31/01/2014

Bouwverbod op grond van een Brussels beschermingsbesluit zonder regeling van de vergoeding van de waardevermindering schendt het eigendomsrecht

In een prejudicieel arrest van 23 januari 2014 heeft het Grondwettelijk Hof voor recht gezegd dat de artikelen 232 en 240 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO) het eigendomsrecht schenden zoals beschermd door artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), doordat zij geen regeling organiseren inzake de vergoeding van de schade geleden door een bouwverbod als gevolg van een beschermingsmaatregel die kadert in de bescherming van het Brussels onroerend erfgoed.

De overwegingen van het Grondwettelijk Hof zijn als volgt:

B.10.2. Hoewel de betrokken eigenaars, in het geval van een bouwverbod als gevolg van een beschermingsmaatregel, niet zijn onteigend, zijn zij niettemin fundamenteel geraakt in hun eigendomsrecht dat betrekking heeft op een terrein dat bestemd is om te worden bebouwd, met name wanneer, zoals te dezen, voordien een verkavelingsvergunning is uitgereikt.

Hoewel een dergelijke verkavelingsvergunning aan de houder ervan geen enkel onvoorwaardelijk of onveranderlijk recht om te bouwen verleent, wegens mogelijke wijzigingen van het vastgoedbeleid, kan zij niettemin een gewettigde verwachting het goed te kunnen gebruiken overeenkomstig die bestemming doen ontstaan.

B.10.3.Bovendien dient te worden onderstreept dat de ordonnantiegever ervoor heeft gekozen een subsidiëringsmechanisme in te stellen indien werken tot behoud moeten worden uitgevoerd aan een beschermd goed dat tot het onroerende erfgoed behoort (in het geding zijnde artikel 240 van het BWRO).

Terwijl die subsidieregeling de uitdrukking is van de zorg de gemeenschap te doen bijdragen in de kosten die inherent zijn aan het behoud van het beschermde onroerende erfgoed, en bijgevolg de lasten die in het algemeen belang aan de betrokken eigenaars zijn opgelegd te verlichten, is het des te minder verantwoord elke schadevergoeding te weigeren wanneer de last die door de beschermingsmaatregel aan de betrokken eigenaars is opgelegd, bestaat in een bouwverbod.
 
De verzoekende partijen voerden ook een schending aan van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet nu een schadevergoedingsregeling wel is voorzien in artikel 81 BWRO indien het bouwverbod voortvloeit uit een bestemmingsplan met bindende kracht. Afgezien van de overweging dat het bestaan van andere schadevergoedingsregelingen niet meebrengt dat een bouwverbod altijd het voorwerp moet uitmaken van een schadeloosstelling, is het Hof niet ingegaan op de vermeende schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het Hof achtte het niet nodig om de artikelen 232 en 240 BWRO ook te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu het Hof toch al besloten had tot een schending van artikel 16 van de Grondwet.

Gepost door Roel Meeus

Blog Lokale Besturen
Tags Brussels omgevingsrecht, Roel Meeus, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vastgoed
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags