22/10/2015

Over het beginsel van het gewettigd vertrouwen

De schending van het beginsel van het gewettigd vertrouwen veronderstelt, aldus de Raad van State in een arrest nr. 226.017 van 10 januari 2014, drie voorwaarden, namelijk een fout van het bestuur, een verwachting die gewettigd veroorzaakt is tengevolge van deze fout én de ontstentenis van een dringende reden die toelaat terug te komen op deze erkenning.

In deze zaak stelde de Raad van State dat elke redelijke persoon gewettigd mag geloven dat de datum die vermeld is in de mededeling van de aanplakking van een stedenbouwkundige vergunning als zijnde de datum van aanvang van de beroepstermijn, eveneens de datum is van de eerste dag van de aanplakking.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Rechtsbeginselen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
21/04/2015

Structurele onpartijdigheid deputatie aangetast door samenloop mandaatfuncties gedeputeerde?

Naar aanleiding van een vergunningsaanvraag voor het bouwen van een magazijn met kantoren en kleedkamers werd door de gemeente advies opgevraagd bij de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij ter verduidelijking van vragen over de inplanting van de spoorweglijnen en staanders. Een en ander had te maken met de aanleg van een nieuwe wegenis. De Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij leverde een ongunstig advies af nu de bouwplannen niet compatibel waren met het goedgekeurde en vergunde stratentracé van de toekomstige openbare weg. Dit resulteerde uiteindelijk in een weigering van de vergunningsaanvraag in eerste aanleg.

Hiertegen werd door de bouwheer administratief beroep aangetekend bij de deputatie die evenwel de aanvraag op zijn beurt weigerde.

De bouwheer achtte middels deze laatste beslissing o.m. het algemeen rechtsbeginsel van onpartijdigheid geschonden en trok hierop naar de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb). 

De RvVb vernietigde de voormelde beslissing in zijn arrest van 8 juli 2014 met nummer A/2014/0484 op basis van de volgende redenering:

'1.
Er is geen discussie over het feit dat de verwerende partij als orgaan van actief bestuur gebonden is door de eis van onpartijdigheid.

Het middel viseert de (on)partijdigheid van de verwerende partij als administratieve beroepsinstantie. Het stelt aldus, alhoewel niet zeer duidelijk, de structurele onpartijdigheidseis aan de orde en meer bepaald doordat er in de procedure over het administratief beroep bij de deputatie een in de persoon van een gedeputeerde een samenloop van functies is. De samenloop bestaat er concreet in dat de betrokken gedeputeerde lid is van het collegiaal orgaan dat het administratief beroep beoordeelt, daarenboven bevoegd is voor ruimtelijke ordening en stedenbouw, en tegelijk de voorzitter is van de POM Antwerpen, die naar aanleiding van het onderzoek van de stedenbouwkundige aanvraag in eerste aanleg op vraag van het college van burgemeester en schepenen een ongunstig advies heeft gegeven.

Er is geen onduidelijkheid over het feit dat het advies de bestreden beslissing op doorslaggevende wijze heeft beïnvloed. Er is evenmin onduidelijkheid over, enerzijds het bestaan van een beheersovereenkomst tussen de POM Antwerpen en de provincie Antwerpen, en anderzijds de leidinggevende rol van POM Antwerpen in de ontwikkeling van het bedrijventerrein “Willebroek – Noord”, waar de aanvraag zich situeert.

2.
De verwerende partij stelt dat het middel onontvankelijk is omdat de onpartijdigheidseis tijdens de hoorzitting van de deputatie moest zijn opgeworpen. De exceptie kan niet worden aanvaard omdat ze uitgaat van een subjectieve op persoonlijke onpartijdigheidseis, terwijl het middel is geformuleerd als een structurele onpartijdigheidseis.
De Raad neemt aan dat het lid van de verwerende partij, handelend als collegiaal orgaan van actief bestuur, zich moest hebben onthouden aan deelname aan de besluitvorming. Het feit dat hij tegelijk als voorzitter van een orgaan zetelt, dat een facultatief maar doorslaggevend advies uitbracht, terwijl de adviserende instantie door een beheersovereenkomst met de provincie Antwerpen verbonden is enerzijds, en een belang heeft in de ontwikkeling van het bedrijventerrein waar de aanvraag zich situeert anderzijds, wekt minstens in die mate een schijn van partijdigheid dat het onpartijdigheidsbeginsel geschonden is.

Het middel is gegrond.'

De Raad van State, in zijn hoedanigheid als cassatierechter, volgde bovenstaande visie evenwel niet. Middels cassatiearrest van 26 februari 2015 met nummer 230.338 werd de schending van het onpartijdigheidsbeginsel verworpen:

'10. Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op de deputatie als orgaan van actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de leden van de deputatie die een beslissing neemt, als de structurele onpartijdigheid van de deputatie op het vlak van de organisatie ervan, het verloop van de procedure en het tot stand komen van haar beslissingen. 
In zoverre het de structurele onpartijdigheid waarborgt, is het onpartijdigheidsbeginsel slechts van toepassing op een orgaan van actief bestuur indien de toepassing ervan verenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de eigen structuur van het bestuur. De toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel door de RvVb mag er niet toe leiden dat het nemen van een regelmatige beslissing onmogelijk wordt, namelijk doordat dit beginsel het optreden van het bevoegde orgaan onmogelijk zou maken. 

Om de schending van de structurele onpartijdigheid van een bestuursorgaan aannemelijk te maken voor de RvVb, moet die schending objectief gerechtvaardigd zijn, rekening houdend met de concrete, feitelijke elementen van de zaak.

11. Door op grond van “een samenloop van functies” te besluiten  tot de gegrondheid van het derde middel van de nv IGS, zonder concrete en objectief gewettigde aanwijzingen aan te nemen dat de betrokken gedeputeerde niet langer met de vereiste afstandelijkheid en onpartijdigheid als lid van de deputatie over de vergunningsaanvraag kon oordelen en zonder na te gaan of de toepassing van het aangevoerde onpartijdigheidsbeginsel het optreden van de deputatie onmogelijk zou kunnen maken, schendt het bestreden arrest het beginsel van de structurele onpartijdigheid van bestuursorganen. 
Het eerste middelonderdeel is in de aangegeven mate gegrond.'
09/09/2013

Raad van State verwerpt vermoeden van partijdigheid in hoofde van de ontwerper in een overheidsopdracht

Heel wat overheden worden de laatste tijd geconfronteerd met een procedurebereide aannemer die telkens opwerpt dat een architect niet onpartijdig en vertrouwelijk kan optreden in de gunningsfase (en in de uitvoeringsfase). Het heet dat van zodra er opmerkingen worden gemaakt aangaande het door de ontwerper opgemaakte bestek, deze laatste niet meer onpartijdig kan handelen.

De Raad van State repliceert in een arrest nr.224.389 van 23 juli 2013:

'In een eerste onderdeel stelt de verzoekende partij dat het vaststaat dat de aanbestedende overheid de inschrijvingen en dossiers die zijn neergelegd door de vier inschrijvende aannemers heeft toevertrouwd aan een derde, zijnde de ontwerper, die niet gebonden is door een wettelijk beroepsgeheim. 

De ontwerper heeft de inschrijvingen gezien, heeft er onbekende en oncontroleerbare handelingen mee gesteld, en had de vrijheid om deze informatie met eender wie te delen, wat niet verenigbaar is met de strenge eisen van vertrouwelijkheid van artikel 65/10 van de wet van 24 december 1993 die gelden voor inschrijvingen, minstens tot aan de gunningsbeslissing. Met een brief van 22 juni 2013 heeft de verzoekende partij aan de verwerende partij gevraagd de lijst te verkrijgen van iedere persoon die inzage heeft gekregen in de inschrijvingen tussen de neerlegging en het tijdstip van de beslissing tot gunning, dit om na te gaan of er al dan niet overleg is geweest met de leverancier M. Op 27 juni 2013 heeft de verwerende partij geantwoord dat deze lijst niet bestaat, maar dat het zou kunnen worden nagegaan in de openbaar gemaakte documenten. Dit ontwijkend antwoord biedt volgens de verzoekende partij geen voldoening omdat niet bekend is wie daadwerkelijk inzage heeft gekregen. 

In een tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de ontwerper ten volle aansprakelijk is voor alle fouten en nalatigheden die voorkomen in de stukken die hij heeft afgegeven ter uitvoering van zijn dienstenopdracht. De kosten die het gevolg zijn van deze fouten en nalatigheden, van inbreuken tegen de regels der kunst, dienen te worden afgehouden van het ereloon van de ontwerper. Het mag dan ook als evident worden beschouwd dat, van zodra de ontwerper wordt gewezen op door hem gemaakte fouten, het eigenbelang van de ontwerper niet meer samenvalt met het algemeen belang, gelet op het verschuldigd worden van een schadevergoeding. De ontwerper kon dan ook onmogelijk nog tussenkomen in het besluitvormingsproces, wat hij wel heeft gedaan. Ingevolge deze tussenkomst van de ontwerper dient de gunningsbeslissing nietig te worden verklaard. 

In het derde middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat het Hof van Justitie in zijn arrest C-599/10 heeft gesteld dat door wijziging van één inschrijving na het openen van de inschrijvingen, minstens de schijn is gewekt dat de aanbestedende overheid of de externe dienstverlener over deze wijziging heimelijk heeft onderhandeld ten nadele van andere gegadigden, en dat dit in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling. Gezien de dossiers de aanbestedende dienst hebben verlaten en niet meer onder controle stonden van de aanbestedende dienst, bestaat er te dezen geen enkele garantie dat geen tussenkomsten hebben plaatsgevonden om te komen tot de voor de verzoekende partij nadelige beslissing met betrekking tot de posten 316, 317 en 318. 

In een vierde onderdeel doet de verzoekende partij gelden dat de artikelen 110 tot en met 115 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 bepalen dat het de aanbestedende overheid is die het nazicht van de inschrijvingen verricht, dat het vertrouwensbeginsel een fundamenteel Uniebeginsel is, dat dit beginsel inhoudt dat de taken die de wetgever aan de overheid toewijst ook effectief door de overheid worden uitgevoerd en dat het te dezen volstrekt onbegrijpelijk is dat in strijd met het Unierecht en met het koninklijk besluit van 8 januari 1996 en tegen de bepalingen van het contract tussen de verwerende partij en de ontwerper in, aan laatstvermelde werd toegestaan om zelf zijn eigen fouten toe te wijzen aan anderen. 

Beoordeling 

Eerste onderdeel 

16. Artikel 65/10, § 2, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten van aanneming voor werken, leveringen en diensten (hierna : wet van 24 december 1993) bepaalt : 

"De aanbestedende instantie en elke persoon die, in het kader van zijn functie of van de hem toevertrouwde opdrachten, kennis heeft van vertrouwelijke informatie over een opdracht of die hem, in het kader van het 
plaatsen en de uitvoering van de opdracht, door de kandidaten, inschrijvers, aannemers, leveranciers of dienstverleners werd verstrekt, mogen die informatie niet bekendmaken. Deze informatie heeft meer bepaald betrekking op de technische of commerciële geheimen en op de vertrouwelijke aspecten van de offertes. 
Zolang de aanbestedende instantie geen beslissing heeft genomen over, naargelang het geval, de selectie of kwalificatie van de kandidaten, de regelmatigheid van de offertes, de gunning van de opdracht of de beslissing om af te zien van het plaatsen van de opdracht, hebben de kandidaten, inschrijvers en derden geen toegang tot de documenten betreffende de procedure, met name de aanvragen tot deelneming of kwalificatie, de offertes en de interne documenten van de aanbestedende instantie". 
De aangehaalde bepaling richt zich niet enkel tot de aanbestedende instantie, maar ook op elke persoon, waaronder de aangestelde van die aanbestedende instantie, die, "in het kader van zijn functie of van de hem toevertrouwde opdrachten", kennis heeft van vertrouwelijke informatie. 

17. In het bestek wordt uitdrukkelijk bepaald dat de BVBA E.-Architecten is aangesteld door de verwerende partij als ontwerper, met een volledige opdracht voor ontwerp, studiecoördinatie, controle en toezicht op de werken. Hieruit volgt dan ook dat de ontwerper is gehouden aan de verplichting om bepaalde gegevens vertrouwelijk te behandelen, waardoor de grief dat de verwerende partij gegevens heeft overgemaakt aan een derde, die niet is gehouden door vertrouwelijkheid ex artikel 65/10, § 2, van de wet van 24 december 1993, niet kan worden bijgetreden. Met de enkele bewering dat onbekend is welke personen inzage hebben gekregen van de inschrijvingen, wordt overigens geen concreet element bijgebracht waaruit zou kunnen blijken dat de vertrouwelijkheid werd geschonden.

18. Wat betreft de ingeroepen schending van artikel 458 van het strafwetboek, komt het niet aan de Raad van State toe om te beoordelen of aan de voorwaarden voor de toepassing van deze strafbepaling is voldaan, vermits enkel de strafrechter hiervoor bevoegd is. 

Het eerste onderdeel is niet ernstig. 

Tweede onderdeel 

19. Naast de vaststelling dat de verzoekende partij zelfs niet het begin van bewijs levert van een vermeende fout door de ontwerper in de stukken afgegeven ter uitvoering van de dienstenopdracht, maakt zij ook niet duidelijk waarom het "als evident (mag) worden beschouwd dat van zodra er fouten aangewezen zijn in het dossier gemaakt door E.-Architecten, het eigenbelang van E.-Architecten niet meer samenvalt met het algemeen belang" en hierdoor de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen zouden zijn geschonden. Zelfs in geval van het bestaan van een dergelijke fout, toont de verzoekende partij op het eerste gezicht niet aan dat het voorstel van de ontwerper om de opdracht aan een bepaalde inschrijver te gunnen, zou zijn ingegeven door een persoonlijk belang. 

Het tweede middelonderdeel is evenmin ernstig.

Derde onderdeel 

20. In het arrest C-599/10 van 29 maart 2012, en meer bepaald in rechtsoverweging 37, waarnaar de verzoekende partij verwijst, heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat "indien het een aanbestedende dienst wordt toegelaten een gegadigde om preciseringen te verzoeken bij een inschrijving die hij onnauwkeurig of niet in overeenstemming met de technische specificaties van het bestek acht, dit een risico zou opleveren dat het zou lijken alsof de aanbestedende dienst, in geval de inschrijving van die gegadigde uiteindelijk zou worden gekozen, over deze inschrijving heimelijk heeft onderhandeld, ten nadele van de andere gegadigden, en in strijd met het beginsel van gelijke behandeling". Te dezen is er evenwel geen sprake van een verzoek tot preciseringen door de verwerende partij aan de NV D., noch van een wijziging van een inschrijving na het openen van de inschrijvingen. De premisse waarop de grief steunt mist feitelijke grondslag, wat op zich volstaat om te besluiten dat het aangevoerde middelonderdeel de vereiste ernst ontbeert.

Vierde onderdeel 

21. Zoals reeds werd gesteld bij de beoordeling van het tweede middelonderdeel toont de verzoekende partij niet aan dat de ontwerper fouten heeft gemaakt, laat staan welke fouten. Voorts verbieden de artikelen 110 tot en met 115 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 op het eerste gezicht niet dat de aanbestedende overheid zich laat adviseren. Bovendien kan niet om de vaststelling heen dat in de voorliggende zaak de ontwerper enkel een voorstel heeft geformuleerd om de opdracht aan de NV D. te gunnen. De definitieve beslissing werd echter genomen door de verwerende partij, zijnde de bouwheer. 

Het middelonderdeel is niet ernstig'.
03/07/2013

Belofte maakt schuld, ook inzake de carrière van gemeentepersoneel

In een merkwaardig arrest van het hof van beroep te Gent van 21 november 2007 (waarvan we nu pas kennis krijgen) werd een OCMW veroordeeld tot een schadevergoeding omdat zij, niettegenstaande een in notulen opgenomen belofte tot verhoging van graad, uiteindelijk naliet om tot daartoe vereiste personeelsformatie over te gaan.

Het hof oordeelde:

‘Geïntimeerde stoelt haar vordering op het artikel 1382 e.v. B.W. In dat artikel ligt de zorgvuldigheidsplicht vervat die bepaalt dat elke daad, nalatigheid of voorzichtigheid waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan verplicht om die te vergoeden.

Die verplichting tot zorgvuldigheid heeft evenzeer betrekking op het bestuurlijk overheidshandelen in al zijn vormen, of de overheid nu handelt via individuele besluiten dan wel via verordende bepalingen, via feitelijk handelen of precies omdat de overheid niet handelt.
In de gegeven omstandigheden geldt het nalaten door eerste appellante om een nieuw personeelskader voor haar dienstencentrum tot stand te brengen als een fout.
Dat geldt des te meer gezien eerste appellante aan geïntimeerde formeel had toegezegd om, gelet op zijn nieuwe functie als centrumleider, hem onder een gunstiger geldelijk statuut te laten ressorteren.

Door niet adequaat en consequent te handelen heeft eerste appellante tevens het vertrouwensbeginsel geschonden.
Immers, geïntimeerde mocht er in de gegeven omstandigheden op vertrouwen dat de hem door eerste appellante gedane toezeggingen effectief zouden worden nagekomen.’

Gent, 21 november 2007, 2006/AR/612, ng. (Pub504225)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Gemeentepersoneel, Lokale besturen, Overheidsaansprakelijkheid, Rechtsbeginselen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/05/2011

Het vertrouwensbeginsel kan bij wege van exceptie tegen een overheidsvordering ingeroepen worden

Op 21 oktober 2010 verwierp het hof van beroep te Gent de vordering die de Vlaamse Landmaatschappij instelde tegen een natuurlijke persoon wegens miskenning van het wettelijke voorkooprecht. Diens eigendom was deels gelegen in het bestemmingsgebied natuurreservaat, en deels in een gebied voor verblijfsrecreatie. In werkelijkheid werd diens eigendom letterlijk doorklieft door beide bestemmingsgebieden.

In dit dossier had de minister in zoveel woorden laten weten “dat uit onderzoek dat hij door de terzake bevoegde administratie liet uitvoeren, blijkt dat er geen planologische bezwaren bestaan om het gebouwencomplex van het legaal tot stand gekomen vakantiecentrum in het gewestplan in zijn geheel onder te brengen in het gebied voor verblijfsrecreatie; dat de minister meldde dat hij aan de afdeling Ruimtelijke Planning de opdracht had gegeven om bij de eerstvolgende wijziging van het gewestplan de begrenzing tussen de bestemmingszones natuurreservaat en gebied voor verblijfsrecreatie aan te passen in functie van de bestaande toestand”.

Het afdelingshoofd van de afdeling Ruimtelijke Planning meldde ten andere aan de minister “dat bij de eerstvolgende wijziging van het gewestplan rekening zou worden gehouden met de ter plaatse bestaande reële toestand”.

Aldus werd de vordering ontzegd aan de Vlaamse Landmaatschappij op grond van hiernavolgende motivering:

“De overheid dient het vertrouwen dat zij door het doen van concrete toezeggingen bij de burger heeft gewekt, te honoreren.

In voorliggend geval betekent dit dat zij zich ervan diende te onthouden om schadevergoeding wegens miskenning van het voorkooprecht die zij op basis van art. 39 van het decreet Natuurbehoud kon vorderen, ook effectief te vorderen.

Hierbij moet worden opgemerkt dat er voor het Vlaams Gewest / de Vlaamse Landmaatschappij geen enkele decretale verplichting bestond om terzake sanctionerend op te treden tegen de (formele) miskenning van het voorkooprecht. Er kon wettelijk perfect worden beslist om geen schadevergoeding te vorderen. Het vertrouwensbeginsel stond in voorliggend geval dan ook niet op gespannen voet met het legaliteitsbeginsel.

Ten overvloede kan hieraan worden toegevoegd dat het in de geschetste omstandigheden kennelijk onredelijk is om de in art. 39 Decreet Natuurbehoud voorziene schadevergoeding te vorderen. Ook het redelijkheidsbeginsel werd derhalve miskend.”

Enkele belangrijke opmerkingen:

- Het vertrouwensbeginsel wordt enkel gebruikt om een vordering tegen de burger af te wijzen, niet om een vordering voor de burger in te willigen

- Er was een individuele notificatie voorhanden, tot 2 maal toe, van een engagement, met een buitengewoon concrete inhoud

- Het hof van beroep benadrukt zeer uitdrukkelijk dat precies omdat de overheid anders kon beslissen, het vertrouwensbeginsel niet op gespannen voet stond met het legaliteitsbeginsel

Referentie: Gent, 2008/AR/950, 21 oktober 2010, ng - PUB501374-2

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Rechtsbeginselen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags