22/04/2011

Medebewind in vergunningszaken ontslaat lokale besturen niet van aansprakelijkheid (bis)

In het kader van een aansprakelijkheidsvordering tegen een deputatie oordeelde het hof van beroep te Gent in een arrest van 18 maart 2011 dat de provincie wel degelijk aansprakelijk is voor de fouten die door de deputatie begaan worden in het kader van uitspraken over de stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning:

“Het hof is van oordeel dat de bestendige deputatie, zijnde orgaan van de provincie, wanneer deze in het kader van een wet of decreet welbepaalde bevoegdheden krijgt toegekend en deze uitoefent – zoals ten deze het (ingevolge de techniek van deconcentratie) aan haar toegekend zijn van een beslissingsbevoegdheid inzake vergunningsaanvragen op het vlak van milieu en stedenbouw, meerbepaald waar zij betreffend in het kader van een administratief beroep een uitspraak doet inzake deze vergunningsaanvraag en aldus beslist deze vergunningen al dan niet toe te kennen – dit niet tot gevolg heeft dat zij als bestendige deputatie bij de uitoefening van deze bevoegdheid die niet zou handelen als orgaan van een andere overheid en aldus in dat kader zou ophouden het orgaan te zijn van de provincie. Want zulks is nergens (duidelijk) bepaald, noch dringt dergelijke redeneerwijze zich op door en binnen het kader van enige daartoe uitgevaardigde en toepasselijke regelgeving.”

Zie ook ons eerder blogbericht van 27 maart 2011.

Referentie : Gent, 18 maart 2011, Nr. 2008/AR/140, ng (D7659-3).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Medebewind, Overheidsaansprakelijkheid
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
27/03/2011

Samenloop van extra-contractuele fouten noch medebewind ontslaan gemeente van aansprakelijkheid. De fout van de schadelijder zelf leidt tot een verdeling van de aansprakelijkheid

Een gemeente werd gedagvaard in aansprakelijkheid omdat nagelaten werd het verval van een verkavelingsvergunning tijdig in een proces-verbaal op te nemen. Daardoor had de koper schade geleden, niettegenstaande hij een landmeter-expert om bijstand had gevraagd.

In een bijzonder interessant vonnis van 3 maart 2011 besliste de rechtbank van eerste aanleg van Brussel dat:

- van een normale zorgvuldige landmeter-expert mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de omstandigheid dat oude verkavelingsvergunningen onder bepaalde voorwaarden van rechtswege vervallen
- de omstandigheid dat de door de landmeter-expert geraadpleegde gemeentelijke dienst hem niet op het vervallen van de verkavelingsvergunningen hebben gewezen, hem niet van zijn eigen verantwoordelijkheid ontslaat om terzake minstens een voorbehoud te formuleren
- bij de uitvoering van de taak opgelegd door artikel 129, 3e lid van het decreet ruimtelijke ordening van 18 mei 1999 (thans artikel 4.4.5 VCRO) het college van burgemeester en schepenen over geen enkele discretionaire bevoegdheid beschikt; het college dient de vergunningen die verleend zijn voor verkavelingen op het grondgebied van de gemeente op te volgen en het verval ervan vast te stellen zodra aan de decretale voorwaarden is voldaan
- de ruimtelijke ordening in het algemeen, en de regeling inzake het verval van de verkavelingsvergunning in het bijzonder, zich niet louter laat beschrijven als een situatie van “medebewind” waarbij de organen van de lokale besturen enkel zouden optreden als uitvoerders van een beleid dat door de hogere overheid wordt bepaald. “De situatie is thans veeleer van gemengde aard; de t aak die aan het college van burgemeester en schepenen wordt toebedeeld in voormeld artikel 129, derde lid, dient zowel de gewestelijke als de gemeentelijke belangen, en moet aldus beschouwd worden als zijnde een taak die voor rekening van zowel het Gewest als de gemeente wordt uitgevoerd.”
- de omstandigheid dat ook het Vlaams Gewest had kunnen aangesproken worden en ook de notarissen verantwoordelijkheid dragen, niet leidt tot een doorbraak van het oorzakelijk verband tussen de fout van de gemeente en de schade
- met de verplichting om het verval van de verkavelingsvergunningen in een proces-verbaal te laten vaststellen, dat aan de houder van de vergunning wordt toegezonden, de decreetgever kennelijk de bedoeling heeft gehad de rechtszekerheid te dienen. Alhoewel in het decreet geen specifieke termijn wordt bepaald, spreekt het vanzelf dat dit diende te gebeuren onmiddellijk na het verval, minstens binnen een korte termijn, zodat de vergunninghouder snel op de hoogte wordt gebracht van de omstandigheid dat zijn vergunning als vervallen wordt beschouwd: “Door gedurende 2,5 jaar nadat de vergunning van rechtswege vervallen is geen proces-verbaal op te stellen waarin het verval wordt vastgesteld, heeft het college van burgemeester en schepenen niet getuigd van een zorgvuldig en behoorlijk bestuur. De nalatigheid van het college blijkt des te meer nu niet blijkt dat er enige systematische opvolging bestond van de verkavelingsvergunningen, en er pas werd opgetreden naar aanleiding van een aanvraag om stedenbouwkundige inlichtingen vanwege een notaris”
- van een normale zorgvuldige vergunninghouder niet moet worden verwacht dat hij zelf het verval van zijn vergunning dient te achterhalen, doch dat het aan de overheid toekomt om de verkavelingsvergunning op het grondgebied van de gemeente op te volgen en de vergunningshouders te verwittigen wanneer de vergunning als vervallen wordt beschouwd
- het oorzakelijk verband in casu grotendeels wordt verbroken doordat de eigenaars zich niet hebben beroepen op de ontbinding van de koop-verkoopovereenkomst wegens een wilsgebrek (dwaling: ze verkeerden immers in de overtuiging dat de verkavelingsvergunning niet vervallen was), minstens doordat niet werd overgegaan tot een poging tot heronderhandeling van de koopprijs. De rechtbank besluit dat de eigenaars niet hebben voldaan aan hun schadebeperkingsplicht, en daardoor een zekere kans hebben verloren om de schade an sich te beperken. Dit leidt, aldus de rechtbank, niet tot een doorbraak van het oorzakelijk verband, doch enkel tot de verdeling van de aansprakelijkheid tussen de eigenaar enerzijds en de gemeente en de landmeter anderzijds. Aldus oordeelt de rechtbank dat de eigenaars 75% van de door hen geleden minwaarde zelf dienen te dragen. De gemeente en de landmeter-expert worden in solidum veroordeeld tot 25%.

Referentie (Rb. Brussel, 3 maart 2011, rolnummer 09/4439/A. PUB502358)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Medebewind, Overheidsaansprakelijkheid, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags