09/10/2018

Habitattoets ook bij 'natuurparkings' vereist!

De Raad van State vernietigt met zijn arrest nr. 242.577 van 9 oktober 2018 het besluit van 25 juli 2016 van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kemmelberg’. De Raad van State stelt in dit arrest vast dat het plan in de ontwikkeling van een parkeerzone van maximaal 2750m² verharde oppervlakte voor 60 voertuigen voorziet, in een gebied dat met het besluit van de Vlaamse regering van 23 april 2014 als een speciale beschermingszone “BE2500003 West-Vlaams Heuvelland” is afgebakend. De Raad is van oordeel dat de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid en de provincie er niet mochten van uitgaan dat er geen risico op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze zone is:

'5.3. Een ruimtelijk uitvoeringsplan is, zoals elke bestuurshandeling, onderworpen aan de materiëlemotiveringsverplichting, hetgeen inhoudt dat het moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die blijken, hetzij uit het ruimtelijk uitvoeringsplan zelf, hetzij uit de stukken van het dossier.

5.4. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens en de op het spel staande belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen in het licht van het doel van het besluit.

(...)

5.7. Verzoeker betoogt, zoals ook aangevoerd in zijn bezwaarschrift,  dat de aanleg van een parking voor 60 voertuigen de toekomstige invulling van het habitatrichtlijngebied hypothekeert.

5.8. Terecht stelt verzoeker dat het argument van de Procoro dat zich op de kwestieuze locatie momenteel geen habitat zou bevinden, zijn voormelde kritiek niet weerlegt, nu de instandhoudingsdoelstellingen een “stijging” van de natuurwaarden beogen. Het argument van de Procoro dat volgens het advies van de afdeling Natuur en Bos geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur “in het VEN” zal worden veroorzaakt, toont voorts evenmin aan dat de aanleg van de kwestieuze parking de toekomstige invulling van het “habitatrichtlijngebied” niet vermag te hypothekeren.

Dat de aanleg van de kwestieuze parking in habitatgebied toelaat om elders bestaande parkings te “supprimeren” en het vervangen van die parkings door één grote groene parking ten voordele komt van het gehele habitatrichtlijngebied, komt de Raad van State dan weer voor als een “compenserende maatregel” in de zin van artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn, waarvoor de bij deze bepaling gestelde voorwaarden niet blijken
te zijn vervuld.

5.9. De door de verwerende partij aangevoerde omstandigheid dat de instandhoudingsdoelstellingen gerealiseerd zullen worden “in het natuurgebied” van het PRUP, dat zij het initiatief zal nemen om dit zoveel als mogelijk op haar gronden te realiseren, en dat in de “creatie van ca. 170 ha extra natuurgebied” wordt voorzien, overtuigen er voorts evenmin van dat de toekomstige invulling van het habitatrichtlijngebied door de kwestieuze parkeerlocatie niet kan gehypothekeerd worden.

5.10. Gelet op het voormelde, vermocht de dienst Mer, daarin bijgetreden door de plannende overheid, er niet met goed gevolg van uitgaan dat er geen risico op een betekenisvolle aantasting van de actuele “en potentieel te realiseren” habitats bestaat en dat “een passende beoordeling [dus] niet nodig is”.'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags MER, Meindert Gees, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/04/2017

Onteigeningsdecreet gepubliceerd in Belgisch Staatsblad (nu met procedureschema!)

Zoals aangegeven in ons eerder blogbericht zijn sinds de 6de staatshervorming de gewesten volledig bevoegd voor het onteigeningsrecht. De Vlaamse regering wenste hiervan gebruik te maken om het onteigeningsrecht te herzien en te vereenvoudigen. Het heette dat ‘Het centrale doel van één overkoepelend onteigeningsdecreet blijft de regeldruk verminderen, de proceduresnelheid vereenvoudigen en versnellen en de rechtszekerheid van alle betrokkenen verhogen.’.

Dit decreet werd vandaag op 25 april 2017 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en treedt in werking op een door de Vlaamse regering nog te bepalen datum.

Het decreet bevat o.m. een oplijsting van diverse publiekrechtelijke instanties die tot onteigening kunnen overgaan.

Geheel nieuw en alvast belangrijk voor de lokale besturen is dat deze niet langer over een onteigeningsmachtiging moeten beschikken.

De klassieke onteigeningsvoorwaarden (noodzakelijk, algemeen nut, billijke en voorafgaandelijke schadeloosstelling,…) maar ook principes zoals planologische neutraliteit edm. blijven onverkort van toepassing.

De bestuurlijke en gerechtelijke fase worden op elkaar afgestemd waarbij de Raad voor Vergunningsbetwistingen de bevoegdheden overneemt van de Raad van State.

Deze nieuwe reglementering zal vanaf inwerkingtreding moeten worden afgetoetst aan de praktijk en waar nodig zullen bepaalde zaken moeten worden uitgeklaard door rechtspraak en rechtsleer.

Voor verdere informatie, contacteer ons gerust.

PS  Hier kan je terecht voor het procedureschema.  

Gepost door Meindert Gees

Blog Lokale Besturen
Tags Meindert Gees, Onteigeningen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
23/02/2017

Vlaamse gemeenten nog niet klaar. 98,70% vraagt uitstel voor de omgevingsvergunning

Bij ministerieel besluit van 17 februari 2017 houdende aktename van de collegebeslissingen inzake de instap in de omgevingsvergunning heeft de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw akte genomen van de gemeenten die een uitstel wensen te bekomen inzake de instap van de omgevingsvergunning.

Gemeenten kunnen maar instappen in de omgevingsvergunning als zij beschikken over een performant dossierbehandelingssysteem dat rechtstreeks kan communiceren met het Vlaamse gegevensuitwisselplatform 'Omgevingsloket'. Gemeenten zijn daarom technisch genoodzaakt om te kiezen voor een latere invoerdatum.

302 gemeenten hebben de Vlaamse minister aangegeven de implementatie pas te kunnen voorzien tegen 1 juni 2017. Dit is 98,05% van alle (308) Vlaamse gemeenten. De gemeente Beersel stapt in op 18 april 2017 en de stad Diest doet dat op 2 mei 2017. Samengenomen vraagt dus 98,70% van de Vlaamse gemeenten een uitstel. De gemeenten Dilsen-Stokkem, Herstappe, Langemark-Poelkappelle en Staden hebben geen uitstel gevraagd. Voor deze gemeenten start het omgevingsvergunningstraject vandaag.

Reactie van burgemeester Peter Roose (Veurne)

Het zijn niet de Vlaamse gemeenten die niet klaar zijn met de omgevingsvergunning.
Dit is helaas een foute voorstelling van de feiten.
Het Vlaams digitaal loket is amper op 27/2 klaar geraakt, de testomgeving voor het component milieu is pas op 27/2 beschikbaar en de softwareleveranciers hebben laattijdig de nodige info ontvangen om een volwaardig product voor de gemeenten en steden te kunnen aanleveren.
Zowel de Vlaamse administratie, het kabinet als de softwareleveranciers hebben bij de gemeenten en steden sterk aangedrongen om uitstel te vragen om kritiek over de werking van het digitaal loket voor te zijn.

Gepost door Meindert Gees

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Meindert Gees, Omgevingsvergunning, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/01/2016

De overheid die verkeerde beroepsmogelijkheden vermeldt, wordt verwezen in de procedurekosten

Van een overheid die een beslissing neemt waartegen een beroep kan worden ingesteld, wordt verwacht dat ze de juiste beroepsmogelijkheden vermeldt. 

In een arrest van de Raad van State van 17 december 2015 met nummer 233.265 wordt de overheid die een foutieve beroepsmogelijkheid had aangegeven verwezen in de kosten van het geding.

Meer bepaald had de provinciale afdeling Oost-Vlaanderen van het Agentschap Natuur en Bos een machtiging verleend voor het kappen van 14 Italiaanse populieren, 1 eik en alle aanwezige naaldbomen. Aan deze machtiging werd ook een voorwaarde verbonden. Verzoekende partijen konden zich niet vinden in deze voorwaarde. In de begeleidende brief van deze machtiging, werd volgend bericht meegegeven:

‘U kunt tegen deze beslissing beroep aantekenen bij de Raad van State volgens de modaliteiten bepaald bij de wetten op de Raad van State. Dit beroep moet worden ingesteld aan de hand van een aangetekende brief. Dit moet gebeuren binnen de zestig dagen te rekenen vanaf de eerste dag na de kennisgeving.’

De Raad wijst evenwel op het feit dat, na de bestreden machtigingsbeslissing, alsnog een georganiseerd beroep openstond tegen deze beslissing:

‘6. Bijgevolg stond tegen de bestreden beslissing een georganiseerd administratief beroep open, dat moest worden uitgeput alvorens de verzoekende partijen de zaak konden voorleggen aan het wettigheidstoezicht van de Raad van State. Uit de procedurestukken blijkt overigens dat de verzoekende partijen op 25 juni 2014 tegen de bestreden beslissing administratief beroep hebben ingesteld bij het comité van beroep.

7. Ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is.’

V. Kosten

8. Gelet op het feit dat de verwerende partij bij de kennisgeving van de bestreden beslissing melding heeft gemaakt van de mogelijkheid om bij de Raad van State beroep in te stellen, past het om de kosten te haren laste te leggen.’

Merkwaardig is wel dat bovenstaande de verzoekende partijen er niet van heeft weerhouden, het rechtens voorgeschreven administratief beroep alsnog in te stellen. Voor diegenen die echter gehandeld hebben conform de 'beroepsinstructies' van de overheid zal de kostentoerekening aan de overheid maar een magere troost zijn...

Gepost door Meindert Gees

Blog Lokale Besturen
Tags Lokale besturen, Meindert Gees, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
21/04/2015

Structurele onpartijdigheid deputatie aangetast door samenloop mandaatfuncties gedeputeerde?

Naar aanleiding van een vergunningsaanvraag voor het bouwen van een magazijn met kantoren en kleedkamers werd door de gemeente advies opgevraagd bij de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij ter verduidelijking van vragen over de inplanting van de spoorweglijnen en staanders. Een en ander had te maken met de aanleg van een nieuwe wegenis. De Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij leverde een ongunstig advies af nu de bouwplannen niet compatibel waren met het goedgekeurde en vergunde stratentracé van de toekomstige openbare weg. Dit resulteerde uiteindelijk in een weigering van de vergunningsaanvraag in eerste aanleg.

Hiertegen werd door de bouwheer administratief beroep aangetekend bij de deputatie die evenwel de aanvraag op zijn beurt weigerde.

De bouwheer achtte middels deze laatste beslissing o.m. het algemeen rechtsbeginsel van onpartijdigheid geschonden en trok hierop naar de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb). 

De RvVb vernietigde de voormelde beslissing in zijn arrest van 8 juli 2014 met nummer A/2014/0484 op basis van de volgende redenering:

'1.
Er is geen discussie over het feit dat de verwerende partij als orgaan van actief bestuur gebonden is door de eis van onpartijdigheid.

Het middel viseert de (on)partijdigheid van de verwerende partij als administratieve beroepsinstantie. Het stelt aldus, alhoewel niet zeer duidelijk, de structurele onpartijdigheidseis aan de orde en meer bepaald doordat er in de procedure over het administratief beroep bij de deputatie een in de persoon van een gedeputeerde een samenloop van functies is. De samenloop bestaat er concreet in dat de betrokken gedeputeerde lid is van het collegiaal orgaan dat het administratief beroep beoordeelt, daarenboven bevoegd is voor ruimtelijke ordening en stedenbouw, en tegelijk de voorzitter is van de POM Antwerpen, die naar aanleiding van het onderzoek van de stedenbouwkundige aanvraag in eerste aanleg op vraag van het college van burgemeester en schepenen een ongunstig advies heeft gegeven.

Er is geen onduidelijkheid over het feit dat het advies de bestreden beslissing op doorslaggevende wijze heeft beïnvloed. Er is evenmin onduidelijkheid over, enerzijds het bestaan van een beheersovereenkomst tussen de POM Antwerpen en de provincie Antwerpen, en anderzijds de leidinggevende rol van POM Antwerpen in de ontwikkeling van het bedrijventerrein “Willebroek – Noord”, waar de aanvraag zich situeert.

2.
De verwerende partij stelt dat het middel onontvankelijk is omdat de onpartijdigheidseis tijdens de hoorzitting van de deputatie moest zijn opgeworpen. De exceptie kan niet worden aanvaard omdat ze uitgaat van een subjectieve op persoonlijke onpartijdigheidseis, terwijl het middel is geformuleerd als een structurele onpartijdigheidseis.
De Raad neemt aan dat het lid van de verwerende partij, handelend als collegiaal orgaan van actief bestuur, zich moest hebben onthouden aan deelname aan de besluitvorming. Het feit dat hij tegelijk als voorzitter van een orgaan zetelt, dat een facultatief maar doorslaggevend advies uitbracht, terwijl de adviserende instantie door een beheersovereenkomst met de provincie Antwerpen verbonden is enerzijds, en een belang heeft in de ontwikkeling van het bedrijventerrein waar de aanvraag zich situeert anderzijds, wekt minstens in die mate een schijn van partijdigheid dat het onpartijdigheidsbeginsel geschonden is.

Het middel is gegrond.'

De Raad van State, in zijn hoedanigheid als cassatierechter, volgde bovenstaande visie evenwel niet. Middels cassatiearrest van 26 februari 2015 met nummer 230.338 werd de schending van het onpartijdigheidsbeginsel verworpen:

'10. Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op de deputatie als orgaan van actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de leden van de deputatie die een beslissing neemt, als de structurele onpartijdigheid van de deputatie op het vlak van de organisatie ervan, het verloop van de procedure en het tot stand komen van haar beslissingen. 
In zoverre het de structurele onpartijdigheid waarborgt, is het onpartijdigheidsbeginsel slechts van toepassing op een orgaan van actief bestuur indien de toepassing ervan verenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de eigen structuur van het bestuur. De toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel door de RvVb mag er niet toe leiden dat het nemen van een regelmatige beslissing onmogelijk wordt, namelijk doordat dit beginsel het optreden van het bevoegde orgaan onmogelijk zou maken. 

Om de schending van de structurele onpartijdigheid van een bestuursorgaan aannemelijk te maken voor de RvVb, moet die schending objectief gerechtvaardigd zijn, rekening houdend met de concrete, feitelijke elementen van de zaak.

11. Door op grond van “een samenloop van functies” te besluiten  tot de gegrondheid van het derde middel van de nv IGS, zonder concrete en objectief gewettigde aanwijzingen aan te nemen dat de betrokken gedeputeerde niet langer met de vereiste afstandelijkheid en onpartijdigheid als lid van de deputatie over de vergunningsaanvraag kon oordelen en zonder na te gaan of de toepassing van het aangevoerde onpartijdigheidsbeginsel het optreden van de deputatie onmogelijk zou kunnen maken, schendt het bestreden arrest het beginsel van de structurele onpartijdigheid van bestuursorganen. 
Het eerste middelonderdeel is in de aangegeven mate gegrond.'
Tags