15/12/2016

Geen ontvankelijke vordering zonder juiste KBO-inschrijving

Aan het Grondwettelijk Hof werd volgende prejudiciële vraag gesteld:

'Schendt artikel III.26, § 2, van het Wetboek van Economisch Recht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, samengelezen met artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het de onderneming die een vordering baseert op een activiteit waarvoor zij op de datum van de inleiding niet is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, sanctioneert met de niet-ontvankelijkheid van de vordering, zonder mogelijkheid tot regularisatie tijdens het geding, hetgeen een onevenredig zware sanctie lijkt te zijn rekening houdend met het doel van de maatregel ?'

Dit is het antwoord van het grondwettelijk Hof in het arrest nr. 160/2016 van 14 december 2016:

'B.5. Het door de verwijzende rechter bedoelde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de al dan niet volledige inschrijving van de onderneming of vestigingseenheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen.

B.6.1. Het vereiste dat de ingestelde vordering, wil zij ontvankelijk zijn, moet zijn gebaseerd op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen of op een activiteit die valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven, gaat terug op de algemene doelstelling die aan de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister ten grondslag ligt. Met die wetgeving beoogde de wetgever immers het zwartwerk te bestraffen van diegenen die een handelswerkzaamheid uitoefenen zonder de juridische, sociale en fiscale gevolgen ervan te dragen en de maatregel strekte ertoe die handelaars de toegang tot de rechtszaal te ontzeggen (Hand., Senaat, 1955-1956, zitting van 29 november 1956, p. 47; Pasin., 1956, pp. 519-520). Aldus droeg die maatregel bij tot het bestrijden van de oneerlijke concurrentie.

B.6.2. Die zorg blijft gelden voor vorderingen die gebaseerd zijn op een andere activiteit dan die waarvoor de onderneming op de datum van inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, ook al kan de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn taken in dat geval reeds naar behoren uitvoeren (artikel III.15 van het Wetboek van economisch recht).

B.6.3. De in het geding zijnde vereiste is niet onevenredig. De onontvankelijkheid van de vordering wordt immers gedekt indien de exceptie niet in limine litis wordt opgeworpen (artikel III.26, § 2, van het Wetboek van economisch recht).
B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Grondwettelijk Hof
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
04/03/2016

Vrijstellingsregeling rechtsplegingsvergoedingen lastens overheden vernietigd door Grondwettelijk Hof

In het arrest nr. 34/2016 vernietigt het Grondwettelijk Hof de Orde van Vlaamse Balies (OVB) de wetgeving die de overheid ontslaat van het betalen van een rechtsplegingsvergoeding voor burgerlijke rechtbanken wanneer zij in het ongelijk wordt gesteld.

De OVB had, naast een aantal andere verzoekende partijen waaronder het Genootschap Advocaten Publiekrecht (GAP), een vernietigingsberoep ingesteld tegen artikel 17 van de wet van 25 april 2014 ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Dat artikel 17 voegt een 3° toe aan het achtste lid van artikel 1022 Ger.W., waardoor geen enkele rechtsplegingsvergoeding ten laste van een publiekrechtelijke rechtspersoon verschuldigd is 'wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding'. Die bepaling is nog niet in werking getreden.

De OVB en het GAP hadden bij de formulering van hun belang aangevoerd dat de beroepsbelangen van de advocatuur in het gedrang komen door dergelijke wetgeving.

Het Grondwettelijk Hof treedt dit argument bij:

'Er kan worden aangenomen dat de bestreden bepaling nadelige gevolgen heeft voor de uitoefening van hun beroep, met name wat betreft de verdediging in rechte van hun cliënten in geschillen tegenover publiekrechtelijke rechtspersonen die optreden in het algemeen belang. Hun cliënten kunnen immers ervan worden weerhouden zich in een dergelijk geschil door een advocaat te laten verdedigen, in zoverre zij geen aanspraak zullen kunnen maken op een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van hun advocaat indien zij in het gelijk worden gesteld.'

Ten gronde voerden de verzoekende partijen een schending aan van het:
- gelijkheidsbeginsel, doordat een niet-verantwoord verschil in behandeling wordt ingesteld (a) tussen de publiekrechtelijke rechtspersonen en de privépersonen, in zoverre de eerstgenoemden worden vrijgesteld van het procesrisico indien zij optreden in het algemeen belang, en in zoverre die vrijstelling niet wederkerig is, wat tevens afbreuk zou doen aan de wapengelijkheid, (b) tussen de rechtzoekenden, naargelang zij in het gelijk worden gesteld ten aanzien van een privépersoon of een publiekrechtelijke rechtspersoon, (3) tussen de procespartijen voor de Raad van State en voor de burgerlijke rechtscolleges, in zoverre een publiekrechtelijke rechtspersoon die optreedt voor de Raad van State wel kan worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding.

- recht op toegang tot de rechter en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, doordat de algemene vrijstelling van publiekrechtelijke rechtspersonen van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding een ontradend effect heeft op de rechtzoekende die tegen een dergelijke rechtspersoon wil procederen, waardoor tevens afbreuk zou worden gedaan aan het recht van verdediging, aan de wapengelijkheid, aan het recht op juridische bijstand, aan de waarborgen vervat in het Verdrag van Aarhus en het Unierecht, en aan de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

- eigendomsrecht, doordat de rechtzoekende die ten aanzien van een publiekrechtelijke rechtspersoon in het gelijk wordt gesteld geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding, wat in onteigeningsgeschillen meteen tot gevolg zou hebben dat er geen sprake is van een "billijke schadeloosstelling" in de zin van artikel 16 van de Grondwet of van een "billijk evenwicht" in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

-/ rechtszekerheidsbeginsel, doordat de bestreden bepaling bij gebrek aan overgangsmaatregelen onmiddellijk van toepassing zal zijn op hangende rechtsgedingen en doordat het ruime begrip "optreden in het algemeen belang" aanleiding zou kunnen geven tot rechtsonzekerheid. In eerdere rechtspraak had het GwH zich reeds prejudicieel gebogen over de problematiek van wetgeving die de overheid vrijstelt van het betalen van een rechtsplegingsvergoeding wanneer zij in het ongelijk wordt gesteld.

In de arresten 68, 69 en 70/2015 van 21 mei 2015 kwam het Hof reeds tot de bevinding dat dergelijke wetgeving strijdig is met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. OrdeExpress berichtte daarover dat de teneur van de arresten in kwestie een gunstige invloed zou hebben op de afloop van het vernietigingsberoep van de OVB tegen artikel 17 van de wet van 25 april 2014. Zo is geschied, nu een groot deel van arrest 34/2016 bestaat in een letterlijk citaat van de rechtsoverwegingen B.3.1-B.12 van arrest 68/2015 (GwH, nr. 34/2016, B.7).

Het Grondwettelijk Hof vernietigt artikel 17 van de wet van 25 april 2014 dan ook wegens een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het Hof oordeelde dat de bijzondere positie van de overheid het verschil in behandeling niet kan dragen. In verband hiermee wordt uitvoerig gewezen op de ongeoorloofde discriminatie die in het leven is geroepen door het systeem van de rechtsplegingsvergoeding ook in te stellen voor procedures voor de Raad van State, zonder evenwel in die context een vrijstelling van rechtsplegingsvergoeding voor de overheid te bepalen. De vereiste dat de publiekrechtelijke rechtspersoon optreedt in het 'algemeen belang', achtte het Grondwettelijk Hof ook in dat arrest strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/11/2014

BTW-plicht advocaten naar Hof van Justitie

Het Grondwettelijk Hof, gevat door diverse vernietigingsberoepen tegen de invoering van de BTW-plicht van advocaten, schuift in het arrest nr. 165/2014 van 13 november 2014 de hete aardappel door naar het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg en stelt diverse prejudiciële vragen.  Lees hier het verwijzingsarrest.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Grondwettelijk Hof, Hof van Justitie, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
27/08/2014

Geen rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Staat wanneer vordering wordt ingesteld door publiek orgaan in het kader van het algemeen belang

Na de wijziging van artikel 1022 Ger.W. door de wet van 21 februari 2010 - welke evenwel nog steeds niet in werking getreden is - wordt het artikel in verband met de rechtsplegingsvergoeding nu nogmaals aangepast. 

Artikel 17 van de wet van 25 april 2014 (Belgisch Staatsblad, 19 augustus 2014) vult het achtste lid van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek aan met een bepaling dat geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is ten laste van de Staat wanneer in het kader van het algemeen belang een rechtsvordering wordt ingesteld door een publiek orgaan.

Een toelichting bij deze wijziging vindt u hier.

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen
Tags Gerechtelijk recht, Gerechtskosten, Leandra Decuyper, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/05/2013

Brief van advocaat kan binnenkort de verjaringstermijn verlengen!

De Kamer van Volksvertegenwoordigers heeft op 8 mei 2013 een wetsontwerp goedgekeurd waarbij de verjaringstermijn voor schuldvordering (contractueel of extracontractueel) éénmalig ‘gestuit’ wordt gedurende 1 jaar door een advocaat of gerechtsdeurwaarder een aangetekende ingebrekestelling (met ontvangstbewijs) te laten sturen naar de schuldenaar. In bepaalde geschillen kan zelfs een vakbondsafgevaardigde of een OCMW dergelijk brief sturen. Het voorstel komt neer op een verlenging van de gewone verjaringstermijn met maximum 1 jaar.

Aan artikel 2244 van het Burgerlijk wetboek wordt toegevoegd:

‘§ 2. Onverminderd artikel 1146, stuit een ingebrekestelling bij aangetekende zending met ontvangstbewijs verzonden door de advocaat van de schuldeiser, de gerechtsdeurwaarder daartoe aangesteld door de schuldeiser of de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser, naar de schuldenaar met woonplaats, verblijfplaats of maatschappelijke zetel in België, tevens de verjaring en doet zij een nieuwe termijn van een jaar ingaan, evenwel zonder dat de vordering vóór de vervaldag van de initiële verjaringstermijn kan verjaren. De stuitende werking van deze ingebrekestelling is slechts eenmalig, onverminderd andere stuitingsoorzaken.
Indien de door de wet bepaalde verjaringstermijn minder dan één jaar bedraagt, is de duur van de verlenging dezelfde als deze van de verjaringstermijn. […]’

Het artikel bevat nogal wat vormvereisten waaraan de ingebrekestelling moet voldoen..

Voor de inwerkingtreding van deze vereenvoudiging is het wel nog even wachten op de publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Gepost door Gertie De Fraeye

Blog Lokale Besturen
Tags Gerechtelijk recht, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags