling deels vernietigd door Grondwettelijk Hof

In het arrest nr. 140/2016 van 10 november 2016 heeft het Grondwettelijk Hof zich gebogen over de prejudiciële vraag of de artikelen 2.6.1, § 3, 4°, en 2.6.2, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden, doordat ze bepalen dat enkel de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn in aanmerking komen voor planschadevergoeding (eerste prejudiciële vraag) en dat de planschadevergoeding slechts 80 pct. bedraagt van de waardevermindering (tweede prejudiciële vraag).

Het Hof antwoordt als volgt:

'B.16. Door te bepalen dat de planschadevergoeding 80 pct. van de waardevermindering bedraagt en beperkt wordt tot de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn, heeft de decreetgever in beginsel geen maatregel genomen die kennelijk onevenredig is met het door hem beoogde doel of die kan worden beschouwd als een krachtens artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ongeoorloofde inbreuk op het eigendomsrecht.

Immers, de dubbele beperking van de hoegrootheid van de planschadevergoeding hangt samen met de voorwaarde dat een planschadevergoeding enkel toekomt aan de eigenaar van een bouwgrond, die bovendien een zekere, actuele en objectief vaststelbare schade moethebben geleden en die slechts deels wordt vergoed, als tegemoetkoming voor de principiële niet-vergoedbaarheid van erfdienstbaarheden tot algemeen nut.
Het komt de decreetgever toe de gevallen te bepalen waarin een beperking van het eigendomsrecht tot een vergoeding aanleiding geeft en hij beschikt te dezen over een ruime beoordelingsvrijheid. In de regel, en inzonderheid in woongebieden, wordt aldus geen onevenredige last opgelegd aan de eigenaars van bouwgronden, nu veelal niet dieper dan vijftig meter vanaf de rooilijn kan worden gebouwd.

Anders is het evenwel voor de gronden gelegen in andere gebieden dan woongebieden zoals in industriegebieden, gebieden voor ambachtelijke bedrijven, gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen en andere gebieden die bestemd zijn om gebouwen met een grotere bouwdiepte te ontvangen. Een beperking van de planschadevergoeding tot de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn is in een zodanig geval niet in redelijkheid verantwoord'.

Het Hof zegt voor recht:

'Artikel 2.6.1, § 3, 4°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schendt de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doch uitsluitend voor wat betreft gronden gelegen in andere gebieden dan woongebieden zoals in industriegebieden, gebieden voor ambachtelijke bedrijven, gebieden voor kleine en
middelgrote ondernemingen en andere gebieden die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het definitieve plan waarbij een bouwverbod wordt opgelegd, bestemd waren om gebouwen te ontvangen met een bouwdiepte van meer dan 50 meter vanaf de rooilijn.
- Artikel 2.6.2, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schendt niet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens'.


 

07/11/2016

Het bestemmingsmisdrijf maakt de verjaring van zonevreemde stedenbouwmisdrijven dode letter

In een belangwekkend arrest van het hof van beroep te Gent van 28 oktober 2016, beslist de 10e correctionele kamer, aangaande het permanent wonen in een weekendverblijfpark:

‘De omschrijving ‘een inbreuk plegen op, dit voortzetten of in stand houden’ is ruimer dan de omschrijving ‘uitvoeren, voortzetten of in stand houden van handelingen, werken of wijzigingen’. Onder de bij artikel 146, eerste lid, 6°, Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.1., eerste lid, 6° VCRO bedoelde inbreuken kan dan ook het gebruik strijdig met de bestemmingsvoorschriften vallen. Het feit dat het verder gebruik van een gebouw niet strafbaar is op grond van een andere strafbepaling waarvan de strafbaar gestelde handeling een verder gebruik kan impliceren, zoals de functiewijziging, staat dit niet in de weg.

Een gebruik dat strijdig is met de bestemmingsvoorschriften van de plannen van aanleg vanaf 1 mei 2000 kan een strafbare handeling uitmaken op grond van artikel 146, eerste lid, 6°, Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.1., eerste lid, 6° VCRO voor zover dit strijdig gebruik op zich een ruimtelijke implicatie heeft.

Het niet vergund gebruik in strijd met de bestemmingsvoorschriften is geen voortdurend misdrijf, dit is een misdrijf dat bestaat in een ononderbroken en door de dader bestendigde wederrechtelijke toestand. Daden van gebruik in strijd met de bestemmingsvoorschriften vormen elk op zich een aflopend misdrijf voor zover zij ruimtelijke implicaties hebben. Verscheidene daden van gebruik in strijd met de bestemmingsvoorschriften kunnen wegens eenheid van opzet bij toepassing van artikel 65 Strafwetboek één voortgezet misdrijf opleveren.

Anders dan de eerste beklaagde voorhoudt zijn voortgezette misdrijven niet ‘onverjaarbaar’. Vereist is immers dat tussen elk van de misdrijven eenheid van opzet bestaat en dat zij werden gepleegd in een tijdspanne die de verjaring tussen elk van de misdrijven niet overschrijdt. Wanneer er een langere tijdspanne is dan de verjaringstermijn is wel verjaring mogelijk.

De door de eerste beklaagde aangevoerde middelen met betrekking tot het verjaringsregime, de gevolgen voor de herstelvordering van de inbreuk en de vergelijking met het misdrijf van de functiewijzigingen steunen op een verkeerde rechtsopvatting. Zij gaan er onterecht van uit dat artikel 65 Strafwetboek niet zou kunnen gelden voor bestemmingsmisdrijven. Volgens artikel 147 Stedenbouwdecreet en artikel 6.1.3. VCRO zijn alle bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85 van toepassing op de in artikel 146 respectievelijk artikel 6.1.1. vermelde misdrijven. De door de eerste beklaagde voorgestelde prejudiciële vraag dient niet te worden gesteld nu het decreet de betrokken grondwetsbepalingen kennelijk niet schendt. Het hof merkt overigens op dat de eerste beklaagde, wellicht per vergissing, op pagina 46 van zijn conclusie voor het hof vermeldt dat alle stedenbouwinbreuken gelegen zijn in ruimtelijk kwetsbaar gebied, wat niet zo is.’

Deze nieuwe rechtspraak - die aansluit op diverse arresten van 25 februari 2016 van de burgerlijke kamer van het Hof van Cassatie  - maakt de verjaringsregeling in de VCRO en de verjaringsintentie van de Vlaamse overheid dode letter.  Alle zonevreemde misdrijven, al dan niet gelegen in ruimtelijk kwetsbaar gebied, zijn daardoor onverjaarbaar, tenzij natuurlijk het bestemmingsstrijdig gebruik wordt gestaakt.

Het lijkt ons evident dat het herstel van een bestemmingstrijdig gebruik maar kan leiden tot de staking van het bestemmingstrijdig gebruik … tenzij omwille van de eenheid van opzet ook de primaire stedenbouwmisdrijven (het bouwen van een constructie zonder vergunning) eveneens ‘onverjaarbaar’ worden.

Deze uitspraak wordt in cassatie aangevochten en zal mogelijks aanleiding geven tot een of meerdere prejudiciële vragen bij het Grondwettelijk Hof.

Referentie: Gent 28 oktober 2016,nr. C/1385/2016, ng (PUB503233-1)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags