27/02/2018

Spoedeisendheid volgens de Raad van State

In het arrest nr. 240.814 van 26 februari 2018 legt de Raad van State nog eens haarfijn uit wanneer er voldoende spoedeisendheid is om een schorsingsprocedure te kunnen voeren en wanneer niet;

'Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om aan haar zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de b-streden beslissing is.

In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd'.

De radio-omroep die een nieuwe erkenning mlisliep leverde azlleszins geen voldoende bewijs op van het bestaan van ernstige nadelige gevolgen:

'Daarnaast gaat verzoekster eraan voorbij dat zij, in afwachting van een arrest over het annulatieberoep, haar activiteiten kan voortzetten door radio-uitzendingen te verzorgen op een andere wijze dan via FM. Dat lijkt ook effectief het geval te zijn, aangezien zij ook na 1 januari 2018 uitzendt via DAB+, digitale televisie en internet. Zij lijkt tevens over een eigen app te beschikken waarmee haar uitzending op smartphones kan worden beluisterd. Verzoekster heeft in haar uiteenzetting van de spoedeisendheid in haar verzoekschrift op geen enkele wijze rekening gehouden met deze uitzendmogelijkheden en refereert tot tweemaal toe op absolute wijze aan “het gebrek aan uitzendingen”. Aldus geeft zij de rechter geen getrouw beeld van haar situatie, wat een proceshouding is die op zich reeds niet beter verdient dan de verwerping van de vordering. Dat verzoekster op de terechtzitting toelicht dat deze uitzendmogelijkheden geen volwaardig alternatief vormen, noch voor het luisterbereik, noch voor de reclame-inkomsten, is laattijdig'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Hoogdringendheid&Spoedeisendheid, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/07/2017

Een onwettigheid volstaat niet om de spoedeisendheid voor de Raad van State te verantwoorden

Het evidente wordt als volgt bevestigd in het arrest nr. 238.702 van 29 juni 2017:

'De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).

Het louter uitvoerbaar karakter van een (reglementair) besluit toont op zich de spoedeisendheid van een vordering niet aan. Voor zover de verzoekende partij zich daarbij beroept op het onwettig handelen van de overheid, betreft dit een argument dat betrekking heeft op de schorsingsvoorwaarde van de ernst van de middelen. Er dient in dit verband te worden benadrukt dat de voorwaarde van de spoedeisende aard van de vordering een schorsingsvoorwaarde is die afzonderlijk moet worden onderzocht. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd, zijn op zich geen reden om het bestaan van de spoedeisendheid te aanvaarden'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Hoogdringendheid&Spoedeisendheid, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
03/10/2016

Vrees voor verkeersproblemen is voor RvVb geen evidente schorsingsgrond

In het arrest nr. RvVb/S1617/0089 overweegt de Raad voor Vergunningsbetwistingen:

‘Hoewel de verzoekende partij stelt veiligheids- en parkeerproblemen te zullen ondervinden als gevolg van de gewijzigde weguitrusting, blijft zij vooreerst in gebreke aan te tonen dat de geschetste nadelen hun oorzaak vinden in de bestreden beslissing zelf.

De geschetste mobiliteit – en parkeerproblematiek lijkt immers in de eerste plaats betrekking te hebben op de wijze waarop verkeer wordt toegelaten in de zone, met name het in de wijk na uitvoering van de werken toegelaten snelheidsregime, richtingsverkeer en/of parkeerbeleid. De realisatie van het wegdek met gracht en naastliggende berm verhindert niet dat het verkeer – indien blijkt dat tweerichtingsverkeer gecombineerd met parkeren op de berm tegen een snelheid van 50 km/u gevaarlijke situaties zou doen ontstaan, op een andere wijze kan worden georganiseerd, zoals bijvoorbeeld snelheidsbeperkingen, eenrichtingsverkeer en/of een verbod om op (bepaalde plaatsen op) de bermen te parkeren. De verzoekende partij lijkt bij de overweging omtrent de ‘onherroepelijkheid van de werken’ niet stil te staan bij de impact van een gewijzigde verkeersorganisatie in de wijk op de door haar geschetste nadelige gevolgen.’

De vordering tot schorsing wordt verworpen'.

30/09/2016

Kan een gewone, anticipatieve schorsing voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen nog?

Na lezing van het arrest nr. RvVb/S1617/0089 van 20 september 2016 zou je daaraan twijfelen:

De bewering dat de vrees bestaat dat ‘de bouwheer de bouwwerken snel zal aanvatten’ – in een voetnoot verwijzend naar de grote vertragingen die het project reeds heeft opgelopen – kan tenslotte niet overtuigen dat de afhandeling van de vernietigingsprocedure te laat zal komen om de geschetste nadelen voor de verzoekende partij persoonlijk te voorkomen. De Raad merkt op dat de werken de heraanleg van de bestrating in een hele wijk behelzen, hetgeen impliceert dat de bestaande bestrating dient te worden opgebroken en wellicht een planmatige aanpak vereist is voor de uitvoering van de stedenbouwkundige vergunning, die ondermeer de aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel omvat, het opbreken van de bestaande inbuizing en de aanleg van een nieuwe brede gracht. De verzoekende partij beperkt zich tot eerder vage bemerkingen waarmee het hoogdringend karakter van de vordering niet wordt aangetoond. De vrees om voor voldongen feiten geplaatst te worden omwille ook van het publiekrechtelijk karakter van de tussenkomende partij, wordt met geen enkel gegeven gestaafd'.

Nu een schorsingsprocedure, ook bij uiterst dringende noodzakelijkheid, lopende de vernietigingsprocedure kan ingediend worden, lijkt de gewone anticipatieve, preventieve schorsingsprocedure in het gedrang te komen.  Het is immers niet gemakkelijk om te bewijzen dat er een reële dreiging is tot aanvang van de werkzaamheden, zeker indien de vergunningshouder zich daarover niet uitspreekt.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Hoogdringendheid&Spoedeisendheid, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/09/2016

Vrees voor verkeersproblemen is voor de RvVb geen evidente reden van hoogdringendheid in schorsingsprocedure

In het arrest nr. RvVb/S1617/0089 overweegt de Raad voor Vergunningsbetwistingen:

Hoewel de verzoekende partij stelt veiligheids- en parkeerproblemen te zullen ondervinden als gevolg van de gewijzigde weguitrusting, blijft zij vooreerst in gebreke aan te tonen dat de geschetste nadelen hun oorzaak vinden in de bestreden beslissing zelf.

De geschetste mobiliteit – en parkeerproblematiek lijkt immers in de eerste plaats betrekking te hebben op de wijze waarop verkeer wordt toegelaten in de zone, met name het in de wijk na uitvoering van de werken toegelaten snelheidsregime, richtingsverkeer en/of parkeerbeleid. De realisatie van het wegdek met gracht en naastliggende berm verhindert niet dat het verkeer – indien blijkt dat tweerichtingsverkeer gecombineerd met parkeren op de berm tegen een snelheid van 50 km/u gevaarlijke situaties zou doen ontstaan, op een andere wijze kan worden georganiseerd, zoals bijvoorbeeld snelheidsbeperkingen, eenrichtingsverkeer en/of een verbod om op (bepaalde plaatsen op) de bermen te parkeren. De verzoekende partij lijkt bij de overweging omtrent de ‘onherroepelijkheid van de werken’ niet stil te staan bij de impact van een gewijzigde verkeersorganisatie in de wijk op de door haar geschetste nadelige gevolgen.’

De vordering tot schorsing wordt verworpen'.

Tags