11/09/2018

Het stille einde van de substituerende milieustakingsvordering

Een van de vele innovaties van het Decreet over het lokaal bestuur is dat artikel 194 Gemeentedecreet zondermeer wordt geschrapt. Dit artikel liet toe dat als het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad nalaat in rechte op te treden, een of meer inwoners in rechte kunnen optreden namens de gemeente, mits zij de zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken.  Zowel natuurlijke personen als milieuverenigingen maakten gretig gebruik van dit substituerend vorderingsrecht, in het bijzonder bij de zogenaamde milieustakingsvorderingen.

Artikel 577,50° DLB heft artikel 194 van het Gemeentedecreet op, hetgeen ook meteen het einde inluidt van de substituerende milieustakingsvordering. Deze opheffing treedt in werking op 1 januari 2019. Alle lopende milieustakingsprocedures worden gewoon verder afgehandeld

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Gemeenterecht, Milieustaking
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
04/03/2018

Een verworpen milieustakingsvordering maakt een later beroep bij de Raad van State niet onontvankelijk

In een 'carrousseldossier' aangaande een crematorium werd de Raad van State voor de 14de maal (!) gevat.  Met arrest nr. 240.855 van 1 maart 2018 verwierp de Raad van State als volgt de exceptie dat geen belang bestaat tegen een hernemende (milieuvergunning) omdat inmiddels de substituerende milieustakingsvordering werd verworpen bij gebreke aan kennelijke milieuhinder:

'Dat het hof van beroep bij arrest van 22 april 2016 de milieustakingsvordering als ongegrond heeft verworpen, is in wezen het enige nog niet eerder door de Raad van State beantwoorde argument. Dit gegeven staat er evenwel niet aan in de weg dat de verzoekers een ontvankelijk beroep bij de Raad van State kunnen instellen, omdat daarvoor slechts is vereist dat een verzoeker enige hinder of nadeel kan ondervinden door de exploitatie'.

Referentie: PUB501427-20

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Milieustaking, Raad van State, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
26/01/2014

Substituerend vorderingsrecht hersteld door het Grondwettelijk Hof

Het zogenaamde 'Wijzigingsdecreet' van 29 juni 2012 voerde verschillende aanpassingen door aan het Gemeentedecreet. Een daarvan houdt in dat de mogelijkheid voor de burger om in rechte op te treden namens de gemeente wordt ingeperkt.

Met ingang van 1 januari 2013 bepaalde artikel 194, lid 1 Gemeentedecreet:

"Als het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad nalaten in rechte op te treden, en als gevolg van dit stilzitten het leefmilieu schade toegebracht wordt of een ernstige dreiging op schade aan het leefmilieu ontstaat, kunnen een of meer inwoners in rechte optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken."

Het zogenaamde substitutierecht werd met andere woorden beperkt tot procedures tot bescherming van het leefmilieu. Het instellen van een milieustakingsvordering namens de gemeente blijft dus mogelijk. Diverse andere vorderingen behoorden echter tot het verleden. Zo was het tot de inwerkingtreding van het Wijzigingsdecreet mogelijk dat een inwoner namens de gemeente klacht met burgerlijke partijstelling indiende tegen een schepen van de gemeente.

Het Grondwettlijk Hof heeft deze materiële beperking van het substitutierecht vernietigd met arrest nr. 9/2014 
van 23 januari 2014 op grond van hierna volgende overwegingen:

'B.5.1. In het derde middel in de zaken nrs. 5559 en 5560 en in het eerste middel in de zaken nrs. 5568, 5569 en 5570 voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen inzonderheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, doordat zij een onverantwoord verschil in behandeling in het leven zouden roepen tussen, enerzijds, personen die namens de gemeente of de provincie in rechte optreden in een zaak die betrekking heeft op het leefmilieu sensu stricto, en, anderzijds, personen die namens de gemeente of de provincie in rechte optreden in een zaak die betrekking heeft op de ruimtelijke ordening of in een zaak die niets met het leefmilieu sensu lato te maken heeft. 

 B.5.2. Uit de in B.3.2 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de Vlaamse decreetgever met de bestreden bepalingen met name beoogde om, in het domein van de ruimtelijke ordening, de combinatie van het recht om namens de gemeente of de provincie in rechte op te treden met de milieustakingsvordering bedoeld in de wet van 12 januari 1993 aan banden te leggen, omdat hij oordeelde dat van die combinatie misbruik werd gemaakt en dat het college van burgemeester en schepenen en de deputatie in die procedure worden benadeeld, doordat zij niet in het geding kunnen tussenkomen om hun visie op het gemeentelijk of het provinciaal belang uiteen te zetten of om aan te voeren dat de namens de gemeente of de provincie ingestelde vordering nontvankelijk of ongegrond moet worden verklaard. 

 B.5.3. In de materies die tot de gemeentelijke of de provinciale bevoegdheden behoren, komt het aan de gemeentelijke en de provinciale overheden toe om onwettige handelingen te doen ophouden of te voorkomen en om daartoe desnoods in rechte op te treden. Artikel 194 van het Gemeentedecreet en artikel 187 van het Provinciedecreet beogen de inwoners van een gemeente of van een provincie in de mogelijkheid te stellen om namens de gemeente of de provincie in rechte op te treden indien het college van burgemeester en schepenen of de deputatie dat ten onrechte nalaten. 

Het komt daarbij aan de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, toe om de vordering of het beroep onontvankelijk te verklaren indien de inwoners die namens de gemeente of de provincie in rechte optreden, geen collectief, maar een louter persoonlijk belang zouden nastreven. Bovendien zal de rechter de vordering of het beroep ongegrond verklaren indien geen onwettigheid werd begaan. 

De omstandigheid dat het college van burgemeester en schepenen of de deputatie daarbij de vrije beschikking verliezen over de rechten die het voorwerp van de vordering uitmaken, is het gevolg van het stilzitten van die organen. 

B.5.4. De in de parlementaire voorbereiding uitgedrukte motieven kunnen bovendien niet verantwoorden waarom de mogelijkheid om namens de gemeente of de provincie in rechte op te treden, tevens wordt uitgesloten voor andere materies dan de ruimtelijke ordening. In materies die geen betrekking hebben op het leefmilieu sensu lato kan de inwoner immers geen milieustakingsvordering instellen namens de gemeente of de provincie. 
Niettemin kan ook in dergelijke zaken het algemeen belang van de gemeente of van de provincie – met inbegrip van de gemeentelijke of de provinciale financiën – in het gedrang komen door het stilzitten van het college van burgemeester en schepenen of van de deputatie. 

Zonder dat het Hof zich dient uit te spreken over de juistheid van de perceptie van de decreetgever dat de combinatie van de milieustakingsvordering met het optreden in rechte namens de gemeente of de provincie tot misbruik leidde, moet worden vastgesteld dat de in de parlementaire voorbereiding uitgedrukte motieven evenmin kunnen verantwoorden waarom de mogelijkheid om namens de gemeente of de provincie in rechte op te treden, tevens wordt uitgesloten in zaken die binnen het domein van de ruimtelijke ordening zijn gesitueerd, maar waarin geen misbruik van artikel 194 van het Gemeentedecreet of van artikel 187 van het Provinciedecreet wordt gemaakt. Het kan daarbij gaan om zaken waarin de vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd of om zaken betreffende werken die zonder vergunning worden uitgevoerd, maar evenzeer om zaken waarin de onwettigheid van een door de gemeente of de provincie uitgereikte vergunning in het geding is. 

Het komt aan de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, toe om een eventueel misbruik begaan door de inwoners te bestraffen. Daartoe vereisen artikel 194 van het Gemeentedecreet en artikel 187 van het Provinciedecreet overigens dat de inwoner die namens de gemeente of de provincie in rechte optreedt, een zekerheidstelling  moet aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding - waartoe ook de rechtsplegingsvergoeding behoort – te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken. 

B.5.5. Bovendien heeft de decreetgever, in de mate waarin de combinatie van de milieustakingsvordering met de mogelijkheid om namens de gemeente of de provincie in rechte op te treden, tot misbruik zou hebben geleid, niet onderzocht of dat misbruik kon worden tegengegaan aan de hand van minder ingrijpende maatregelen dan de afschaffing, in alle materies die geen betrekking hebben op het leefmilieu sensu stricto, van de mogelijkheid van de inwoners om het algemeen belang van hun gemeente of provincie te beschermen tegen het onverantwoorde stilzitten van hun bestuur. 

 B.5.6. De middelen zijn gegrond. Bijgevolg dienen in de bestreden bepalingen de woorden « en als gevolg van dit stilzitten het leefmilieu schade toegebracht wordt of een ernstige dreiging op schade aan het leefmilieu ontstaat, » te worden vernietigd'. 

Het Grondwettelijk Hof heeft een schending van het gelijkheidsbeginsel vastgesteld, maar met nadruk gewezen op de verplichting tot zekerheidsstelling die in de meeste substituerende milieustakingsprocedures op vandaag onbestaande of virtueel is en op de mogelijkheid tot het opleggen van een vergoeding wegens tergend en roekeloze procedure.

Hierbij stelt zich volgende vaag: zou de volledige afschaffing van de door zoveel gemeenten (terecht) gevreesde substitutiemogelijk van artikel 194 Gemeentedecreet, zoals deze trouwens initieel werd beoogd door de initiatiefnemers van de vernietigde decreetswijziging, wél de toets van het Grondwettelijk Hof doorstaan?

Lees hier nog ons bericht over het eerdere arrest nr. 29/11 van het Grondwettelijk Hof van 24 februari 2011.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Lokale besturen, Milieustaking
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/03/2013

Mogelijkheid voor inwoners om in naam van de gemeente te procederen wordt beperkt

Het zogenaamde 'Wijzigingsdecreet' van 29 juni 2012 voerde verschillende aanpassingen door aan het Gemeentedecreet. Een daarvan houdt in dat de mogelijkheid voor de burger om in rechte op te treden namens de gemeente wordt ingeperkt.

Met ingang van 1 januari 2013 bepaalt artikel 194, lid 1 Gemeentedecreet:

"Als het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad nalaten in rechte op te treden, en als gevolg van dit stilzitten het leefmilieu schade toegebracht wordt of een ernstige dreiging op schade aan het leefmilieu ontstaat, kunnen een of meer inwoners in rechte optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken."

Het zogenaamde substitutierecht wordt met andere woorden beperkt tot procedures tot bescherming van het leefmilieu. Het instellen van een milieustakingsvordering namens de gemeente blijft dus mogelijk. Diverse andere vorderingen behoren echter tot het verleden. Zo was het tot de inwerkingtreding van de wijzigingsbepaling mogelijk dat een inwoner namens de gemeente klacht met burgerlijke partijstelling indiende tegen een schepen van de gemeente.

Het aangepaste artikel 194 verduidelijkt ook op welke wijze de inwoners de gemeente voorafgaandelijk in gebreke moeten stellen (lid 4):

"Op straffe van onontvankelijkheid kunnen personen vermeld in het eerste en tweede lid slechts namens de gemeente in rechte optreden indien zij de gedinginleidende akte aan het college van burgemeester en schepenen hebben betekend en, daaraan voorafgaand, het college van burgemeester en schepenen wegens het niet-optreden in gebreke hebben gesteld en na een termijn van tien dagen na de betekening van deze ingebrekestelling geen optreden in rechte vanwege het gemeentebestuur heeft plaatsgevonden. In geval van hoogdringendheid is geen voorafgaande ingebrekestelling vereist."

Gepost door Jonas Riemslagh

Blog Lokale Besturen
Tags Decreet Lokaal Bestuur, Lokale besturen, Milieustaking, Optreden in rechte
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags