12/03/2018

Wel of geen schadevergoeding in overheidsopdrachten mogelijk zonder voorafgaande procedure voor de Raad van State?

Er is rechtspraak in de twee richtingen: zie hier en hier.

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, denkt er in een vonnis van 28 november 2017 als volgt over:

‘Ten onrechte meent de gemeente W. een argument te kunnen halen uit het feit dat de bvba S. geen procedure voerde voor de Raad van State. Daartoe bestaat geen verplichting.

De rechtbank herhaalt dat zij bevoegd is om op grond van artikel 55 van de Wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie- en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten om de vordering in toepassing van artikel 48 van deze wet tot toekenning van een schadevergoeding aan de personen die zich benadeeld achten, door één van de in artikel 46 bedoelde schendingen die door de aanbestedingsinstantie zijn begaan en vooraf gaan aan de sluiting van de opdracht.

De keuze om hetzij een procedure voor de Raad van State te gaan volgen, hetzij een procedure voor de rechtbank van eerste aanleg, dewelke beiden mogelijk zijn, vormt geen enkel bewijs van enige voorgehouden stelling ook.’.

Referentie: Rb. Kortrijk, 28 november 2017, nr. 2017/7243, AR 16/466/A, ng. (Pub505809-2)

31/01/2018

Veel ruimte voor sociale gunningscritia in nieuwe Overheidsopdrachtenwet

Dat blijkt toch uit het arrest van de Raad van State nr. 240.322 van 27 december 2017:

'Wat de ernst van het middel betreft, wordt vastgesteld dat overeenkomstig artikel 81, § 2, eerste lid, 3°, en tweede lid, wet overheidsopdrachten 2016, de economisch meest voordelige offerte uit het oogpunt van de aanbestedende overheid wordt vastgesteld rekening houdend met de beste prijs-kwaliteitsverhouding die bepaald wordt op grond van de prijs of de kosten alsook criteria waaronder kwalitatieve, milieu- en/of sociale aspecten, die verband houden met het voorwerp van de betrokken opdracht. Nog volgens deze bepaling mag het daarbij onder meer gaan om criteria inzake sociale, milieu- en innovatieve kenmerken, de handel en de voorwaarden waaronder deze plaatsvindt. Volgens artikel 81, § 3, eerste lid, wet overheidsopdrachten 2016, worden gunningscriteria geacht verband te houden met het voorwerp van de overheidsopdracht wanneer zij betrekking hebben op de in het kader van die opdracht te verrichten werken, leveringen of diensten, in alle opzichten en in elk stadium van de levenscyclus ervan, met inbegrip van factoren die te maken hebben met het specifieke productieproces, het aanbieden of de verhandeling van deze werken, leveringen of diensten, of een specifiek proces voor een andere fase van de levenscyclus ervan, zelfs wanneer deze factoren geen deel uitmaken van de materiële basis ervan.

Reeds op het eerste gezicht lijkt aldus te mogen worden vastgesteld dat de Belgische en Europese – artikel 81 wet overheidsopdrachten 2016 is immers de quasi woordelijke omzetting van artikel 67 van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 ‘betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG’ – wetgever de krijtlijnen waarbinnen een gunningscriterium wordt geacht verband te houden met het voorwerp van de opdracht, zeer ruim hebben getrokken.

Overweging 97 van deze richtlijn 2014/24/EU stelt de betere integratie van sociale en milieucriteria in de aanbestedingsprocedures voorop, “in ieder opzicht en in elk stadium van de levenscyclus, van de winning van grondstoffen voor het product tot de verwijdering van het product”, “zelfs als deze factoren niet tot de materiële essentie van het werk, de levering of de dienst behoren”. Aldus lijkt de aanbestedende overheid zelfs ook extrinsieke elementen te mogen betrekken bij het vaststellen van een gunningscriterium.

Het is binnen deze ruime perken dat de aanbestedende overheid mag kiezen welke gunningscriteria zij zal hanteren bij de beoordeling van de offertes, om te bepalen welke volgens haar de economisch meest voordelige offerte is. Zij beschikt daarbij in beginsel over een aanzienlijke beoordelingsvrijheid. Het komt niet aan de Raad van State toe om in de plaats van de aanbestedende overheid te bepalen welke criteria zij dient te hanteren. Wel komt het hier aan de Raad van State toe om na te gaan of het gehanteerde gunningscriterium het rechtens vereiste verband vertoont met het voorwerp van de opdracht'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
28/09/2017

Schadevergoedingsaanspraak in overheidsopdrachten mogelijk zonder voorafgaande procedure voor de Raad van State?

In een niet-gepubliceerd arrest van 12 september 2017 stelt het hof van beroep te Brussel :

‘De omstandigheid dat [eiseres] geen beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State instelde [tegen de gunningsbeslissin waarbij de overheidopdracht aan een ander werd toegekend], belet haar niet om de illegaliteit van de administratieve handeling voor de burgerlijke rechter in te roepen’.

Op basis van een succesvolle wettigheidsexceptie kan de opdrachtgevende overheid tot schadevergoeding veroordeeld worden, mits een causaal verband bewezen wordt tussen fout en schade.

Referentie : Brussel 12 september 2017, AR 2015/478, ng. (ADM999205)

PS. Zie evenwel dit blogbericht

05/06/2017

Platform e-Procurement tijdelijk offline (tussen 28/6 en 4/7/2017)

Het Team e-Procurement heeft volgend rondschrijven uitgestuurd:

'Op 30 juni 2017 treedt de nieuwe wetgeving overheidsopdrachten in werking (zie o.a. KB plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren, BS 09/05/2017).

Om de e-Procurement applicaties te kunnen aanpassen aan deze nieuwe regelgeving, zal het volledige e-Procurement platform offline zijn van woensdagavond 28 juni 2017 (18u) tot dinsdagochtend 4 juli 2017 (6u).

Gedurende deze periode zullen alle applicaties onbereikbaar zijn, zowel voor ondernemingen als voor aanbestedende overheden.


 Afhankelijk van de instellingen in je zoekprofiel(en) ontvang je op 29/06 nog de messaging met gepubliceerde aankondigingen. De aankondigingen zelf zal je evenwel pas kunnen raadplegen zodra het e-Procurement platform terug online is.

Vanaf dinsdag 4 juli 2017 om 6u zal het volledige platform terug beschikbaar zijn. Om ondernemers voldoende tijd te bieden om aanvragen tot deelneming of offertes in te dienen via e-Tendering, zullen aanbestedende overheden hun dossiers daar pas ten vroegste vanaf donderdag 6 juli 2017 kunnen openen.

Voor ondernemers heeft de nieuwe wetgeving geen zichtbare impact op de werking van het e Procurement platform. Wel dien je rekening te houden met de wettelijke bepaling dat elektronische handtekeningen voortaan enkel nog aanvaard kunnen worden voor zover zij geplaatst werden op het indieningsrapport. Het digitaal ondertekenen van individuele documenten volstaat m.a.w. niet langer om rechtsgeldig een aanvraag tot deelneming of offerte in te dienen. Meer informatie over dit onderwerp vind je in onz handleiding e-Tendering voor ondernemers.

Bij verdere vragen kan je ook steeds contact opnemen met onze helpdesk'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
28/10/2016

Een materiële vergissing in het Belgisch Staatsblad aangaande de volmacht om een overheidsopdracht te ondertekenen is niet dodelijk

Zo besliste de Raad van State in het arrest nr. 236.291 van 27 oktober 2016 dat bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd uitgesproken.

Verzoekende partij, die de gunning van de overheidsopdracht had misgelopen, wierp op dat de benoeming van de volmachthouder was gebeurd door de algemene vergadering en niet door de raad van bestuur van de gekozen inschrijver.  Dit omdat de bij de offerte gevoegde publicatie in het Belgisch Staatsblad zulks stelde.  Er zou sprake zijn van een bevoegdheidsoverschrijding en dus van een onwettige volmacht.

De Raad bevestigt het strenge principe:

'Uit wat voorafgaat volgt dat de ondertekening van een offerte een substantiële formaliteit is, waarvan de niet-naleving de nietigheid van de offerte wegens substantiële onregelmatigheid tot gevolg heeft. Met het gebrek aan ondertekening moet de situatie worden gelijkgesteld waarbij zij die ondertekenen niet degenen zijn die daartoe bevoegdheid hebben krachtens dwingende regelgeving of eigen statutaire bepalingen van de inschrijver. Een offerte ingediend door een tijdelijke handelsvennootschap, zoals te dezen de offerte van de gekozen inschrijver, dient aldus te worden ondertekend door al de leden van die vennootschap behoudens volmacht en is anders nietig wegens substantiële onregelmatigheid'.

Vervolgens wordt de schorsingsvordering verworpen. De correcte beslissing van de raad van bestuur, niet de omstandigheid dat de publicatie in het Belgisch Staatsblad een vergissing bevatte, gaf voor de Raad van State de doorslag:

'Wel wekt het bij de offerte gevoegde voormelde "uittreksel uit de notulen van de Jaarvergadering van 4 maart 2011", dat duidelijk bedoeld is als bewijs van de bevoegdheid van Samuel Auquier om de offerte namens de nv Audebo te ondertekenen, de indruk dat die volmacht werd verleend door de algemene vergadering, en niet door de raad van bestuur. De door de tussenkomende partijen voorgelegde notulen van die algemene vergadering van 4 maart 2011, die begon om 19 uur, bevatten geen beslissing tot aanwijzing van bijzonder gevolmachtigden maar wel tot herbenoeming van de commissaris, eerste punt in die bekendmaking. Wel is de beslissing tot aanwijzing van bijzondere mandatarissen, tweede punt in die bekendmaking, opgenomen in de notulen van de raad van bestuur van 4 maart 2011, die begon om 19u30. Bijgevolg moet worden aangenomen dat het betrokken uittreksel, zoals bij de offerte gevoegd, per vergissing geen onderscheid maakt tussen de organen die deze beslissingen namen.

(...)

Reeds in het inleidend verzoekschrift in de toelichting bij het middel benadrukte de verzoekende partij dat een onregelmatige ondertekening van de offerte van THV ...niet kan worden rechtgezet door bijvoorbeeld post factum en buiten de indieningstermijn van de offertes alsnog een volmacht door de raad van bestuur van de nv A. toe te kennen aan S., ongeacht of dit een bekrachtiging inhoudt van eerder gestelde handelingen.

Overeenkomstig haar pleitnota betoogt zij ter terechtzitting dat met een document dat louter post factum wordt bijgebracht in de procedure voor de Raad van State, zoals stuk 4 van de stukkenbundel van de THV ..., dat een bewijs van machtiging van het bevoegde orgaan zou moeten inhouden, evenmin rekening mag worden gehouden. Zelfs indien stuk 4 was bijgebracht tijdens de gunningsprocedure, doch ná indiening van de offertes, is dit volgens de verzoekende partij manifest laattijdig en mag er geen rekening mee worden gehouden gezien geenszins met voldoende zekerheid aangetoond kan worden dat stuk 4 vaste datum heeft of authentiek is. Een bestuur mag er bijgevolg niet van uitgaan dat er een geldige volmacht van het bevoegde orgaan bestond vóór de indiening van de offerte. De Raad van State oordeelde in het arrest nv Tractebel Engineering, nr. 223.253 van 23 april 2013 dat "[s]pecifiek wat het bewijs van de volmacht betreft, [het] lijkt […] dat uit de artikelen 94 en 110, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari 1996, samen genomen, volgt dat het bestuur het recht heeft, zonder daartoe evenwel verplicht te zijn, een inschrijving als onregelmatig te weren, wanneer deze niet de stukken of inlichtingen bevat die moeten toelaten vast te stellen dat de ondertekenaar van de inschrijver de bevoegdheid heeft om de natuurlijke persoon of rechtspersoon namens welke hij optreedt, te verbinden". Hieruit volgt, volgens het arrest cvba Vooruit nr. 1, nr. 226.982 van 31 maart 2014, "dat het niet bij de offerte voegen van de reeds gegeven volmacht geen absolute nietigheid van de offerte meebrengt". Er blijkt niet prima facie waarom te dezen anders geoordeeld moet worden, in het kader van de hiervoor aangehaalde artikelen 82, § 3, en 95 van het koninklijk besluit Plaatsing. De voorliggende zaak lijkt eveneens te moeten worden onderscheiden van de zaak beslecht door het arrest bvba Office Depot International, nr. 229.829 van 16 januari 2015, en waarnaar de verzoekende partij in het verzoekschrift verwijst. In die zaak werd immers, in tegenstelling tot hetgeen in de voorliggende zaak gebeurde, blijkbaar pas na de opening van de offertes een bijzondere volmacht verstrekt aan de persoon die de offerte had ondertekend.

Te dezen blijkt niet dat pas na de opening van de offertes een bijzondere volmacht werd verleend aan S. om de offerte namens de nv A. te ondertekenen, maar is deze reeds op 4 maart 2011 verleend door de raad van bestuur. Het bestaan van deze beslissing van de raad van bestuur als collegiaal orgaan wordt te dezen bewezen door de aan de Raad van State door de tussenkomende partijen als stuk 4 voorgelegde notulen van de vergadering. De voormelde chronologie tussen de jaarvergadering van 4 maart 2011 om 19 u en de vergadering van de raad van bestuur van 4 maart 2011 om 19u30, waarop grotendeels dezelfde personen aanwezig waren, bevestigt ook de datum van dit stuk 4. Daarnaast werd een uittreksel uit de beslissing van de jaarvergadering van 4 maart 2011 met de volmacht, waarbij het uittreksel per vergissing stelt dat dit werd verleend door die vergadering, op 30 juni 2006 neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel te Gent en werd dit uittreksel bekendgemaakt in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 12 juli 2011.

De verzoekende partij betwist te dezen dit stuk niet van valsheid'.

Referentie: PUB506177

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags