26/12/2017

Bekendmaking adviezen Raad van State mag worden uitgesteld tot na bekendmaking van het besluit, aldus Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof heeft op 21 december 2017 meer gedaan dan enkel de potpourriwet III deels te vernietigen.  Het Hof werd dezelfde dag gevat - onder meer door de vzw Ademloos - door een rechtstreeks vernietigingsberoep tegen de  de artikelen 3 en 4 van de wet van 16 augustus 2016 tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, met het oog op de bekendmaking van de adviezen van de afdeling wetgeving.  Deze publicatieplicht is immers niet volledig.  Bij een advies dat betrekking heeft op amendementen op een ontwerp of op een voorstel, vindt de bekendmaking pas bij de indiening daarvan plaats of, indien na de indiening om het advies wordt verzocht, wanneer het advies wordt bezorgd aan de assemblee die erom heft verzocht.  Bij een advies dat betrekking heeft op een ontwerpbesluit of op een ontwerpbesluit tot algemeen verbindend-verklaring van een collectieve arbeidsovereenkomst, vindt de bekendmaking slechts plaats indien dat besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Het Grondwettelijk Hof verwerpt het beroep:

'B.6. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 23 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het Verdrag van Aarhus, met de richtlijn 2003/4/EG en met artikel 160 van de Grondwet, omdat de artikelen 5/2, derde lid, en 5/3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gelijke situaties op een verschillende manier zouden behandelen.

B.7. Zoals vermeld in B.4.4 is het middel niet ontvankelijk in zoverre het uit een schending van artikel 23 van de Grondwet is afgeleid. Gelet op de beperkte draagwijdte van het belang van de verzoekende partijen bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, vermeld in B.3.6, is het middel niet ontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op artikel 5/3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

B.8. Op grond van artikel 5/2, derde lid, van dezelfde gecoördineerde wetten vindt de bekendmaking van een advies dat betrekking heeft op een ontwerpbesluit slechts plaats indien dat besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De verzoekende partijen voeren met name aan dat een norm weliswaar pas verbindend is na de bekendmaking ervan, maar dat burgers reeds rechten kunnen ontlenen aan een nog niet bekendgemaakte norm. Er zou geen redelijke verantwoording bestaan om de bekendmaking van het advies te ontzeggen aan de categorie van burgers die rechten ontlenen aan een reeds aangenomen maar nog niet bekendgemaakte norm.

B.9. De keuze van de wetgever om de bekendmaking van de adviezen over besluiten die doorgang vinden, vast te leggen op het ogenblik van de bekendmaking van het reglementair besluit in het Belgisch Staatsblad, houdt verband met artikel 190 van de Grondwet, dat bepaalt dat een norm pas verbindend wordt zodra hij is bekendgemaakt. Het is redelijk verantwoord de rechtsonderhorige inzage te verlenen in het advies zodra het besluit verbindend wordt'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/12/2017

Antwerpse lage-emmissiezone doorstaat toets Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof heeft met arrest nr. 144/2017 van 14 december 2017 het vernietigingsberoep verworpen tegen de gemeentelijke beslissing van de stad Antwerpen betreffende lage-emissiezone, het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 november 2015 betreffende lage-emissiezones, het besluit van de Vlaamse overheid van 26 februari 2016 en het programmadecreet 2017 van de Vlaamse overheid.

Logisch ook, gelet op de kennelijke onontvankelijkheid van de vordering:

'B.2. Het Grondwettelijk Hof is bevoegd om uitspraak te doen over beroepen tot vernietiging van wetten, decreten en ordonnanties (artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof). Een dergelijk beroep kan met name worden ingesteld door iedere natuurlijke of rechtspersoon die doet blijken van een belang (artikel 2) en dit binnen een termijn van zes maanden of, indien het gaat om een akte houdende instemming met een verdrag, binnen een termijn van zestig dagen na de bekendmaking van de betrokken wettelijke norm (artikel 3). Het beroep tot vernietiging wordt bij het Hof aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift (artikel 5), dat het onderwerp van het beroep vermeldt en een uiteenzetting van de feiten en middelen bevat (artikel 6).

B.3. Het Hof is niet bevoegd om te oordelen over het beroep tegen een gemeentelijke beslissing of tegen een besluit van de Vlaamse Regering, die geen wetskrachtige normen zijn. Het staat aan de bevoegde rechter om, in voorkomend geval met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, na te gaan of de desbetreffende bepalingen bestaanbaar zijn met hogere rechtsnormen.

B.4. In zoverre het beroep voorts gericht is tegen het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 november 2015 betreffende lage-emissiezones, dat werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 december 2015, en tegen het Vlaamse decreet van 23 december 2016 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2017, dat werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2016, is het buiten de voormelde termijn van zes maanden ingediend'.

Publius was als adviseur betrokken bij de totstandkoming van deze regelgeving.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/06/2017

Nu ook prejudiciële vraagstelling in verband met overgangsregeling met betrekking tot vervaltermijn van handelsvestigingsvergunningen

In ons eerder blogbericht berichtten we u over het beperkt vernietigingsberoep dat werd ingesteld tegen het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid en meer in het bijzonder met betrekking tot de artikelen 52 en 59, 4° DIH.

Inmiddels werden in het kader van een vernietigingsprocedure van een handelsvestigingsvergunning voor de Raad van State bij arrest nr. 238.415 van 6 juni 2017 volgende bijkomende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof gesteld:

  1. Schenden de artikelen 52 j° 59, 4° Handelsvestigingsdecreet de artikelen 10 en 11 Grondwet j° het rechtszekerheidsbeginsel doordat handelsvestigingsvergunningen die na 1 juli 2014 vervallen zijn alsnog herleven, terwijl handelsvestigingsvergunningen die op 1 juli 2014 reeds vervallen waren niet herleven, zelfs al wordt aan de inhoudelijke voorwaarden van artikel 52 voldaan?
  2. Schenden de artikelen 52, 1ste lid j° 59, 4° Handelsvestigingsdecreet de artikelen 10 en 11 Grondwet j° artikel 6, 1° EVRM j° het rechtszekerheidsbeginsel doordat vervallen handelsvestigingsvergunningen komen te herleven als gevolg van een vernietigingsprocedure bij de Raad van State die door derden-belanghebbenden werd ingesteld op een ogenblik dat dit vernietigingsberoep dergelijk effect niet had, a fortiori indien de houder van de handelsvestigingsvergunning geen gebruik heeft gemaakt van de verlengingsmogelijkheid van artikel 13 Handelsvestigingswet?
  3. Schenden de artikelen 52, 2de lid j° 59, 4° Handelsvestigingsdecreet de artikelen 10 en 11 Grondwet j° het rechtszekerheidsbeginsel doordat de koppeling tussen de handelsvestigingsvergunning, de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning met terugwerkende kracht wordt ingesteld op alle handelsvestigingsvergunningen die nog niet waren vervallen op 1 juli 2014 in plaats van op alle handelsvestigingsvergunningen die werden aangevraagd na 1 juli 2014?
  4. Schendt artikel 52, 2de lid Handelsvestigingsdecreet in die interpretatie dat geen rekening wordt gehouden met definitief geweigerde stedenbouwkundige vergunningen, alhoewel zij dateren van na 1 juli 2014 en na afgifte van de handelsvestigingsvergunning, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet j° artikel 6, 1° EVRM doordat de vervaltermijn van de op 1 juli 2014 niet vervallen handelsvestigingsvergunning geschorst blijft zolang geen definitieve stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning is verleend, terwijl de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning van rechtswege vervallen indien de gekoppelde vergunning definitief geweigerd wordt

Wordt vervolgd...

Aarzel alvast niet ons te contacteren mocht u hierover vragen en/of opmerkingen hebben!  

15/05/2017

Beperkt vernietigingsberoep tegen het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid

Op 29 juli 2016 werd het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid (DIH) gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Met verzoekschriften van 26 januari 2017 werd door de stad Vilvoorde en nv Alcovil een beroep tot vernietiging van de artikelen 52 en 59, 4° DIH aangetekend bij het Grondwettelijk Hof (rolnrs. 6603 en 6604).

Artikel 52 DIH voert een overgangsregeling in met betrekking tot de vervaltermijn van de op datum van de regionalisering van de handelsvestigingsmaterie (1 juli 2014) nog geldende handelsvestigingsvergunningen: 

'De vervaltermijn voorzien in artikel 13 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen voor nog geldende vergunningen voor handelsvestigingen die verleend werden
met toepassing van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen en de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, wordt geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de vergunning aanhangig is bij de Raad van State en zolang een beroep tot vernietiging van eventuele andere vergunningen, machtigingen of toelatingen, benodigd voor het project, aanhangig is bij de Raad van State of de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Dezelfde vervaltermijn, wanneer van toepassing op een socioeconomische vergunning voor een handelsvestiging waarvoor eveneens een stedenbouwkundige of een milieuvergunning nodig is, wordt geschorst zolang de stedenbouwkundige vergunning of de milieuvergunning niet definitief werd verleend. In dat geval gaat de termijn bepaald in artikel 13 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen pas in op de dag dat de stedenbouwkundige vergunning en/of de milieuvergunning definitief wordt verleend.'


Artikel 59, 4° DIH regelt de inwerkingtreding van artikel 52 DIH. Het artikel heeft meer in het bijzonder een retroactieve uitwerking vanaf 1 juli 2014.

Verzoekende partijen voeren volgende grieven aan tegen de artikelen 52 en 59, 4° DIH:

  • Zij voeren beiden aan dat de verantwoording van artikel 59, 4°, DIHB die is opgenomen in de memorie van toelichting bij het ontwerp van het bestreden decreet niet volstaat om de terugwerkende kracht ervan te rechtvaardigen. Zij menen bovendien dat niet is aangetoond waarom de terugwerkende kracht onontbeerlijk zou zijn;
  • Volgens de stad Vilvoorde ligt er ook een schending voor van de bevoegdheidsverdelende regeling, in zoverre de terugwerkende kracht van artikel 52 DIHB tot gevolg heeft dat reeds vervallen socio-economische vergunningen zouden herleven. Zij meent dat de decreetgever op het ogenblik van het goedkeuren van de bestreden regeling op grond van artikel 6, §5bis, BWHI, de regeringen van de betrokken gewesten in kennis had moeten stellen van de ontwerpen van handelsvestiging die onder het toepassingsgebied van deze bepaling van de bijzondere wet vallen;
  • Volgens de stad Vilvoorde zou de terugwerkende kracht van artikel 52 DIHB bovendien niet in overeenstemming zijn met het Europees recht, aangezien dit volgens haar tot gevolg zou hebben dat reeds vervallen socio-economische vergunningen zouden herleven, zonder dat er bij de initiële vergunning een milieueffectbeoordeling werd uitgevoerd, en zonder dat bij het opnieuw goedkeuren, door middel van de bestreden bepaling, een milieueffectenbeoordeling heeft plaatsgevonden;
  • De NV Alcovil meent tot slot dat de precieze draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van artikel 52 DIHB niet duidelijk zijn, wat tot rechtszonzekerheid zou leiden.

Ook de Vlaamse regering meldde inmiddels zijn tussenkomst bij het Grondwetttelijk Hof (lees hier de mededeling van de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport aan de Vlaamse regering).

Wordt ongetwijfeld vervolgd... 

 

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Grondwettelijk Hof, Handelsvestigingen, Integraal handelsvestigingenbeleid, Leandra Decuyper
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
26/12/2016

Structuurplannen en stedenbouwkundig beleid van geen tel bij planschadevorderingen

In het prejudicieel arrest nr. 164/2016 van 22 december 2016 zegt het Grondwettelijk Hof voor recht:

'Artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schendt de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie dat bij het onderzoek of het perceel de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het definitieve ruimtelijk uitvoeringsplan stedenbouwkundig in aanmerking komt voor bebouwing, ook rekening wordt gehouden met het stedenbouwkundig beleid, zoals dat blijkt uit de structuurplannen en uit het vergunningenbeleid van het bestuur.'

Het Hof overweegt:

'B.12.1. Een ruimtelijk bestemmingsplan verleent de eigenaar geen subjectief recht op de verlening van een vergunning. De overheid mag zich uitspreken over de wijze van uitoefenen van de bouwmogelijkheden in het licht van de goede ruimtelijke ordening en van het algemeen belang.

B.12.2. Het komt de vergunningverlenende overheid evenwel niet toe om van de bindende en verordenende voorschriften van de ruimtelijke bestemmingsplannen af te wijken op grond van een recente urbanistische beleidsoptie of van een ruimtelijk structuurplan (Rvst, 24 juni 2009, nr. 194.614).

B.12.3. Aldus kan haar beleid er in beginsel niet toe leiden dat een perceel in geen enkel opzicht of onder geen enkele voorwaarde meer voor bebouwing in aanmerking kan komen, wanneer dat volgens de verordenende bestemmingsvoorschriften wel het geval is. Een wijziging van het stedenbouwkundig beleid dient, in het licht van de rechtszekerheid, in de eerste plaats tot uiting te komen in een wijziging van de bestemmingsvoorschriften.

B.12.4. Indien de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van een nieuw ruimtelijk uitvoeringsplan, een algeheel bouwverbod zou rusten op een perceel ingevolge het beleid van het vergunningverlenende bestuur, terwijl dat perceel volgens de geldendebestemmingsvoorschriften op dat ogenblik wel voor bebouwing in aanmerking kwam, dan leidt het in aanmerking nemen van dat beleid als voorwaarde voor het verkrijgen van planschadevergoeding tot een onevenredige beperking van het eigendomsrecht, zoals beschermd door de in B.5.1 vermelde bepalingen, vermits afbreuk wordt gedaan aan de bindende en verordenende bestemmingsvoorschriften en aan de rechtmatige verwachtingen die de eigenaar daaraan kan ontlenen.

B.13.1. Het in aanmerking nemen van het vergunningenbeleid zou bovendien een onevenredig zware bewijslast leggen op de eigenaar, die voor de burgerlijke rechter dient aan te tonen dat zijn perceel aan de voorwaarden van artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, van de VCRO voldoet. Immers, zelfs indien het bestuur bij het verlenen van vergunningen bepaalde beleidslijnen hanteert die op algemene wijze kenbaar zijn, dan verhindert dit niet dat elke vergunningaanvraag in concreto moet worden beoordeeld, waarbij, mits motivering, van de algemene beleidslijnen kan worden afgeweken.

B.13.2. Uit de wordingsgeschiedenis van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat de voorwaarden vermeld in artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, van de VCRO erop gericht zijn vast te stellen dat het perceel in kwestie objectieve bouwgrond is. De voorwaarden dat het perceel moet zijn gelegen aan een uitgeruste weg, in de nabijheid van andere bebouwing moet liggen en technisch geschikt moet zijn voor bebouwing, zijn feitelijke elementen, die de eigenaar kan aantonen en die, bij betwisting, ter plaatse kunnen worden onderzocht.

B.13.3. Het zou evenwel niet redelijk verantwoord zijn van de eigenaar die voor de burgerlijke rechter een vergoeding wegens planschade vordert het bewijs te eisen dat hij, rekening houdend met het stedenbouwkundig beleid van het bestuur, een vergunning zou hebben verkregen, in het hypothetische geval dat hij die de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe ruimtelijk uitvoeringsplan zou hebben gevraagd.

B.13.4. Het bovenstaande heeft evenwel niet tot gevolg dat steeds planschadevergoeding verschuldigd zal zijn wanneer, op basis van een in werking getreden ruimtelijk uitvoeringsplan, een perceel niet meer voor een vergunning om te bouwen of te verkavelen in aanmerking komt, terwijl dat de dag voorafgaand aan de inwerking van dat plan wel het geval was. Er dient immers steeds voldaan te zijn aan de voorwaarden bepaald in artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, van de VCRO die vereisen dat het perceel objectieve bouwgrond is.

B.14. In de interpretatie dat de burgerlijke rechter bij de beoordeling of een perceel stedenbouwkundig in aanmerking kwam voor bebouwing ook rekening dient te houden met het vergunningenbeleid van het bestuur zoals van toepassing op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het definitieve ruimtelijk uitvoeringsplan, schendt artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, 2°, van de VCRO de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.15. De prejudiciële vraag dient in die interpretatie bevestigend te worden beantwoord.'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Planschade
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags