18/04/2018

Wijziging verjaringstermijn voor bestuurlijke maatregelen bij milieuschendingen op komst?

De Vlaamse regering heeft op 29 maart 2018 een ‘Ontwerp van decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009’ neergelegd bij het Vlaams Parlement.

Dit wijzigingsdecreet omvat een aantal bepalingen i.v.m. de verjaring van de mogelijkheid tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen en de beroepsmogelijkheden dienaangaande. De regeling m.b.t. de bestuurlijke dwangsom wordt geïntegreerd in de regeling m.b.t. de bestuurlijke maatregelen. Deze wijzigingen beogen voornamelijk de huidige regeling te optimaliseren, zodat deze meer rechtszekerheid biedt voor de rechtsonderhorige. Daarnaast wordt dit wijzigingsdecreet aangegrepen om een aantal bepalingen verder te optimaliseren en in overeenstemming te brengen met de praktijkervaring van alle betrokken handhavingsactoren. Zo wordt de omschrijving van het toepassingsgebied van titel XVI van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) licht gewijzigd, wordt er op een aantal punten een terminologische uniformisering doorgevoerd, wordt het niet meewerken aan de identificatie strafbaar gesteld, etc. Tot slot wordt het DABM meer afgestemd op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO).

Opmerkelijk is de verjaringsregeling voor bestuurlijke maatregelen bij milieuschendingen. Milieu-inbreuken en milieumisdrijven verjaren thans 5 jaar nadat er een verslag van vaststeling of proces-verbaal werd opgesteld. Daarna kunnen er geen bestuurlijke maatregelen meer opgelegd worden. Maar wat als de milieuschending - bv. een bodemverontreiniging - pas veel later wordt ontdekt? Het ontwerpdecreet bepaalt dat er voortaan een dubbele verjaringstermijn zou gelden: de (eerste) bestuurlijke maatregel moet in elk geval binnen de 5 jaar na het pv of verslag van vaststelling opgelegd worden. En er kunnen geen bestuurlijke maatregelen meer opgelegd worden 20 jaar na het plegen van de feiten.

Dit verjaringsregime is bekend bij extracontracontuele aansprakelijkheid (artikel 2262bis Ger.W.), maar is nieuw in het omgevingsrecht.

We willen u niet onthouden van de reactie van de Minaraad:

'M.b.t. de verjaringstermijn van 20 jaar vraagt de Minaraad om verduidelijking en grondigere onderbouwing waarom de voorgestelde verjaringstermijn anders is dan de termijn die vervat is in bijvoorbeeld de VCRO en die veel korter is en waar het om een vergelijkbare functionaliteit gaat. In de memorie van toelichting werd dienaangaande verduidelijkt dat deze langere verjaringstermijn wordt verantwoord vanuit het gegeven dat milieuschendingen in aard essentieel verschillend zijn van andere (stedenbouwkundige) misdrijven, waarbij de gevolgen van (bepaalde) milieuschendingen zich pas veel later na het feit/milieu-inbreuk/milieumisdrijf manifesteren of kenbaar worden. Teruggrijpen naar de dertigjarige verjaringstermijn, zoals deze wordt vooropgesteld in artikel 2227ter, §1, van het Burgerlijk Wetboek voor vorderingen tot vergoeding van maatregelen ter voorkoming of herstel van milieuschade en ook is voorzien in het kader van de milieuschaderegeling, werd m.b.t. de bestuurlijke maatregelen dan weer als onredelijk lang ervaren.

De Minaraad wijst verder op het belang van een decretale bevoegdheid voor de overheid om de nodige herstelmaatregelen (zonder kostenverhaal) te nemen, ook na het verstrijken van de twintigjarige verjaringstermijn. De verjaring heeft immers niet tot gevolg dat de milieuschade verdwijnt. Het inschrijven van dergelijke decretale bevoegdheid wordt niet wenselijk geacht aangezien dit tot ongewenste gevolgen kan leiden. Zo zou men bijvoorbeeld kunnen denken aan de situatie waarin men plots zou besluiten tot het heraanplanten van een bos, jaren nadat dit
gekapt werd en waarbij er intussen mogelijk al een andere bestemming aan het perceel werd gegeven.

Wat de schorsingsmogelijkheden van de verjaringstermijnen betreft, vraagt de Minaraad verduidelijking aangaande de concrete toepassing ervan. De Raad gaat er terecht vanuit dat de situaties waarin de verjaringstermijn geschorst wordt, beperkt
blijven tot deze die expliciet voorzien worden in het ontwerp van decreet. De initiële bestuurlijke maatregel die wordt opgelegd naar aanleiding van een vastgestelde milieuschending, moet dus plaatsvinden binnen de 20 jaar nadat de milieuschending werd gepleegd. De twintigjarige termijn betreft een absolute maximumtermijn die niet wordt overruled door de korte vijfjarige termijn indien het eindpunt hiervan zou liggen na het eindpunt van de twintigjarige termijn'.

 

 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving milieu
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags