17/03/2017

Binnenkort geen beroepsmogelijkheden meer tegen omgevingsvergunning indien geen bezwaar werd ingediend lopende het openbaar onderzoek?

Als het van de Vlaamse Regering afhangt wel. Zo luidt het alvast in het verslag van de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement van 15 maart 2017:

De voorzitter

De heer Doomst heeft het woord.

Michel Doomst (CD&V)

Voorzitter, minister, collega's, op lokaal niveau is het een beetje zoals in ‘Het leven zoals het is’: men kan geen weg, woningcomplex of school meer bouwen of men krijgt er het actiecomité gratis bij. Dat is ten dele normaal, want men moet zijn rechten kunnen verdedigen. Maar uw aankondiging om onnodige klachtenfases in te dijken, is toch goed.

Het is goed om de ‘niet bij mij’-reflex bij de mensen weg te nemen en om de enorme ‘advocatisering’ van al die dossiers tegen te gaan.

Welke verbeterpunten hebt u daar in de mouw? Wat is uw timing? In hoeverre matcht het met het pionierswerk van de collega’s Ceyssens, Ronse en Peeters dat hier al is gebeurd?

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Minister Joke Schauvliege

Mijnheer Doomst, ik denk dat we allebei vinden dat inspraak van de burger belangrijk is. We gaan dat niet echt beknotten. Het is belangrijk dat in de toekomst de burger inspraak blijft hebben.

De voorbije jaren werd er echter vaak misbruik gemaakt van dat recht. Daar wil de Vlaamse Regering toch wel iets aan doen. We willen dat misbruik aan banden leggen. Er is inderdaad een goed voorstel van decreet van dit parlement met betrekking tot het bestuursrechtscollege waar men een rechtsplegingsvergoeding moet betalen. Dat is ondertussen, denk ik, goedgekeurd door het parlement.

Er is nog een initiatief, en dat zal heel snel richting dit parlement komen. In de herziening van de Codex Ruimtelijke Ordening heb ik voorgesteld – en dat staat daar dus in, dat is al twee keer goedgekeurd door de Vlaamse Regering, hopelijk binnenkort ook definitief, zodat het naar het parlement kan – dat wanneer een burger de mogelijkheid heeft in een openbaar onderzoek om een bezwaar in te dienen en hij maakt geen gebruik van dat recht, hij nadien, als de beslissing er is, geen recht meer heeft om in beroep te gaan. De burger moet de mogelijkheden in het openbaar onderzoek benutten en kan alleen op die manier een beroepsprocedure opstarten.

Dat bestaat al in Nederland. Dat werkt daar erg goed. We hebben dat nu opgenomen in die codex. Als het parlement mijn voorstel goedkeurt, zal dat vrij snel, dit jaar nog, realiteit worden.

Het is inderdaad de bedoeling om te zorgen dat er geen misbruik meer wordt gemaakt van een beroepsmogelijkheid, waarna men oeverloos blijft procederen. Dat kost geld aan de overheid en aan de mensen zelf, en alles staat stil. Dat kan niet de bedoeling zijn, daarom doe ik het voorstel dat in Nederland goed werkt.

Michel Doomst (CD&V)

Het is belangrijk dat we de reikwijdte tussen het eigenbelang en het algemeen belang duidelijk definiëren. Ik hoop dat dat eruit komt. Ik hoorde dat het de bedoeling was dat het al volgende maand, na 1 april, naar het parlement komt. Klopt die timing? Want 1 april is altijd gevaarlijk.

De voorzitter

Mevrouw Pira heeft het woord.

Ingrid Pira (Groen)

Minister, we hebben begrip voor een aantal van uw bezorgdheden rond het aanvechten van vergunningen, maar we maken ons ook zorgen over een aantal gevolgen ervan. De rechtsplegingsvergoeding moet al betaald worden, dat is al goedgekeurd, als men in beroep zijn zaak verliest. Maar nu komt er nog een maatregel bij: als men tijdens het openbaar onderzoek niet heeft gereageerd, kan men niet in beroep gaan.

Talloos zijn de gevallen waarbij mensen het gewoon niet gezien hebben dat er iets aangeplakt werd. Onze bezorgdheid gaat dan vooral naar de straten en de pleinen waar eerder sociaal zwakkere mensen wonen, die veel minder nog aandacht hebben daarvoor. Als de cultuur rond aanplakken en verwittigen niet verandert, denken wij dat er meer en meer, samen met de rechtsplegingsvergoeding, een drempel ontstaat. Wij vrezen dat er een sociaal zwakkere groep uit de boot valt. Wat is uw mening daarover?

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Axel Ronse (N-VA)

Minister, ik wil u feliciteren met het nieuwe element in de Codex Ruimtelijke Ordening. Het is bijzonder belangrijk om mensen de mogelijkheid te geven om beroep aan te tekenen. Ze moeten daarvoor transparantie krijgen voor het hele dossier. Men moet consequent zijn en beroepsprocedures mogelijk maken tijdens het openbaar onderzoek. Wanneer men geen bezwaar indient tijdens het openbaar onderzoek, moeten we de mogelijkheid daartoe niet meer bieden.

De Raad van State heeft daar advies over gegeven en heeft er een aantal opmerkingen op geformuleerd. U hebt er een repliek op gegeven. Gaat u ervan uit dat het dat zal overleven? Kan het dan eind april in werking treden? Het is zeer complementair op het parlementaire werk dat ik samen met collega’s Ceyssens en Peeters heb kunnen doen, en dat hier kamerbreed is goedgekeurd.

De voorzitter

Mevrouw Peeters heeft het woord.

Lydia Peeters (Open Vld)

Mijnheer Doomst, ik dank u om het parlementair initiatief dat we hebben genomen, nog eens in the picture te zetten. Iedereen die wil bouwen, heeft er alle baat bij zo snel mogelijk rechtszekerheid te hebben. Daarom zijn alle initiatieven die worden genomen om al die juridische carrousels te vermijden, alleen maar nobel en dragen ze bij aan meer rechtszekerheid voor iemand die wil bouwen.

Minister, onze fractie zal uw initiatief inzake geen bezwaar in het kader van het openbaar onderzoek en dan ook geen beroepsprocedure, zeker mee ondersteunen.

De voorzitter

De heer Tobback heeft het woord.

Bruno Tobback (sp·a)

Mevrouw Peeters, het recht en onze wetten bestaan niet alleen ter bescherming van wie wil bouwen, maar ook van degenen die erdoor zouden kunnen worden gehinderd en legitiem een beroep willen doen op hun rechten. Het recht werkt voor allebei. Dat is evenwicht.

Ik deel de bezorgdheid van heel wat collega's dat nodeloze procedures voor niets nodig zijn en frustratie kunnen opleveren voor een bouwheer, en vaak zelfs ook voor een lokaal bestuur. Anderzijds wil ik toch even herinneren aan waar we deze zitting vandaag mee begonnen zijn: een lofzang op mensen die we jarenlang, vaak vanuit verschillende posities, hebben vervloekt omdat we vonden dat ze maar bleven zeuren met procedures en steeds maar nieuwe procedures. Achteraf moeten we vaststellen dat al die wirwar aan nodeloze procedures – volgens sommigen – uiteindelijk hebben geleid tot een betere beslissing.

Minister en collega's van de meerderheid en van de regering, ik wil u oproepen om het evenwicht in het oog te houden. Het kan niet dat je alleen maar in beroep kunt gaan als je daarvoor de financiële middelen hebt. Het kan ook niet dat je een openbaar onderzoek organiseert dat niet zichtbaar is en waarvan de mensen achteraf zeggen dat de deur tegen hun gezicht is geslagen. Dat is ook geen rechtszekerheid, collega's. (Applaus bij sp.a)

Minister Joke Schauvliege

Mijnheer Tobback en mevrouw Pira, jullie maken een denkfout. Als je zoveel mogelijk wilt procederen om je gelijk te halen, dan kan ik meegaan in die redenering, maar dat is niet wat deze meerderheid wil. Deze meerderheid wil dat de burger die misschien opmerkingen of suggesties of bepaalde bezorgdheden heeft, zo vroeg mogelijk in de procedure de mogelijkheid heeft om die opmerkingen te formuleren, waarna de initiatiefnemer weet dat het gevoelig ligt en daar misschien aan kan tegemoetkomen. De overheid kan de beslissingen of bezwaren in dat openbaar onderzoek zo vroeg mogelijk meenemen en proberen eraan tegemoet te komen.

Als je natuurlijk niet aan het openbaar onderzoek meedoet en nadien een procedureslag begint, dan kom je inderdaad tot situaties zoals we die in het Antwerpse hebben gekend. Het is met dit initiatief dus niet de bedoeling om te zeggen dat er geen inspraak meer is. Het komt zowel wie bezwaren heeft als de initiatiefnemer ten goede dat zo vroeg mogelijk in de procedure de opmerkingen kunnen worden gemaakt, en dat wie de vergunningen verleent, er rekening mee kan houden om op die manier die evenwichten te bewaren. Dat beogen wij met dit voorstel. Het zal er ook voor zorgen dat we heel snel weten wat de gevoeligheden zijn en hoe we daar samen mee aan de slag kunnen om dat op te lossen in plaats van hele procedureslagen voor de rechtbank te voeren. Dat ligt op de tafel.

We zijn niet over één nacht ijs gegaan. Nederland past dat al langer toe en met succes. Waarom zouden wij dat in Vlaanderen niet kunnen doen? Je kunt Nederland er niet van verdenken dat het de inspraak van de burger onmogelijk maakt. Ik denk dus dat het een goed initiatief is om ervoor te zorgen dat er nog inspraak mogelijk is. Maar we willen vermijden dat er oeverloos wordt geprocedeerd zonder dat daar ook maar iets concreets uitkomt, want dat is niet goed voor de initiatiefnemer en het is ook niet goed voor de burger die bedenkingen heeft bij bepaalde initiatieven.

In de Vlaamse Codex formuleren wij een voorstel. Normaal gezien zal dat vrij snel, wellicht volgende week, naar de Vlaamse Regering kunnen gaan, die de codex dan definitief zal goedkeuren, waarna dit parlement er nog heel lang over zal kunnen debatteren. Hopelijk keurt het parlement dit dan ook goed. Dank u wel.

Michel Doomst (CD&V)

Minister, bedankt voor de concrete plannen en timing. Het is nodig. Voor het evenwicht tussen aanval en verdediging inzake vergunningen hoop ik vooral dat bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen de berg werk naar beneden gaat. Daar stropt van alles en het mag geen ‘raad voor vergunningsverkwistingen’ worden.

De voorzitter

De actuele vraag is afgehandeld.’

Deze regeling zal wellicht geïntegreerd worden in de nakende codextrein. 

10/11/2014

Bezwaarindienende derden hebben het recht om gehoord worden bij een stedenbouwkundig administratief beroep

De Raad van State heeft zich in zijn hoedanigheid als cassatierechter uitgesproken over de draagwijdte van het horen in de administratieve beroepsprocedure uit de VCRO bij de deputatie.

In een procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) was de vraag gerezen of een derde-belanghebbende die een bezwaar met betrekking tot het nationale milieurecht strijdig geacht handelen en nalaten had ingediend in het kader van het openbaar onderzoek, maar geen administratief beroep tegen de uiteindelijke vergunningsbeslissing, en alsnog vroeg om gehoord te worden tijdens de hoorzitting betreffende het administratief beroep, daadwerkelijk diende uitgenodigd te worden voor de hoorzitting.

De deputatie van de provincieraad van Limburg vond alvast van niet. Deze derde-belanghebbenden trokken hierop naar de Raad voor Vergunningsbetwistingen en vingen ook daar bot.

De RvVb oordeelde dat:

‘[…] de verwerende partij […] krachtens artikel 4.7.23, §1, eerste lid VCRO, waarvan de tekst voldoende duidelijk is, alleen verplicht [is] (passend) gevolg te geven aan een verzoek om te worden gehoord van de “betrokken partijen” en dat zijn (eerst en vooral) de indiener(s) van het administratief beroep, zoals bepaald in artikel 4.7.21, §2 VCRO, evenals de aanvrager(s) van de vergunning en het college van burgemeester en schepenen, aan wie de indiener van het administratief beroep, krachtens artikel 4.7.21, §4 VCRO, een afschrift van het administratief beroepschrift bezorgt.

De indiener(s) van het administratief beroep, het college van burgemeester en schepenen en/of de aanvrager(s) van de vergunning zijn dan ook, alhoewel de Vlaamse regering, ter uitvoering van artikel 4.7.23, §1, tweede lid VCRO, nog geen “nadere regelen met betrekking tot de hoorprocedure” bepaald heeft, en artikel 4.7.23, §1 VCRO niet belet dat de verwerende partij ook andere dan de bij de administratieve beroepsprocedure betrokken partijen zou kunnen horen, de enige verplicht te horen ‘betrokken partijen‘ in de administratieve beroepsprocedure.

De verzoekende partijen zijn noch de indieners van het administratief beroep, noch de aanvragers van de vergunning, noch het college van burgemeester en schepenen.

De verwerende partij schendt dan ook, door niet in te gaan op de vraag van de verzoekende partijen om te worden gehoord, artikel 4.7.23, § 1, eerste lid VCRO niet.

Dat de derde en de vierde verzoekende partij procespartijen waren in een eerdere procedure bij de Raad tegen een eerdere, na administratief beroep, door de verwerende partij genomen beslissing over de eerdere aanvraag van de tussenkomende partij, en dat de verzoekende partijen een bezwaar hebben ingediend tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag, die tot de bestreden beslissing geleid heeft, maakt van hen nog geen bij de administratieve beroepsprocedure „betrokken partij‟, zoals bepaald in artikel 4.7.23, §1, eerste lid VCRO.

De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing overigens, zoals hierna blijkt uit de beoordeling van de andere middelen van de verzoekende partijen, de bezwaren van de verzoekende partijen afdoende weerlegd.’

De Raad van State oordeelt hier door de verzoekende partijen bij de RvVb ingeleide cassatievoorziening tegen het bovenvermelde standpunt evenwel anders over:

''Artikel 4.7.21, § 2, VCRO bepaalt dat een georganiseerd administratief beroep tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing van het college van burgemeester en schepenen omtrent de vergunningsaanvraag kan worden ingesteld bij de deputatie van de provincie waarin de gemeente is gelegen, door onder meer volgende belanghebbenden:
“1° de aanvrager van de vergunning;
2° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de bestreden beslissing;
3° procesbekwame verenigingen die optreden namens een groep wiens
collectieve belangen door de bestreden beslissing zijn bedreigd of geschaad, voor zover zij beschikken over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig de statuten.”

“Een belangrijk principieel uitgangspunt” van deze regeling van de decreetgever “is dat het administratief beroep (ook) open staat voor derdenbelanghebbenden” hetgeen volgens de decreetgever “moet worden gekaderd in artikel 9, derde lid, van het Verdrag van Aarhus, volgens hetwelk de overheid dient te waarborgen dat burgers ‘wanneer zij voldoen aan de eventuele in het nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechterlijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu’” (Memorie van toelichting, Vl. Parl., 2008-2009, stuk nr. 2011/1, 184; zie ook verslag, Vl. Parl., 2008-2009, stuk nr. 2011/6, 57).

De decreetgever heeft aldus op zich de verplichting genomen om voor de burgers de toegang tot bestuursrechtelijke procedures te verzekeren ingeval zij met de bepalingen van het nationale milieurecht strijdig geacht handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties willen betwisten, voor zover zij daartoe voldoen aan de in het nationale recht neergelegde criteria.
Die criteria mogen niet zodanig worden omschreven of uitgelegd dat zij de toegang van deze burgers in dergelijk geval onmogelijk maken. De Raad van State als cassatierechter vermag de in het nationale recht vastgelegde criteria uit te leggen in overeenstemming met de doelstellingen van artikel 9.3 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.

Artikel 4.7.24 VCRO bepaalt dat “[d]e deputatie […] beroepen tegen dezelfde beslissing verplicht samen[voegt]” en dat “[a]lle betrokken partijen […] onverwijld in kennis [worden] gesteld van de samenvoeging”.

Artikel 4.7.21, § 1, VCRO bepaalt dat de deputatie, bij het behandelen van het beroep, de aanvraag in haar volledigheid onderzoekt.

Artikel 4.7.23, § 2, eerste lid, VCRO bepaalt dat de vervaltermijn van vijfenzeventig dagen om een beslissing te nemen tot honderdvijftig dagen wordt verlengd als over de aanvraag in graad van beroep nog een openbaar onderzoek moet worden gevoerd of indien toepassing wordt gemaakt van het mondelinge of schriftelijke hoorrecht.

Artikel 4.7.23, § 1, VCRO bepaalt dat “[d]e deputatie […] haar beslissing omtrent het ingestelde beroep […] [neemt] nadat zij of haar gemachtigde de betrokken partijen op hun verzoek schriftelijk of mondeling heeft gehoord” en dat “[d]e Vlaamse Regering […] nadere regelen met betrekking tot de hoorprocedure [kan] bepalen”.

De Vlaamse regering heeft geen nadere regelen met betrekking tot de hoorprocedure bepaald.

Indien een natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge het inwilligen van de vergunningsaanvraag en die in de reguliere administratieve procedure in eerste aanleg (artt. 4.7.12 – 4.7.20 VCRO) een bezwaarschrift indient in de loop van het openbaar onderzoek en in de administratieve beroepsprocedure (artt. 4.7.21 – 4.7.25 VCRO) de deputatie verzoekt om schriftelijk of mondeling te worden gehoord, en indien zulks ertoe strekt het met de bepalingen van het nationale milieurecht strijdig geacht handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties te betwisten, is die persoon een in artikel 4.7.23, § 1, VCRO bedoelde “betrokken [partij]”.

Het bestreden arrest verklaart het eerste onderdeel van het eerste middel van verzoekster ongegrond op de volgende gronden:
- “de indiener(s) van het administratief beroep, het college van burgemeester en schepenen en/of de aanvrager(s) van de vergunning” zijn “de enige verplicht te horen ‘betrokken partijen’ in de administratieve beroepsprocedure”;
- verzoekster is “noch de indiener[…] van het administratief beroep, noch de aanvrager[…] van de vergunning, noch het college van burgemeester en schepenen”;
- verwerende partij “schendt dan ook, door niet in te gaan op de vraag van de verzoekende partij[…] om te worden gehoord, artikel 4.7.23, § 1, eerste lid VCRO niet”;
- “dat de verzoekende partij[…] een bezwaar” heeft “ingediend tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag, die tot de bestreden beslissing geleid heeft, maakt van” haar “nog geen bij de administratieve beroepsprocedure ‘betrokken partij’, zoals bepaald in artikel 4.7.23, § 1, eerste lid VCRO”;
- “de verwerende partij heeft in de bestreden beslissing overigens, […], de bezwaren van de verzoekende partij[…] afdoende weerlegd”.

Door aldus te beslissen schendt de RvVb het artikel 4.7.23, § 1, eerste lid, VCRO.

[...]’
12/09/2014

Is advies van lokaal bestuur mogelijk in eigen stedenbouwkundige aanvraag?

De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (hierna: GSA) op de vingers getikt in een recent arrest van 5 augustus 2014.

Het college van burgemeester en schepenen van een gemeente had een stedenbouwkundige aanvraag ingediend bij de GSA. Deze laatste had de gemeente gevraagd om het openbaar onderzoek te organiseren, de bezwaren te bundelen én tevens ook advies te verlenen met betrekking tot de uitgebrachte bezwaren. Nog had de GSA bij vergunningsbeslissing de bezwaren beantwoord door te verwijzen naar en het bijtreden van de uitgebreide weerlegging van deze bezwaren door het college van burgemeester en schepenen.

De Raad stelt dat een en ander niet zonder meer kan:

‘[…]

De vergunningverlenende overheid is in principe niet verplicht elk bezwaar of elk onderdeel van een bezwaar uitdrukkelijk en/of afzonderlijk te beantwoorden. Het is voldoende dat in de bestreden beslissing duidelijk wordt aangegeven op grond van welke elementen en argumenten de bezwaren al dan niet kunnen worden bijgetreden.

Een bijzonderheid is de situatie waar de bouwheer het college van burgemeester en schepenen is of als het college optreedt als orgaan dat in rechte de gemeente als bouwheer vertegenwoordigt in de bijzondere procedure.

In het geval een openbaar onderzoek vereist is, voorziet artikel 4.7.26, §4 VCRO het volgende:
“…
§4 Ten aanzien van ontvankelijke vergunningsaanvragen wordt verder gehandeld overeenkomstig de hiernavolgende regelen:
1° …
2° het vergunningverlenende bestuursorgaan of zijn gemachtigde wint het voorafgaand advies in van de door de Vlaamse Regering aangewezen instanties en van het college van burgemeester en schepenen, rekening houdend met volgende regelingen:
a)
b) indien de vergunningsaanvraag onderworpen is aan een openbaar onderzoek:
1) valt de adviseringstermijn in hoofde van de door de Vlaamse Regering aangewezen instanties samen met de duur van het openbaar onderzoek, met dien verstande dat aan de adviesvereiste voor bij kan worden gegaan indien de adviezen niet tijdig worden uitgebracht,
2) bezorgt het college van burgemeester en schepenen het proces-verbaal van het openbaar onderzoek, de gebundelde bezwaren en opmerkingen en zijn eigen advies aan het vergunningverlenend bestuursorgaan binnen een ordetermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na deze waarop het openbaar onderzoek werd afgesloten;
c) zo de vergunningsaanvraag van het college van burgemeester en schepenen uitgaat, brengt het college geen advies uit.
….”

Uit deze bepaling, waarvan punt 2° c werd toegevoegd bij artikel 25, 2° van de decreetswijziging van 16 juli 2010, mag het college van burgemeester en schepenen in beginsel dus geen advies uitbrengen in de bijzondere procedure wanneer de vergunningsaanvraag uitgaat van dit college/gemeentebestuur.

Deze toevoeging wordt als volgt toegelicht in de parlementaire voorbereiding:
“…
Artikel 4.7.26 §4, VCRO, stelt momenteel dat bij het indienen van aanvragen door het college van burgemeester en schepenen, het advies van datzelfde college ingewonnen wordt. Dat is uiteraard niet wenselijk en zelfs juridisch problematisch.
Vandaar dat het noodzakelijk is om (net als in het vroegere artikel 127, DRO 1999) te bepalen dat het college geen advies uitbrengt. Het bezorgt uiteraard wel de stukken van het openbaar onderzoek, met inbegrip van het proces-verbaal van het openbaar onderzoek aan de vergunning verlenende overheid.
...”
(Parl. St., Vl. Parl., 2009-2010, stuk 349/1, 10)

Deze toegevoegde bepaling houdt dan ook in dat het college van burgemeester en schepenen in de bijzondere procedure wel het openbaar onderzoek organiseert en de bezwaren bundelt, maar deze niet beantwoordt, dit om elke schijn van partijdigheid en subjectiviteit te vermijden.

3.
Uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij met een brief van 24 september 2010 aan het college van burgemeester en schepenen, zijnde het orgaan dat in rechte ook de  gemeente vertegenwoordigt, naast de vraag het openbaar onderzoek te organiseren tevens heeft verzocht om een advies.

Na de vaststelling dat de plannen werden gewijzigd (na het eerste openbaar onderzoek) heeft de verwerende partij met een brief van 5 april 2011 aan het college van burgemeester en schepenen gevraagd een nieuw openbaar onderzoek te organiseren en de resultaten daarvan, samen met het advies van het college aan de verwerende partij te bezorgen.

In de bestreden beslissing wordt bij de bespreking van het openbaar onderzoek en na samengevatte weergave van de ingediende bezwaren het volgende gesteld:
“…
Na onderzoek van het bezwaar worden volgende standpunten hieromtrent ingenomen:
het standpunt van het college van burgemeester en schepenen wordt bijgetreden. De weerlegging is uitgebreid en het bezwaar is op voldoende wijze weerlegd zodat het standpunt kan worden bijgetreden. De weerlegging luidt als volgt:
…” (eigen onderlijning)

Hieruit blijkt dat de verwerende partij zich heeft aangesloten bij het standpunt van het college omtrent de bezwaren van de verzoekende partij, zonder zelf over te gaan tot een eigen beoordeling ervan.

4. 
Een eigen onderzoek van de ingediende bezwaren door de verwerende partij was, in het licht van artikel 4.7.26, §4, 2°c VCRO nochtans noodzakelijk en meer in het bijzonder nu uit de ingediende bezwaren blijkt dat hier ook een aantal hinderaspecten aan bod komen die door de verwerende partij evenmin besproken worden onder de hoofding „goede ruimtelijke ordening‟. De hinderaspecten zijn, sinds de inwerkingtreding van de VCRO, ook een relevant te beoordelen element van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening.

[…]

5.
De wijze van redactie van de bestreden beslissing toont duidelijk aan dat het advies van het college van burgemeester en schepenen, en meer in het bijzonder de weerlegging van de ingediende bezwaren, bepalend is geweest bij het nemen van de bestreden beslissing.
De verwijzing door de verwerende partij naar het standpunt van het college van burgemeester en schepenen van de stad […], in onvoldoende als motivering. Gelet op het onpartijdigheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel kan een loutere verwijzing en aansluiting bij het advies/weerlegging van de bezwaren door het college van burgemeester en schepenen niet volstaan nu het college zelf de aanvrager vertegenwoordigt.

De verwerende partij had op een eigen zorgvuldige en afdoende wijze zelf de bezwaren moeten beoordelen en alle aandachtspunten inzake de verenigbaarheid van de goede ruimtelijke ordening daarbij betrekken.

Terecht kon de verzoekende partij naast een onzorgvuldige beoordeling van de goede ruimtelijke ordening ook de kennelijke onredelijkheid van de beoordeling van haar bezwaren inroepen nu haar bezwaren louter werden beoordeeld door het college van burgemeester en schepenen van de aanvrager zelf en niet werden onderworpen aan een eigen beoordeling van de verwerende partij.

Het tweede en vierde middel zijn in de aangegeven mate gegrond.’
[eigen aanduiding]

Hoewel de Raad overweegt dat het college van burgemeester en schepenen in deze geen advies mocht geven naar aanleiding van de stedenbouwkundige aanvraag, wordt de vernietiging gekoppeld aan het feit dat de GSA de bezwaren niet zelf heeft onderzocht in zijn hoedanigheid als vergunningverlenend overheid.
02/07/2013

Gemeente mag onwetendheid adreswijziging bij openbaar onderzoek niet veinzen

Overeenkomstig artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen moeten de eigenaars van alle aanpalende percelen voor de aanvang van het openbaar onderzoek bij een ter post aangetekende brief of bij een individueel bericht tegen ontvangstbewijs in kennis worden gesteld van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning.
 
Hierbij mag de gemeente zich baseren op de meest recente kadastrale legger. Indien zijzelf evenwel over nog recentere informatie beschikt, dient zij deze te gebruiken. Meer specifiek luidt het in bovenvermelde bepaling als volgt:
 
'De gemeente zoekt de namen en adressen van de eigenaars op. Onder het begrip eigenaar mag worden begrepen de eigenaar volgens de meest recente door de diensten van het kadaster aan de gemeente verstrekte informatie, tenzij de gemeente beschikt over recentere informatie.'

Dit laatste werd onlangs in een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 30 april 2013 op scherp gesteld.
 
De feiten zijn als volgt. Een naamloze vennootschap is eigenaar van een aantal percelen.  De maatschappelijke zetel van deze vennootschap is evenwel sinds 1999 gevestigd op een ander adres. Bij een eerste gevoerd openbaar onderzoek werd deze naamloze vennootschap niet aangeschreven. Uit het administratief dossier bleek dat de gemeente zich op de kadastrale gegevens had gebaseerd die nog geen melding maakten van een adreswijziging. De naamloze vennootschap heeft evenwel alsnog een bezwaar ingediend en maakte hierbij melding van haar adreswijziging. Omwille van planaanpassingen werd er  nadien een nieuw openbaar onderzoek gehouden. Opnieuw werd de naamloze vennootschap aangeschreven op haar oud adres.

De Raad stelt in bovenvermeld arrest dienaangaande het volgende:
 
'De Raad stelt echter uit stuk 7 van de verzoekende partijen vast dat de eerste verzoekende partij [de naamloze vennootschap] het bezwaarschrift van 26 maart 2009 uitdrukkelijk haar maatschappelijke zetel te Diepenbeek heeft vermeld. De gemeente beschikte bij de organisatie van het tweede openbaar onderzoek dus over recentere informatie en had de eerste verzoekende partij dan ook, gelet op artikel 7, eerste en zesde lid van het voormelde besluit, moeten aanschrijven op het adres van haar maatschappelijk zetel.

Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de eerste verzoekende partij wel reageerde en een bezwaar indiende op de eerste kennisgeving op het adres ‘......., 3620 Lanaken’. Aangezien de eerste verzoekende partij uitdrukkelijk haar maatschappelijke zetel vermelde in haar eerdere bezwaarschrift, kon de gemeente er niet rechtmatig op vertrouwen dat zij de eerste verzoekende partij nog op het adres ‘......., 3620 Lanaken’ mocht aanschrijven.
 
De eerste verzoekende partij werd bij het openbaar onderzoek naar aanleiding van de gewijzigde aanvraag niet correct aangeschreven, zoals voorzien in het voormelde besluit van 5 mei 2000, zodat zij geen bezwaar heeft kunnen indienen met betrekking tot de gewijzigde aanvraag. Hierdoor werd de substantiële vormvereiste van het openbaar onderzoek geschonden.

Nu de eerste verzoekende partij haar bezwaren ten aanzien van de gewijzigde aanvraag niet kenbaar heeft kunnen maken, heeft de verwerende partij de aanvraag ook niet kunnen beoordelen op basis van alle ter zake dienende gegevens en heeft zij dus niet met kennis van zaken over de aanvraag beslist.

Het feit dat de eerste verzoekende partij op een feitelijke wijze kennis kreeg van het eerste openbaar onderzoek, doet aan bovenstaande geen afbreuk.
 
Het middel is in de aangegeven mate gegrond'.
Tags