01/07/2015

Geen verplichting om proceduremogelijkheden voor Raad van State te duiden bij impliciete beslissingen

Zo oordeelt het Grondwettelijk Hof in haar arrest nr. 93/2015  van 25 juni 2015:

Een impliciete beslissing die het gevolg is van het verstrijken van de tijd, maakt in beginsel niet het voorwerp uit van een kennisgeving aan de bestuurde. Een beslissing van dergelijke aard zou bijgevolg niet redelijkerwijze kunnen worden verweten niet de vermeldingen van het beroep bij de Raad van State en de voorwaarden van dat beroep te bevatten. De oorspronkelijke beslissing die impliciet wordt bevestigd, zou evenmin kunnen worden verweten dat beroep bij de Raad van State niet te vermelden. In dat stadium van de procedure is de betwiste individuele handeling immers geen handeling die in laatste aanleg voor de Raad van State kan worden aangevochten.

De in het geding zijnde bepaling streeft een wettig doel na in zoverre zij ertoe strekt de beginselen van rechtszekerheid en van het recht op toegang tot de rechter met elkaar te verzoenen. Zij doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokkene door niet te voorzien in de toepassing ervan vanaf het beginstadium van de procedure. Wanneer een beroep wordt ingesteld op grond van artikel 11 van de wet van 13 augustus 2004 kan de bestuurde de gevolgen die de wet verbindt aan de eventuele ontstentenis van een beslissing van het ICD, namelijk dat de beroepstermijn voor de Raad van State aanvangt vanaf het verstrijken van de termijn van artikel 11, §5 van de wet van 13 augustus 2004, immers niet over het hoofd zien. Een dergelijk gevolg dat door de wet is voorgeschreven, waarborgt op voldoende wijze de zekerheid van de bestuurde.

De prejudiciële vraag dient bijgevolg ontkennend te worden beantwoord.’

Lees hier het bericht op onze blog Grondwettelijk recht.
29/03/2013

Vernietiging van de impliciete beslissing in overheidsopdrachten wordt uitzondering

Benadeelde inschrijvers vragen op de eerste plaats de vernietiging van de expliciete gunningsbeslissing. Doorheen de jaren was er evenwel ook een jurisprudentiële techniek gegroeid om ook de impliciete weigering tot gunning van de opdracht aan de benadeelde inschrijver aan te vechten. Het doel hiervan bestaat erin de verzoeker ruimere waarborgen te verschaffen wat het rechtsherstel betreft dat na een nietigverklaring door de overheid moet worden verstrekt.

In een arrest van 1 februari 2013 oordeelde de Raad van State in verenigde kamers dat de aanvechting van de impliciete beslissing in het kader van overheidsopdrachten in uitzonderlijke gevallen mogelijk moet blijven, met name wanneer de verzoekende partij in zijn middelen aannemelijk maakt dat de opdracht aan hem gegund moest worden.

Voordien stonden de Franstalige en Nederlandstalige rechtspraak binnen de Raad van State diametraal tegenover mekaar : volgens de Franstalige rechtspraak was het beroep tegen de impliciete beslissing om bij een offerteaanvraag de opdracht niet aan de verzoekende partij te gunnen hoe dan ook onontvankelijk, terwijl volgens de Nederlandstalige rechtspraak het beroep juist wel ontvankelijk was.

Niettegenstaande de Auditeur het standpunt van de Franstalige Kamer van de Raad van State genegen was, is uiteindelijk gekozen voor de gulden middenweg.

Aansluitend oordeelde de Raad dat dit niet noodzakelijk inhoudt dat de verzoekende partij zich moet beroepen op een wettelijke of reglementaire bepaling op grond waarvan het oordeel aan hem diende te worden verleend, maar dat vernietiging van de impliciete beslissing ook mogelijk is wanneer er voor de overheid initieel een discretionaire beoordelingsmarge bestond, maar de gegeven omstandigheden ertoe leiden dat die overheid niet wettig (meer) vermag te weigeren het voordeel aan de verzoeker te geven.

Naschrift 29 maart 2013.
In dezelfde zin oordeelde de Raad van State in het arrest nr. 222.984 van 26 maart 2013 waarin verwerende partij nochtans had nagelaten om tijdig een memorie van antwoord en een administratief dossier in te dienen. Daardoor was artikel 21, 3e lid R.v.S.-Wet van toepassing dat stelt dat in dergelijk geval de door verzoekende partij aangehaalde feiten als bewezen worden geacht, tenzij deze kennelijk onjuist zijn.

De Raad van State overweegt:

‘De Raad van State gaat slechts in uitzonderlijke omstandigheden over tot de vernietiging van de impliciete weigeringsbeslissing zo bijvoorbeeld wanneer uit de gegrond bevonden middelen zou blijken dat het aan de [gegunde inschrijver] verstrekte voordeel aan verzoekende partij had moeten zijn toegekend.

De uitzonderlijke omstandigheden worden hier niet aangetoond.’

Referentie: (pub503707)  R.v.S., arrest nr. 222.984 van 26 maart 2013.
Tags