29/04/2018

De milieuvergunning in eerste aanleg herleeft NOOIT na vernietiging van de beroepsbeslissing door de Raad van State

Dus ook niet als het hoger beroep niet schorsend werkte, zoals bij een beroep door derden. Zo blijkt uit het arrest nr. 241.317 van de Raad van State van 26 april 2018:

'De vernietiging door de Raad van State van een in beroep genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag, heeft tot gevolg dat de administratieve beroepsprocedure tegen de in eerste aanleg genomen beslissing moet worden hernomen. De administratieve beroepsinstantie is derhalve verplicht om na een vernietigingsarrest een nieuwe beslissing te nemen over het ingediende beroep. Het in artikel 24, § 3, van het milieuvergunningsdecreet bedoelde niet schorsend karakter van dat administratief beroep, doet de in eerste aanleg genomen beslissing niet herleven na de vernietiging van de beroepsbeslissing.

Het eerste middelonderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Milieuvergunning, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/01/2017

Omgevingsvergunning van start op 23 februari 2017. Of toch niet helemaal?

De plenaire vergadering van het Vlaams parlement besliste - door het aannemen van een spoeddecreet - op 25 januari 2017 defintief over de (uitgestelde) implementatie van de omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning treedt op 23 februari a.s. en dit op alle niveaus.

Gemeentes kunnen evenwel (om praktische redenen) vragen om de inwerkingtreding uit te stellen én dit uiterlijk tot 1 juni 2017. Indien het uitstel wordt toegekend, blijven de bestaande vergunningsprocedures van toepassing. De (milieu)vergunningen die evenwel worden afgeleverd na 23 februari 2017 zullen wel steeds een onbepaalde duur hebben.

Nog dit. Vergunningsaanvragen die worden ingediend met medewerking van een architect, zullen niet langer op papier kunnen ingediend worden, maar moeten steeds digitaal worden ingediend. Ook indien aan het betrokken bestuur een uitstel werd toegekend. 

Bij vergunningsaanvragen die zonder architect worden ingediend, zal dus per provincie, stad of gemeente moeten nagegaan worden in welke mate de (digitale) omgevingsvergunningsprocedure van toepassing is. 

U vindt hier de parlementaire documenten van het spoeddecreet.

Bijkomende informatie over de uitgestelde implementatie vindt u ook op de website van VVSG.  

08/12/2016

Vernietigingsprocedure stuit vervaltermijn milieuvergunning

De Dendermondse rechtbank van eerste aanleg heeft volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof:

'Schendt art. 28, § 1, 1°, van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 EAP bij het EVRM, in zoverre deze bepaling geen schorsing van de vervaltermijn van de milieuvergunning zou voorzien hangende het beroep bij de Raad van State, waardoor het verval van de milieuvergunning kan intreden hangende de procedure bij de Raad van State en met bijkomend de mogelijkheid dat ingevolge dit verval ook de gekoppelde stedenbouwkundige vergunning zou komen te vervallen op grond van artikel 5 van hetzelfde decreet, terwijl artikel 4.6.2 61, 3e lid [lees : artikel 4.6.2, § 1, tweede lid] VCRO voorziet dat de vervaltermijnen voor opstart van de werken op grond van een stedenbouwkundige vergunning, bepaald in het eerste lid van die bepaling, geschorst wordt zolang een beroep tot vernietiging van de stedenbouwkundige vergunning aanhangig is bij de Raad voor vergunningsbetwistingen ?'.

Het Grondwettelijk Hof antwoordt in het arrest nr. 155/2016 van 8 december 2016 :

'B.3.1. In de interpretatie die de verwijzende rechter aan de in het geding zijnde bepaling geeft, is de vervaltermijn van de milieuvergunning niet geschorst tijdens het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State.

B.3.2. Bij zijn arrest nr. 233.938 van 25 februari 2016 heeft de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, inmiddels een andersluidende interpretatie aan de in het geding zijnde bepaling gegeven. In dat arrest heeft de Raad van State geoordeeld : « 10. Artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet moet restrictief worden geïnterpreteerd. Op die wijze geïnterpreteerd kan de verplichting om de inrichting binnen een termijn van maximaal drie jaar in gebruik te nemen, enkel een aanvang nemen vanaf het ogenblik dat vaststaat dat de vergunning voor de houder ervan een zeker en definitief gegeven is. Van de vergunninghouder kan immers niet worden verwacht dat hij een precaire milieuvergunning ten uitvoer brengt, met alle risico’s van dien. Dit is het geval wanneer derden een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State waardoor de vergunning ongedaan kan worden gemaakt of zelfs kan worden ingetrokken. 11. In voorliggend geval hebben vijf van de huidige verzoekende partijen de nietigverklaring gevorderd van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 27 augustus 2009 waarbij aan de tussenkomende partij de vergunning werd verleend voor het verder exploiteren en veranderen van de rundveehouderij (zaken A. 194.477/VII-37.566 en A. 194.478/VII-37.567). De exploitant is in deze procedures tussengekomen om zijn belangen te vrijwaren. Uit die vaststelling kan bezwaarlijk worden afgeleid dat hij louter door het aanwenden van een rechtsmiddel door derdenbelanghebbenden, zou hebben afgezien van de realisatie van het project. De beroepen tot nietigverklaring werden respectievelijk verworpen bij arrest nr. 217.307 van 19 januari 2012 en arrest nr. 217.682 van 2 februari 2012. Bijgevolg heeft de onzekerheid over de rechtskracht van de basisvergunning pas opgehouden te bestaan na de kennisgeving van laatstvermeld arrest aan de tussenkomende partij. Rekening houdend met dit uitgangspunt, was de termijn voor ingebruikname niet verstreken op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen ». In die interpretatie begint de vervaltermijn voor het in gebruik nemen van de inrichting waarop een milieuvergunning betrekking heeft, pas te lopen wanneer het arrest van de Raad van State waarbij de beroepen tot nietigverklaring tegen die milieuvergunning zijn verworpen, aan de vergunninghouder worden betekend.

B.4. Rekening houdend met het voorgaande, is er aanleiding om de zaak terug te zenden naar de verwijzende rechter, opdat hij in het licht van dat nieuwe gegeven oordeelt of de prejudiciële vraag nog een antwoord behoeft'.

Het Grondwettelijk Hof suggereert aan de verwijzende rechter zich te houden aan de interpretatie van de Raad van State.  Een goede verstaander begrijpt dit en het probleem is daarmee van de baan.

23/02/2016

Omgevingsvergunning een feit vanaf 23 februari 2017

In het Belgisch Staatsblad van vandaag, 23 februari 2016 (Editie 1), wordt het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning gepubliceerd.

Het decreet en het uitvoeringsbesluit treden in werking één jaar na de bekendmaking in het Staatsblad.

Vanaf 23 februari 2017 vervangt de omgevingsvergunning dan ook de stedenbouwkundige en de milieuvergunning.  
02/10/2015

Raad van State weigert zélf milieuvergunning

Sinds 1 maart 2014 beschikt de Raad van State over een wettelijke bevoegdheid om in wel afgelijnde gevallen, een arrest te vellen dat in de plaats komt van de bestreden beslissing.

De Raad van State werd middels een op 25 juni 2014 ingeleid verzoek tot nietigverklaring geconfronteerd met een beslissing houdende de hernieuwing en wijziging van een milieuvergunning. Dit nadat de Raad eerder een deputatiebesluit vernietigd had en de daaropvolgende vergunningsbeslissing eveneens vernietigde omdat:

‘[b]ij de stedenbouwkundige toetsing van een milieuvergunningsaanvraag […] in principe uitgegaan [dient] te worden van de volledige inrichting die in de regel bestaat uit onlosmakelijke onderdelen”, dat [i]n voorliggende zaak […] niet [valt] in te zien hoe enkel voor het gedeelte van de winkelruimte dat stedenbouwkundig vergund is, een milieuvergunning verleend kan worden” en dat “[d]ie ruimte […] in werkelijkheid immers één ondeelbaar geheel [vormt]’
[…] Aangezien in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt aangegeven dat de bestaande winkelruimte - dit is voor de normale bedrijfsvoering van dit bedrijfstype een noodzakelijke constructie zoals bedoeld in artikel 4.1.1, 7°, VCRO - slechts gedeeltelijk werd vergund, is minstens niet voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 5.6.7, § 1, VCRO’.

Na het gegrond verklaren van het enig middel aangaande de verenigbaarheid met de vigerende bestemming in het arrest van 9 juli 2015 met nummer 231.918, oordeelt de Raad over de vraag van de verzoekende partij om ‘het arrest waarbij de onverenigbaarheid van de inrichting met de bestemming van agrarisch gebied en hieruit voortvloeiend de weigering van de milieuvergunning wordt vastgesteld” in de plaats […] [te] stellen van de bestreden beslissing’ als volgt:

‘15. Artikel 36, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt :

“Wanneer de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, treedt het arrest in de plaats van die beslissing”.

Uit de wetsgeschiedenis van de aangehaalde bepaling blijkt dat de substitutiebevoegdheid om “redenen van efficiëntie” aan de Raad van State werd toegekend, met name wanneer “de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de bestuurlijke overheid”, waarbij onder meer gedacht wordt aan “de gevallen van feitelijke of a posteriori gebonden bevoegdheden, waaronder de hypotheses volgens dewelke de werking van de wet en bepaalde omstandigheden samen tot gevolg hebben dat het bestuur een welbepaalde beslissing dient te nemen terwijl de wet hem in het begin een zekere appreciatiemarge liet” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 26-27).

16. Uit dit arrest vloeit voort dat de inrichting van de tussenkomende partij niet verenigbaar is met de bestemming agrarisch gebied. In arrest nr. 225.624 van 28 november 2013 werd reeds vastgesteld dat de inrichting niet vergund kan worden in afwijking van deze bestemming. De verwerende partij is verplicht om de gevraagde milieuvergunning te weigeren indien de inrichting strijdt met de geldende bestemmingsvoorschriften. Ter zake heeft zij geen andere keuze, haar bevoegdheid is volledig gebonden. Bijgevolg is er reden om dit arrest in de plaats te stellen van de uitspraak van de verwerende partij over de bestuurlijke beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nijlen van 16 april 2007.

Het verzoek tot toepassing van artikel 36, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt ingewilligd.

[…]

BESLISSING

[…] De bestuurlijke beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente […] worden gegrond verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd.
[…]’
[eigen aanduiding]

Hoewel de theorie van de substitutie van motieven niet nieuw is bij de Raad van State, lijkt het erop dat het wel de eerste keer is dat een verleende maar bij de Raad beroepen milieuvergunning door de Raad van State wordt geweigerd.
Tags