30/01/2013

Onoverkomelijke rechtsdwaling bij bouwwerken met vernietigde/onwettig verklaarde vergunning?

Elke rechter, ook de strafrechter en de herstelrechter, is verplicht bij toepassing van artikel 159 Gw. onwettige stedenbouwkundige vergunningen buiten toepassing te verklaren.  Impliceert dit dan automatisch een strafrechtelijke veroordeling en /of een veroordeling tot herstel in de vorige staat?  Hiernavolgend arrest van het Hof van Cassatie kan misschien soelaas bieden voor de betrokkenen:

 'Het arrest wordt verweten dat het de eiser het misdrijf ten laste legt ondanks de dwaling die het opzettelijk karakter eraan ontnomen heeft.

Dwaling is een rechtvaardigingsgrond als ieder redelijk en voorzichtig persoon die dwaling had kunnen begaan indien hij in dezelfde situatie zou hebben verkeerd als die waarin de beklaagde zich bevond.
Onoverkomelijke dwaling komt de pleger van het misdrijf ten goede op voorwaarde dat zij betrekking heeft op één van de bestanddelen van het misdrijf.
Een machtiging die door de bevoegde overheid is verleend en die regelmatig lijkt ofschoon zij dat niet is, kan, niettegenstaande het vermoeden dat de wet gekend is, de verkeerde overtuiging doen ontstaan dat er gehandeld is in overeenstemming met de wet. De in dergelijke voorwaarden gestelde handeling is dan niet strafbaar.
Artikel 159 Grondwet bepaalt dat de hoven en rechtbanken de toepassing van een onwettige verordenende of administratieve akte moeten weigeren. Het is hun daarom nog niet verboden om de handelende persoon bij wie die akte rechten heeft doen ontstaan, het voordeel van de onoverkomelijke dwaling toe te kennen.

De eiser werd vervolgd wegens het optrekken en instandhouden van een loods zonder stedenbouwkundige vergunning.Het arrest stelt vast dat de eiser een vergunning heeft gekregen van de gemeente maar dat die administratieve akte onwettig is, enerzijds, omdat zij werd verleend zonder de gemachtigd ambtenaar te raadplegen en, anderzijds, omdat zij in strijd is met het gemeentelijk stedenbouwkundig reglement op het vlak van de materialen voor buitenbekleding en dakbedekking.
De appelrechters verwerpen eisers verweermiddel, volgens hetwelk die vergunning een onoverkomelijke dwaling heeft doen ontstaan. Het arrest verklaart dit met name op grond van het feit dat de eiser, die een gepensioneerd aannemer van openbare werken is, onmogelijk niet op de hoogte kon zijn zowel van de decretale voorschriften betreffende de verplichting voor de administratie om het advies van de gemachtigd ambtenaar in te winnen, als van de regels die in een landbouwzone toepasselijk zijn op de bouw.
Het arrest wijst er eveneens op dat de eiser geen plan van een architect heeft ingediend tot staving van zijn vergunningsaanvraag, zodat de door hem ingezette procedure van bij de aanvang gebrekkig was, en dat hij dit diende te weten.
De hierboven samengevatte overwegingen verantwoorden de beslissing niet naar recht.
Het verlenen van een vergunning nadat de raadplegingsprocedure en het stedenbouwkundig reglement zijn nageleefd, behoort tot de bevoegdheid van de administratie, zodat de houder van de vergunning niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor de fouten die zij heeft begaan.
Artikel 159 Grondwet heeft geen gevolgen voor het antwoord op de vraag of de dwaling die door de onwettige administratieve akte is veroorzaakt onoverkomelijk was.
Het vermoeden dat de wet gekend is, wettigt de bewering niet dat elke normaal redelijke en voorzichtige persoon de onwettigheden van de vergunning die aan de administratie te wijten zijn, zou hebben opgemerkt.
Het arrest stelt niet vast dat de akte dermate onregelmatig was dat de eiser ze redelijkerwijs als onbestaande had moeten beschouwen.
Het middel is gegrond'.

Cass. 28/3/2012, P.11.2083.F
10/01/2013

Onoverwinnelijke dwaling in hoofde van de gemeente bij eensluidend advies van de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar

In een vonnis van 21 oktober 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel werd de vordering van eisers tot betaling van een forfaitaire rechtsplegingsvergoeding wegens de vernietiging van een milieuvergunning verworpen.

De door de Raad van State gesanctioneerde onwettigheid bestond erin dat het college van burgemeester en schepenen de vergunning had afgeleverd zonder het eensluidend advies van de gemachtigd ambtenaar.

Weliswaar had de gemeente de vergunningsaanvraag weldegelijk aan de gemachtigd ambtenaar voorgelegd voor advies, maar deze had geantwoord dat zulks niet nodig was. Verkeerdelijk, zo blijkt achteraf.

De rechtbank oordeelt:

‘Anderzijds kon in de voorliggende zaak in alle redelijkheid niet van het college van burgemeester en schepenen worden verwacht dat hij het standpunt van de gemachtigde ambtenaar zou betwisten. Het blijkt immers geen evidente kwestie te zijn geweest of de vergunningsaanvraag in kwestie al dan niet was vrijgesteld van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar. Gespecialiseerde juristen konden het over dit vraagstuk in alle redelijkheid oneens zijn, zoals blijkt uit de argumenten die de partijen hierover nadien voor de Raad van State hebben uitgewisseld. In deze omstandigheden was het normaal dat het college van burgemeester en schepenen zich zou aansluiten bij de mededeling van de gemachtigde ambtenaar, die als gespecialiseerd ambtenaar van het Vlaams Gewest geacht kan worden beter geplaatst, beter geïnformeerd en beter onderlegd te zijn in juridische vraagstukken betreffende de toepassing van de regels inzake ruimtelijke ordening, dan het college van burgemeester en schepenen.
Dit geldt des te meer wanneer de juridische kwestie specifiek een vraag betreft over de eigen adviesbevoegdheid van de gemachtigde ambtenaar.

De rechtbank besluit dat het college van burgemeester en schepenen zich als een normaal zorgvuldige bestuursoverheid heeft gedragen wanneer zij zich aansloot bij de mededeling van de gemachtigde ambtenaar dat voor de voorliggende vergunningsaanvraag geen eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar vereist was.

De stad S. bewijst aldus dat zij zich in een situatie bevond van onoverwinnelijke dwaling, die ertoe leidt dat de fout die uit het arrest van de Raad van State van 25 mei 2010 volgt, haar niet kan worden toegerekend. De eis van mevrouw M.J. en mevrouw G.J. kan bijgevolg niet slagen in zoverre zij ertoe strekt van de stad S. vergoeding te krijgen van de schade veroorzaakt door het onwettige besluit van 4 oktober 2004.’

Referentie: Rb. Brussel, 21 oktober 2011, AR08/11503/A, ng. (Pub503733)
12/08/2010

Geen onoverkomelijke dwaling voor overheid indien zijn beslissing niet wordt geschorst, maar wél wordt vernietigd door de Raad van State

In een aansprakelijkheidsdossier, ingeleid nadat de Raad van State de weigering om een milieuvergunning te verlenen had vernietigd, argumenteert de overheid dat zij geen fout heeft begaan doordat zij op onoverkomelijke wijze zou hebben gedwaald. Hierbij wordt verwezen naar de omstandigheid dat de Raad van State in de schorsingprocedure de middelen niet ernstig had bevonden om vervolgens, hetgeen eerder uitzonderlijk is, in de vernietigingprocedure, dezelfde middelen toch gegrond te verklaren.

De rechtbank van eerste aanleg te Brussel verwerpt de argumentatie van de overheid:

“De rechtsvraag die door de Raad in het vernietigingsarrest anders werd beoordeeld dan in het arrest dat uitspraak deed over de vordering tot schorsing, betrof de vraag naar de omvang van een bevoegdheid van een minister die uitspraak diende te doen over een administratief beroep van een derde tegen een in eerste aanleg genomen beslissing waarin de gevraagde vergunning deels werd toegestaan en deels geweigerd, en waarbij de aanvrager zelf geen beroep had ingediend, en het beroep van de derde ertoe strekte de gehele vergunning te doen weigeren.

Het is duidelijk dat deze vraag geen eenvoudige juridische kwestie is en zelfs voor juristen die in het bestuursrecht beslagen zijn enig studiewerk kan vereisten om tot de juiste oplossing te komen.

Het is dan ook volstrekt onbegrijpelijk dat de Raad van State en zijn auditeur in het kader van het administratief kort geding daarbij “op het verkeerde been” werden gezet, te meer nu de beoordeling die de Raad van State in het kader van het “administratief kort geding” maakt, gebeurt “op het eerste gezicht”, op grond van een summier onderzoek van middelen die in een verzoekschrift zijn uiteengezet, en waarbij de verzoekende partij geen mogelijkheid heeft tot schriftelijke repliek op het verweer van de tegenpartij en het advies van het auditoraat.”


Het voorgaande leidt de rechtbank evenwel niet tot de conclusie dat de overheid op onoverkomelijke wijze heeft gedwaald bij het nemen van de vernietigde beslissing. In het bijzonder verwijt de rechtbank aan de overheid dat zij enkele aandacht heeft geschonken aan de omvang van haar bevoegdheid, dermate dat niet bewezen dat er sprake is van een rechtsdwaling “die door elk nauwkeurig oplettende overheid zou zijn begaan, en die als zodanig onoverkomelijk was”.

Hieraan kan toegevoegd worden dat het geen evidentie is om zich te beroepen op een onoverkomelijke dwaling op basis van een uitspraak van de Raad van State die ... na de bestreden belsissing komt.

Ref. Rb. Brussel 29 juli 2010, ng (D7468/1)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Onoverwinnelijke dwaling, Overheidsaansprakelijkheid, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags