07/07/2016

Middelen Raad van State niet beperkt tot middelen van administratieve beroepsprocedure

De Raad van State is in het arrest nr. 235.284 van 30 juni 2016 overduidelijk:


‘Geen rechtsregel schrijft voor dat de Raad van State in het kader van beroepen tot nietigverklaring enkel kennis kan nemen van grieven of middelen die reeds tijdens de administratieve procedure door de betrokkene werden opgeworpen’.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
01/07/2016

Wanneer begint de 15-dagentermijn voor een UDN-procedure in overheidsopdrachten te lopen?

Ingevolge artikel 23 §1 en §3 van de Overheidsopdrachtenwet van 17 juni 2013 beschikt verzoekende partij over een termijn van 15 kalenderdagen voor het indienen van haar vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, te rekenen vanaf de bekendmaking of de kennisgeving van de gemotiveerde beslissing.

Wanneer begint de termijn dan echt te lopen? De dag van de verzending (per aangetekende zending en per mail) van de beslissing houdende niet-selectie of niet-toewijzing van de opdracht? Of de dag daarna? Of de dag van ontvangst van de aangetekende brief? Of de dag daarna?

Ziehier het antwoord van de Raad van State:

Luidens artikel 23, §§ 1 en 3, van de voormelde wet van 17 juni 2013 dient de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State “op straffe van niet-ontvankelijkheid” te worden ingesteld binnen een termijn van vijftien dagen “vanaf de bekendmaking, de kennisgeving of de kennisneming van de rechtshandeling, al naargelang”. Te dezen vereist artikel 8, § 1, van de wet van 17 juni 2013, dat de aanbestedende instantie onmiddellijk na het nemen van de gemotiveerde gunningsbeslissing kennisgeving doet aan elke inschrijver van wie de offerte onregelmatig is bevonden, van de motieven voor de wering, in de vorm van een uittreksel van de gemotiveerde beslissing. Gelet op de verplichte kennisgeving van de bestreden beslissing dient de in artikel 23, §§ 1 en 3, van de wet van 17 juni 2013, bepaalde beroepstermijn te worden geacht in te gaan met de kennisgeving daarvan aan de verzoekende partij. Krachtens artikel 68 van de wet van 17 juni 2013 gebeurt de berekening van de in deze wet bepaalde termijnen “overeenkomstig Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971  houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden in het Gemeenschapsrecht”. Artikel 3, eerste lid, van deze Richtlijn bepaalt dat “[w]anneer een in dagen […] omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of handeling plaatsvindt, […] de dag waarop deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn [wordt] inbegrepen”.

Uit dit alles moet worden afgeleid dat de termijn om tegen de thans bestreden beslissingen een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State in te stellen aanvangt de dag na de dag waarop de kennisgeving werd verricht. Aangezien de  aangetekende brief ter kennisgeving werd verstuurd op 19 november 2015 en, voor zover als nodig, de bestreden beslissingen per e-mail van dezelfde datum aan de verzoekende partij werden toegestuurd, was de laatste dag om de vordering in te stellen vrijdag 4 december 2015. De vordering dagtekent van maandag 7 december 2015 en is dus niet tijdig. Voorts mag, voor zover als nodig, worden opgemerkt dat de verwerende partij in de kennisgeving de beroepsmogelijkheden heeft vermeld.’

Aldus begint de 15-dagen-termijn te lopen daags na verzending van de aangetekende brief houdende kennisgeving van de overheidsopdracht (verondersteld dat er ook een zending per mail is verstuurd en de beroepsmogelijkheden voor de Raad van State correct werden vermeld.

Referentie: RvS 29 december 2015, nr. 233.367.

21/06/2016

Bestemmingswijziging kan niet als herstel in natura opgelegd worden

Zo oordeelt de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, in het vonnis van 9 juni 2016:

‘De aansprakelijkheid van de overheid ten aanzien van de burger is onderworpen aan het gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregime, zodat er een fout, schade en oorzakelijk verband in die zin van artikel 1382 e.v. BW dient bewezen te worden.

Wanneer de fout, schade en oorzakelijk verband bewezen worden, dient de rechter de overheid te verplichten tot rechtsherstel over te gaan. Dit rechtsherstel dient in principe in natura te gebeuren.

Evenwel is het herstel in natura niet mogelijk wanneer dit onmogelijk is, het rechtsmisbruik vormt, het herstel door het recht wordt uitgesloten of beperkt en wanneer de overheid een appreciatiemarge beschikt.

Wanneer de overheid een appreciatiemarge beschikt en de rechter legt een herstelmaatregel op, dan zou dit de rechtsmacht van de rechter te buiten gaan, aangezien de rechter niet in de plaats kan treden van de overheid.

De veroordeling tot herstel in natura zal slechts mogelijk zijn wanneer het handelen van de overheid kaderde binnen zijn gebonden bevoegdheid en de rechter dan alleen de uitvoering beveelt van wat de overheid had behoren te doen volgens de wettelijke of decretale bepalingen.
Wanneer de overheid daarentegen een appreciatiemarge had en niet op een bepaalde wijze moest optreden, dan kan de rechter de overheid niet verplichten om toch op deze wijze op te treden. 

De door eisers voorgehouden fout in hoofde van verweerders als overheid bestaat er in dat zij verkeerde informatie hebben verstrekt over de stedenbouwkundige bestemming van de percelen.

De rechtbank kan bij het weerhouden van de fout alleen een herstel in natura bevelen, hetgeen in casu zou inhouden de veroordeling van verweerders tot het verstrekken van de juiste informatie naar aanleiding van de aankoop en het behandelen van de vergunningsaanvragen. 
Dit is evenwel onmogelijk, aangezien de aankoop en de vergunningsaanvragen voldongen feiten zijn.

De door eerste verweerster gevraagde veroordeling ten opzichte van haarzelf en tweede verweerster houdt dan ook geen herstel in natura in, maar een compensatiemaatregel om de nadelige gevolgen van de fout op te heffen, te compenseren.
Eerste verweerster vordert te horen zeggen voor recht dat de huidige bestemming van de percelen aangepast moet worden aan de schijn die de overheid heeft gewekt bij de burgers door het verlenen van verkeerde informatie.

Evenwel behoort de bepaling van de bestemming van een perceel tot de uitsluitende bevoegdheid van het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten. Zij bepalen conform het VCRO de ruimtelijke structuurplannen, de ruimtelijke uitvoeringsplannen en de verordeningen. Zij heeft daarbij een discretionaire beoordelingsmacht. De zorg voor de ontwikkeling van de duurzame ruimtelijke ordening zoals omschreven in dit artikel van het VCRO is een gezamenlijke opdracht van deze drie overheden (art. 1.1.3. VCRO).
Maar ook hier kan de rechtbank op grond van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten en het verbod voor de rechter om zijn rechtsmacht te buiten te gaan, de overheid niet opleggen om een perceel een welbepaalde bestemming te geven.
De rechtbank zou enkel kunnen opleggen, nu blijkt dat de stedenbouwkundig ambtenaar de verkeerde stedenbouwkundige informatie heeft verstrekt en dit aan de hand van het plannenregister (bestand met stedenbouwkundige voorschriften, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, verordeningen, …), dat het plannenregister dient aangepast te worden aan de werkelijk door de Vlaamse Overheid bepaalde bestemming. De door de Vlaamse Overheid bepaalde bestemming wijzigen zoals gevorderd valt buiten de rechtsmacht van de rechtbank die zich bij de discretionaire bevoegdheid van de overheid niet in de plaats mag stellen.

Het gewettigd vertrouwen dat bij de burger gecreëerd werd door het op vaste basis en gedurende lange tijd verstrekken van eenzelfde verkeerde informatie kan enkel door de burger ingeroepen worden om haar schade te bewijzen, zijnde de schending van haar rechtmatig belang (zie onder).
Eerste verweerster zal, zo zij van oordeel is dat de bestemming dient gewijzigd te worden, de geëigende procedure dienen te volgen tot wijziging van de stedenbouwkundige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld het rechten van voorstellen op hoger echelon conform artikel 1.3.3. VCRO.

De vordering van eerste verweerster, waarbij tussenkomende partij aansluit, is ongegrond.’

Referentie: Rb. Veurne, 9 juni 2016, AR 15/244/A, ng. (Pub505288)

16/06/2016

Vlaams Gewest in de fout doordat het aankoopplicht bij waardeverminderde RUP’s niet regelt in een uitvoeringsbesluit

Artikel 2.4.10 VCRO luidt als volgt:

Art. 2.4.10. §1. De eigenaar van een onroerend goed kan van het Vlaamse Gewest de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de vaststelling van één of meer al dan niet opeenvolgende ruimtelijke uitvoeringsplannen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. 

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VII, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op deze aankoopplicht. 

§2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de aankoopplicht. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft. 

§3. Het bedrag dat de eigenaar van het Vlaamse Gewest ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar reeds heeft ontvangen ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Hetzelfde geldt wat betreft de bedragen die reeds werden ontvangen ten gevolge van kapitaalschade in de zin van boek 6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. 

Wanneer een eigenaar toepassing maakt van deze aankoopplicht, kan hij jegens het Vlaamse Gewest en met betrekking tot hetzelfde onroerend goed geen aanspraak meer maken op schadeloosstellingen ingevolge planschade of patrimoniumverlies of op de toepassing van enige andere aankoopplicht.’

Tot op vandaag is het nog niet gekomen tot een uitvoeringsbesluit. De Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel meent in een vonnis van 10 mei 2016 dat het Vlaams Gewest hierdoor in de fout is gegaan:

‘De rechtbank oordeelt dat:

a) artikel2.4.10 van de VCRO is op 1 september 2009 in werking getreden, bijna zes jaar geleden, zonder dat de uitvoeringsbesluiten werden genomen. In een vonnis van deze van rechtbank 7 februari 2014, dat ten aanzien van het Vlaamse Gewest gezag van gewijsde heeft, werd zijn overheidsaansprakelijkheid weerhouden.

Wij zijn nu twee jaar later en het Vlaams Gewest heeft nog steeds geen uitvoeringsbesluit genomen terwijl hij weet dat zijn aansprakelijkheid in het gedrang is.

Na tussenkomst van voormeld vonnis heeft de heer Dirk Van Mechelen op 24 mei 2012 een parlementaire vraag nr. 647 gesteld aan de Vlaamse minister van financiën, begroting, werk, ruimtelijke ordening en sport die als volgt antwoordde:

‘Artikel 2.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) voorziet in een aankoopplicht van het Vlaamse Gewest wanneer een onroerend goed door de inwerkingtreding van een of meerdere ruimtelijk uitvoeringsplannen ernstig in waarde vermindert of wanneer de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. 
De nadere voorwaarden en de procedure van deze aankoopplicht, alsook de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs worden volgens paragraaf 2 van artikel 2.4.10 VCRO vastgelegd in een besluit van de Vlaamse Regering.

Tot op heden werd nog geen dergelijk uitvoeringsbesluit vastgesteld aangezien dit in de praktijk weinig of geen problemen blijkt op te leveren. Sinds de inwerkingtreding van de VCRO is namelijk slechts één gerechtelijk dossier gekend waarin men zich beroept op artikel 2.4.10 van de VCRO. Bij vonnis dd. 17 februari 2012 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde werd deze vordering afgewezen wegens verjaring. Tegen deze uitspraak werd beroep aangetekend door de verzoekende partij.

Het lijkt er bijgevolg op dat de stelling van de vraagsteller dat de voormelde aankoopplicht ‘tegemoet komt aan een reële behoefte’ en dat ‘meerdere bedrijven en landbouwers in de problemen komen’, dient te worden genuanceerd. Klaarblijkelijk volstaan de bestaande vergoedingsregelingen zoals planschade, kapitaalschade en gebruikersschade, om tegemoet te komen aan de meeste verzuchtingen van eigenaars en gebruikers van gronden die geconfronteerd worden met een waardevermindering tengevolge van de inwerkingtreding van een ruimtelijk uitvoeringsplan.

Aangezien het ontbreken van een uitvoeringsbesluit in de praktijk weinig of geen problemen blijkt op te leveren, is het volgens mij op dit ogenblik niet prioritair om hierover een ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering voor te leggen’.

M.a.w. was de minister niet op de hoogte van de uitspraak van het vonnis van 7 februari 2012 en wacht de Vlaamse Regering op problemen in de praktijk om een uitvoeringsbesluit vast te stellen. De rechtbank oordeelt dat het Vlaams Gewest een fout begaat, minstens een nalatigheid in de zin van artikelen 1382 of 1383 BW door na te laten binnen een redelijke termijn, de nodige uitvoeringsbesluiten vast te stellen en eerst te wachten dat er zich in de praktijk problemen zouden voordien in plaats van problemen te vermijden, wat van een openbaar bestuur zou mogen worden verwacht.’

Verder stelt de rechtbank:

‘Artikel 2.4.10 VCRO is niet enkel van toepassing indien de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt maar ook wanneer de waardevermindering van het onroerend goed ernstig is.’ 

(...)

‘Met betrekking tot de vraag of artikel 2.4.10 VCRO beperkt is tot gewestelijk ruimtelijke uitvoeringsplannen stelt de rechtbank vast dat voormeld artikel enkel verwijst naar ruimtelijke uitvoeringsplannen en geen onderscheid maakt tussen gewestelijke, dan wel gemeentelijke uitvoeringsplannen.

Het Vlaams Gewest voegt een onderscheid in het decreet dat door de decreetgever niet is voorzien. Deze stelling wordt door de rechtbank niet weerhouden.’

Referentie: Rb. Brussel, 10 mei 2016, AR 2014/6238/A, ng. (Pub505102)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Overheidsaansprakelijkheid, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, VCRO
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/06/2016

Vlaams Gewest in de fout doordat het decretale aankoopplicht bij waardeverminderde RUP’s niet regelt in een uitvoeringsbesluit

Artikel 2.4.10 VCRO luidt als volgt:

‘§1. De eigenaar van een onroerend goed kan van het Vlaamse Gewest de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de vaststelling van één of meer al dan niet opeenvolgende ruimtelijke uitvoeringsplannen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. 

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VII, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op deze aankoopplicht. 

§2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de aankoopplicht. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft. 

§3. Het bedrag dat de eigenaar van het Vlaamse Gewest ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar reeds heeft ontvangen ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Hetzelfde geldt wat betreft de bedragen die reeds werden ontvangen ten gevolge van kapitaalschade in de zin van boek 6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. 

Wanneer een eigenaar toepassing maakt van deze aankoopplicht, kan hij jegens het Vlaamse Gewest en met betrekking tot hetzelfde onroerend goed geen aanspraak meer maken op schadeloosstellingen ingevolge planschade of patrimoniumverlies of op de toepassing van enige andere aankoopplicht.’

Tot op vandaag is het nog niet gekomen tot een uitvoeringsbesluit. De Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel meent in een vonnis van 10 mei 2016 dat het Vlaams Gewest hierdoor in de fout is gegaan:

De rechtbank oordeelt dat:

a) artikel2.4.10 van de VCRO is op 1 september 2009 in werking getreden, bijna zes jaar geleden, zonder dat de uitvoeringsbesluiten werden genomen. In een vonnis van deze van rechtbank 7 februari 2014, dat ten aanzien van het Vlaamse Gewest gezag van gewijsde heeft, werd zijn overheidsaansprakelijkheid weerhouden.

Wij zijn nu twee jaar later en het Vlaams Gewest heeft nog steeds geen uitvoeringsbesluit genomen terwijl hij weet dat zijn aansprakelijkheid in het gedrang is.

Na tussenkomst van voormeld vonnis heeft de heer Dirk Van Mechelen op 24 mei 2012 een parlementaire vraag nr. 647 gesteld aan de Vlaamse minister van financiën, begroting, werk, ruimtelijke ordening en sport die als volgt antwoordde:

‘Artikel 2.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) voorziet in een aankoopplicht van het Vlaamse Gewest wanneer een onroerend goed door de inwerkingtreding van een of meerdere ruimtelijk uitvoeringsplannen ernstig in waarde vermindert of wanneer de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. 
De nadere voorwaarden en de procedure van deze aankoopplicht, alsook de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs worden volgens paragraaf 2 van artikel 2.4.10 VCRO vastgelegd in een besluit van de Vlaamse Regering.

Tot op heden werd nog geen dergelijk uitvoeringsbesluit vastgesteld aangezien dit in de praktijk weinig of geen problemen blijkt op te leveren. Sinds de inwerkingtreding van de VCRO is namelijk slechts één gerechtelijk dossier gekend waarin men zich beroept op artikel 2.4.10 van de VCRO. Bij vonnis dd. 17 februari 2012 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde werd deze vordering afgewezen wegens verjaring. Tegen deze uitspraak werd beroep aangetekend door de verzoekende partij.

Het lijkt er bijgevolg op dat de stelling van de vraagsteller dat de voormelde aankoopplicht ‘tegemoet komt aan een reële behoefte’ en dat ‘meerdere bedrijven en landbouwers in de problemen komen’, dient te worden genuanceerd. Klaarblijkelijk volstaan de bestaande vergoedingsregelingen zoals planschade, kapitaalschade en gebruikersschade, om tegemoet te komen aan de meeste verzuchtingen van eigenaars en gebruikers van gronden die geconfronteerd worden met een waardevermindering tengevolge van de inwerkingtreding van een ruimtelijk uitvoeringsplan.

Aangezien het ontbreken van een uitvoeringsbesluit in de praktijk weinig of geen problemen blijkt op te leveren, is het volgens mij op dit ogenblik niet prioritair om hierover een ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering voor te leggen’.

M.a.w. was de minister niet op de hoogte van de uitspraak van het vonnis van 7 februari 2012 en wacht de Vlaamse Regering op problemen in de praktijk om een uitvoeringsbesluit vast te stellen. De rechtbank oordeelt dat het Vlaams Gewest een fout begaat, minstens een nalatigheid in de zin van artikelen 1382 of 1383 BW door na te laten binnen een redelijke termijn, de nodige uitvoeringsbesluiten vast te stellen en eerst te wachten dat er zich in de praktijk problemen zouden voordien in plaats van problemen te vermijden, wat van een openbaar bestuur zou mogen worden verwacht.’

Verder stelt de rechtbank:

‘Artikel 2.4.10 VCRO is niet enkel van toepassing indien de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt maar ook wanneer de waardevermindering van het onroerend goed ernstig is.’ 

En nog:

‘Met betrekking tot de vraag of artikel 2.4.10 VCRO beperkt is tot gewestelijk ruimtelijke uitvoeringsplannen stelt de rechtbank vast dat voormeld artikel enkel verwijst naar ruimtelijke uitvoeringsplannen en geen onderscheid maakt tussen gewestelijke, dan wel gemeentelijke uitvoeringsplannen.

Het Vlaams Gewest voegt een onderscheid in het decreet dat door de decreetgever niet is voorzien. Deze stelling wordt door de rechtbank niet weerhouden.’

Referentie: Rb. Brussel, 10 mei 2016, AR 2014/6238/A, ng. (Pub505102).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Aankoopplicht, Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags