26/12/2016

Structuurplannen en stedenbouwkundig beleid van geen tel bij planschadevorderingen

In het prejudicieel arrest nr. 164/2016 van 22 december 2016 zegt het Grondwettelijk Hof voor recht:

'Artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schendt de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie dat bij het onderzoek of het perceel de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het definitieve ruimtelijk uitvoeringsplan stedenbouwkundig in aanmerking komt voor bebouwing, ook rekening wordt gehouden met het stedenbouwkundig beleid, zoals dat blijkt uit de structuurplannen en uit het vergunningenbeleid van het bestuur.'

Het Hof overweegt:

'B.12.1. Een ruimtelijk bestemmingsplan verleent de eigenaar geen subjectief recht op de verlening van een vergunning. De overheid mag zich uitspreken over de wijze van uitoefenen van de bouwmogelijkheden in het licht van de goede ruimtelijke ordening en van het algemeen belang.

B.12.2. Het komt de vergunningverlenende overheid evenwel niet toe om van de bindende en verordenende voorschriften van de ruimtelijke bestemmingsplannen af te wijken op grond van een recente urbanistische beleidsoptie of van een ruimtelijk structuurplan (Rvst, 24 juni 2009, nr. 194.614).

B.12.3. Aldus kan haar beleid er in beginsel niet toe leiden dat een perceel in geen enkel opzicht of onder geen enkele voorwaarde meer voor bebouwing in aanmerking kan komen, wanneer dat volgens de verordenende bestemmingsvoorschriften wel het geval is. Een wijziging van het stedenbouwkundig beleid dient, in het licht van de rechtszekerheid, in de eerste plaats tot uiting te komen in een wijziging van de bestemmingsvoorschriften.

B.12.4. Indien de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van een nieuw ruimtelijk uitvoeringsplan, een algeheel bouwverbod zou rusten op een perceel ingevolge het beleid van het vergunningverlenende bestuur, terwijl dat perceel volgens de geldendebestemmingsvoorschriften op dat ogenblik wel voor bebouwing in aanmerking kwam, dan leidt het in aanmerking nemen van dat beleid als voorwaarde voor het verkrijgen van planschadevergoeding tot een onevenredige beperking van het eigendomsrecht, zoals beschermd door de in B.5.1 vermelde bepalingen, vermits afbreuk wordt gedaan aan de bindende en verordenende bestemmingsvoorschriften en aan de rechtmatige verwachtingen die de eigenaar daaraan kan ontlenen.

B.13.1. Het in aanmerking nemen van het vergunningenbeleid zou bovendien een onevenredig zware bewijslast leggen op de eigenaar, die voor de burgerlijke rechter dient aan te tonen dat zijn perceel aan de voorwaarden van artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, van de VCRO voldoet. Immers, zelfs indien het bestuur bij het verlenen van vergunningen bepaalde beleidslijnen hanteert die op algemene wijze kenbaar zijn, dan verhindert dit niet dat elke vergunningaanvraag in concreto moet worden beoordeeld, waarbij, mits motivering, van de algemene beleidslijnen kan worden afgeweken.

B.13.2. Uit de wordingsgeschiedenis van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat de voorwaarden vermeld in artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, van de VCRO erop gericht zijn vast te stellen dat het perceel in kwestie objectieve bouwgrond is. De voorwaarden dat het perceel moet zijn gelegen aan een uitgeruste weg, in de nabijheid van andere bebouwing moet liggen en technisch geschikt moet zijn voor bebouwing, zijn feitelijke elementen, die de eigenaar kan aantonen en die, bij betwisting, ter plaatse kunnen worden onderzocht.

B.13.3. Het zou evenwel niet redelijk verantwoord zijn van de eigenaar die voor de burgerlijke rechter een vergoeding wegens planschade vordert het bewijs te eisen dat hij, rekening houdend met het stedenbouwkundig beleid van het bestuur, een vergunning zou hebben verkregen, in het hypothetische geval dat hij die de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe ruimtelijk uitvoeringsplan zou hebben gevraagd.

B.13.4. Het bovenstaande heeft evenwel niet tot gevolg dat steeds planschadevergoeding verschuldigd zal zijn wanneer, op basis van een in werking getreden ruimtelijk uitvoeringsplan, een perceel niet meer voor een vergunning om te bouwen of te verkavelen in aanmerking komt, terwijl dat de dag voorafgaand aan de inwerking van dat plan wel het geval was. Er dient immers steeds voldaan te zijn aan de voorwaarden bepaald in artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, van de VCRO die vereisen dat het perceel objectieve bouwgrond is.

B.14. In de interpretatie dat de burgerlijke rechter bij de beoordeling of een perceel stedenbouwkundig in aanmerking kwam voor bebouwing ook rekening dient te houden met het vergunningenbeleid van het bestuur zoals van toepassing op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het definitieve ruimtelijk uitvoeringsplan, schendt artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, 2°, van de VCRO de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.15. De prejudiciële vraag dient in die interpretatie bevestigend te worden beantwoord.'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Planschade
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/01/2015

Vlaams Gewest (extracontractueel) in de fout wegens niet-uitvoering van artikel 2.4.10 VCRO

In een opmerkelijk vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel wordt het Vlaams Gewest extra-contractueel aansprakelijk gesteld omdat nog steeds geen uitvoeringsbepalingen werden genomen met betrekking tot de aankoopplicht in artikel 2.4.10 VCRO dat als volgt luidt:

‘§1. De eigenaar van een onroerend goed kan van het Vlaams Gewest de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, tengevolge van de vaststelling van één of meer al dan niet opeenvolgende ruimtelijke uitvoeringsplannen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt (…). 
§2. De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden in de procedure van de aankoopplicht. De Vlaamse regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft. (…)’.

De rechtbank oordeelde als volgt:

‘De Vlaamse regering zou volgens de nv A., de nv P. en de nv R. evenwel de redelijke termijn voor het vaststellen van dit uitvoeringsbesluit hebben overschreden en als zodanig een fout hebben gepleegd in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Zij zouden aldus aanspraak kunnen maken op het herstel van de schade die door deze fout werd ondergaan, en de verplichte aankoop van hun gronden – tegen de werkelijke waarde, zonder rekening te houden met de waardevermindering die volgt uit het GRUP - zou een herstel in natura uitmaken van deze schade.

Het Vlaams Gewest betwist een fout te hebben begaan in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Zij verwijst daartoe naar twee rechterlijke uitspraken waarin werd gesteld dat het uitblijven van uitvoeringsbesluiten niet kan beschouwd worden als een fout omdat de betrokken eiser aanspraak kon maken op een planschadevergoeding.

De rechtbank kan zich daarbij niet aansluiten. De omstandigheid dat de eigenaar die zich op de aankoopplicht wenst te beroepen ook aanspraak kan maken op een planschadevergoeding, heeft geen uitstaans met de vraag of de Vlaamse regering al dan niet een fout beging door geen (tijdige) uitvoering te geven aan artikel 2.4.10 van de VCRO. Artikel 2.4.10, §3 van de VCRO viseert overigens uitdrukkelijk de situatie waarin de eigenaar die een beroep doet op de aankoopplicht, ook aanspraak kan aken op een planschadevergoeding. De omstandigheid dat de eigenaar ook aanspraak kan maken op een planschadevergoeding, ontslaat de Vlaamse regering dan ook niet van haar verplichting om uitvoering te geven aan de opdracht van de decreetgever om de besluiten vast te stellen die de toepassing van artikel 2.4.10 van de VCRO mogelijk maken.

Artikel 2.4.10 van de VCRO is op 1 september 2009, thans reeds meer dan 4 jaar geleden, in werking getreden, zonder dat de uitvoeringsbesluiten werden vastgesteld die het mogelijk maken dat de eigenaars die zich in de decretale toepassingsvoorwaarden bevinden, hun aanspraak op de aankoopverplichting kunnen laten gelden.

Een termijn van 4 à 5 jaar om een uitvoeringsbesluit vast te stellen hoeft niet in alle omstandigheden als overdreven lang te worden beschouwd, doch het behoort de betrokken overheid in dergelijk geval om de redenen aan te geven waarom zij er nog niet in geslaagd is om de nodige besluiten te nemen (bv. technische moeilijkheidsgraad, noodzaak om overleg te plegen met actoren op het terrein, raadpleging van adviesorganen, …).

Het Vlaams Gewest voert in haar conclusies evenwel geen enkele reden aan ter verantwoording van het langdurig stilzetten van zijn regering.

In deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat het Vlaams Gewest een fout begaat in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, door na te laten zonder redelijke verantwoording binnen een redelijke termijn de nodige besluiten vast te stellen ter uitvoering van artikel 2.4.10 van de VCRO.’

Referentie: Rb. Brussel, 7 februari 2014, ng.  (pub505102)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Aankoopplicht, Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Overheidsaansprakelijkheid, Planschade, VCRO
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags