02/05/2016

Over de ‘ruimtelijke implicaties’ van een met een uitvoeringsplan – of aanlegplan – strijdig gebruik

In een arrest van 12 april 2016 van de 9e kamer van het hof van beroep te Gent  wordt in zoveel woorden gesteld dat er geen voortgezet misdrijf bestaat in de zin van artikel 6.1.1., lid 1, 1° VCRO.

De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur stelde evenwel dat hij zijn vordering nog kan enten op het misdrijf zoals voorzien in artikel 6.1.1., lid 1, 6° VCRO, m.n. een voortgezet misdrijf van een met het gewestplan strijdig gebruik, bestaande uit een ‘niet door de strafrechtelijke verjaringstermijn onderbroken’ reeds op zichzelf, (als aflopend misdrijf) strafbare handelingen van met het gewestplan strijdig gebruik, die zouden gepleegd zijn met dezelfde misdadige zet, zoals bedoeld in artikel 65 Sw.'

Het hof wijst erop dat er maar sprake kan zijn van een ‘voortgezet’ misdrijf van met het gewestplan strijdig gebruik indien er sprake is van ruimtelijke implicaties.

Dit was in casu niet het geval:

‘De vader van M. verkreeg op 6 november 1979 een bouwvergunning voor het verbouwen van een bestaande woning. Evenwel werd het bestaande gebouw gesloopt en werd een nieuwbouw opgericht, iets meer verwijderd van de straat dan het oude gebouw. Los van de mogelijke ruimtelijke implicaties van het bestaan van deze nieuwe constructie op de goede ruimtelijke ordening, is het hof van oordeel dat het gebruik van voor bewoning (als één woonentiteit) in onderhavig specifiek geval geen ruimtelijke implicaties heeft, te meer nu ook indien vader W. zich had gedragen naar de verkregen bouwvergunning, er evenzeer sprake zou zijn van bewoning/één woonentiteit op kwestieus perceel.

De vordering is dan ook af te wijzen als niet gegrond.’

Ref.: Gent, 12 april 2016, AR 2012/2886 en AR 2015/2134, ng.  (Pub501702)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw, Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
30/03/2016

Wanneer is er sprake van ‘ruimtelijke implicaties’ bij een met een ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig gebruik?

Dat de lat niet te laag mag gelegd worden, blijkt uit een niet-gepubliceerd arrest van de 9e kamer van het hof van beroep te Gent van 4 maart 2016:

‘Opdat er sprake zou kunnen zijn van een misdrijf van het met Gewestplan strijdig gebruik (-en m.n. een voortgezet misdrijf bestaande uit een niet door verjaring onderbroken reeks van opeenvolgende handelingen van met de Gewestplanbestemming strijdig gebruik van de kwestieuze constructies (die op zichzelf aflopende misdrijven uitmaken), gepleegd met hetzelfde misdadig opzet zoals bedoeld in art. 65 S.W.), is vereist dat dergelijke gebruiksdaden (en dienvolgens dergelijk gebruik) ruimtelijke implicaties hebben/heeft.

Het commercieel gebruik van de kwestieuze achterste ruimte voor de verkoop van goederen ontbeert naar oordeel van het hof in onderhavige specifieke situatie ruimtelijke implicaties, nu deze verkoop zich enerzijds situeert binnen een voordien gerealiseerde volledig afgesloten ruimte en nu het hier gaat om het stellen van gebruikshandelingen (stockeren en/of uitstallen van goederen met het oog op de verkoop ervan aan particulieren) die voorheen op dezelfde locatie reeds in open lucht plaatsgrepen.

De situatie is m.a.w. niet gelijk te stellen met deze waarin op de kwestieuze locatie een nieuwe handelszaak zou worden opgestart, dan wel de intensiteit van het handel drijven op die plaats (met alle bewegingen van dien van klanten en leveranciers) aanmerkelijk zou zijn uitgebreid doordat (schematisch voorgesteld) een kleine handelszaak zou zijn uitgebreid tot een veel grotere handelszaak. Er was voorafgaand aan het in gebruik nemen van het kwestieuze dicht gebouwde achterste gedeelte al sprake van een grote handelszaak (met gevelbreedte 105m en voorliggende parking), waarbij de kwestieuze achterliggende locatie ook reeds voor stockage en verkoop (weze het in open lucht) werd benut.

Ten aanzien van het met het Gewestplan strijdig gebruik van de kwestieuze, voorafgaand aan het stakingsbevel gebouwde ruimte (en dus ten aanzien van het misdrijf omschreven in art. 6.1.1., lid 1,6° VCRO) ontbreekt aldus de vereiste ruimtelijke implicaties.’

 (referentie: Gent, 4 maart 2016, AR 2012/2144, ng., PUB503387-3)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw, Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/03/2016

Beslissingsboom archeologisch vooronderzoek

Het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 verplicht de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning om in bepaalde gevallen een bekrachtigde archeologienota bij de vergunningsaanvrager te voegen.

In die gevallen stelt de aanvrager, voorafgaand aan de vergunningsaanvraag, een erkend archeoloog aan die een archeologisch vooronderzoek uitvoert en die de archeologienota opmaakt. Deze wordt dan ter bekrachtiging ingediend bij het Agentschap Onroerend Erfgoed.

Consulteer hier naar de beslissingsboom van het Agentschap om na te gaan of een vergunningsaanvraag al dan niet door deze archeologieverplichting wordt gevat.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Archeologie, Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/03/2016

Wettigheidsexceptie door gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur is problematisch

Zo blijkt alvast uit een parlementair debat op 16 februari 2016.

De minister van omgevingsrecht werd gevraagd of zij het vindt kunnen dat de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur in het kader van een herstelvordering een wettigheidsexceptie opwerpt tegenover een stedenbouwkundige vergunning die niet is aangevochten door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar.

Het standpunt van de minister is duidelijk:

‘Wanneer de leidend ambtenaar heeft beslist geen beroep in te stellen, acht ik het niet wenselijk dat de regularisatievergunning door een individuele gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur nog wordt betwist, niet alleen in lopende gedingen, maar evengoed met het oog op het verkrijgen van een positief advies van de Hoge Raad. Het is de taak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen om in eerste instantie te oordelen over de wettigheid van een aangevochten stedenbouwkundige vergunning en de leidend ambtenaar beslist om al dan niet een beroep tot nietigverklaring in te stellen. Een exceptie van onwettigheid zonder gelijklopend beroep van de leidend ambtenaar moet de uitzondering zijn.

(…)

De uitzonderingen op dit algemeen principe zullen ook worden gedefinieerd. Het kan bijvoorbeeld wel in geval van een manifest onwettige beslissing van een lokaal bestuur die Vlaamse beleidsregels schaadt en die op basis van de richtlijn niet werd voorgelegd voor een eventueel beroep.

(…)

Wanneer de leidend ambtenaar beslist om geen beroep in te stellen, moet de individuele gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur dit niet wél doen. Ik heb daar heel duidelijk op geantwoord: dat kan niet de bedoeling zijn.

Gaat men zijn boekje te buiten? Artikel 159 van de Grondwet is wat het is. Maar ik vind dat er intern een duidelijke hiërarchie is. Tegen de beslissing van de leidend ambtenaar moet niet worden ingegaan'.

23/02/2016

Omgevingsvergunning een feit vanaf 23 februari 2017

In het Belgisch Staatsblad van vandaag, 23 februari 2016 (Editie 1), wordt het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning gepubliceerd.

Het decreet en het uitvoeringsbesluit treden in werking één jaar na de bekendmaking in het Staatsblad.

Vanaf 23 februari 2017 vervangt de omgevingsvergunning dan ook de stedenbouwkundige en de milieuvergunning.  
Tags