18/09/2018

Over de titularis van de herstelvordering inzake onroerend erfgoed

In een arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 10 september 2018 diende het hof de vraag te beantwoorden of de herstelvordering correct werd uitgevoerd met een betekening van het herstelarrest en een bevel voorafgaand onroerend beslag ten verzoeke van het Vlaams Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse minister bevoegd voor Monumenten & Landschappen, voor wie optreedt de gemachtigde ambtenaar van de afdeling Monumenten & Landschappen.

Blijkt uit deze formulering voldoende dat het de gemachtigd ambtenaar inzake onroerend erfgoed is die de herstelveroordeling uitvoert en niet het Vlaams Gewest? Het Antwerpse hof meent van wel:

‘Het gegeven dat de Gemachtigde Ambtenaar Onroerend Erfgoed of de gemachtigde administrateur-generaal van het agentschap Inspectie Ruimtelijke Ordening zelfstandig kon opereren neemt niet weg dat deze optrad voor het Vlaamse Gewest en dit ook aldus kenbaar mocht maken zoals dat in concreto werd aangegeven. De binnen zijn decretale opdracht optredende met uitoefening van overheidsgezag belaste ambtenaar werd op afdoende wijze en overeenkomstig de organisatie en bevoegdheden van het Vlaams Gewest en van de daarbinnen opererende inspectiedienst geïdentificeerd wat functie, bestuur en adres betreft. De betekeningen gingen uit van de daartoe bevoegde en correct geïdentificeerde instantie en zijn geldig.

Dit impliceert meteen dat het hoger beroep ongegrond is.’

Mogelijks wordt cassatieberoep aangetekend.

Referentie: Antwerpen, 10 september 2018, nr. 2018/6625, ng. (Pub502585-1)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Erfgoed
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
16/09/2018

Omgevingsloket niet klaar voor kleinhandelsvergunning

Het is nog niet mogelijk om afzonderlijk een omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten digitaal in te dienen. Als de aanvraag is gekoppeld bij een stedenbouwkundige omgevingsverrgunning, dient de aanvrager het speciaal formulier bij "dossierstukken" op te laden als bijlage. Dit formulier kan teruggevonden worden bij de addendabibliotheek (Addendum W1 Kleinhandelsactiviteiten).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Omgevingsloket
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
11/09/2018

Het stille einde van de substituerende milieustakingsvordering

Een van de vele innovaties van het Decreet over het lokaal bestuur is dat artikel 194 Gemeentedecreet zondermeer wordt geschrapt. Dit artikel liet toe dat als het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad nalaat in rechte op te treden, een of meer inwoners in rechte kunnen optreden namens de gemeente, mits zij de zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken.  Zowel natuurlijke personen als milieuverenigingen maakten gretig gebruik van dit substituerend vorderingsrecht, in het bijzonder bij de zogenaamde milieustakingsvorderingen.

Artikel 577,50° DLB heft artikel 194 van het Gemeentedecreet op, hetgeen ook meteen het einde inluidt van de substituerende milieustakingsvordering. Deze opheffing treedt in werking op 1 januari 2019. Alle lopende milieustakingsprocedures worden gewoon verder afgehandeld

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Gemeenterecht, Milieustaking
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/09/2018

Kan de onwettigverklaring van een aanleg- of uitvoeringsplan, net zoals bij een nietigverklaring, territoriaal beperkt worden? Jazeker, en dat kan verzoekende partij haar belang kosten

Kan de onwettigverklaring van een aanleg- of uitvoeringsplan, net zoals bij een nietigverklaring, territoriaal beperkt worden? Dit vraagstuk kwam reeds aan bod in onze blog bij de bespreking van het arrest nr.RvVb/A/1617/0356.  De Raad voor Vergunningsbetwistingen bevestigt in het arrest nr. RvVb/A/1718/1199 van 21 augustius 2018 haar rechtspraak naar aanleiding van een belangenexceptie in zeer duidelijke bewoordingen:

'De Raad stelt vast dat het eerste en vierde middelonderdeel enkel betrekking hebben op de motivering betreffende de deelgebieden van het BPA die niet gelegen zijn in de gewestplanbestemming “milieubelastende industrie” volgens het gewestplan van 1979. De verzoekende partij viseert de wettigheid van de motieven die de omvorming van de oorspronkelijke gewestplanbestemming ‘landschappelijke waardevol agrarisch gebied’ en ‘agrarisch gebied’ naar nijverheidszone moeten verantwoorden.

Bij nazicht van de plannen en zoals bevestigd ter zitting door de verzoekende en tussenkomende partij blijkt dat de aangevraagde werken gelegen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan ‘Roeselare-Tielt’, vastgelegd met koninklijk besluit van 17 december 1979 in een “gebied voor milieubelastende industrieën”.

De vaststelling van het gewestplan uit 1979 wordt in deze middelonderdelen niet betwist door de verzoekende partij, noch vordert zij de buitentoepassingverklaring van dit gewestplan.

Een BPA vormt in beginsel één ondeelbaar geheel. Een partiële vernietiging, of buitentoepassingverklaring, is evenwel mogelijk wanneer zulks de algemene economie van het plan niet aantast en wanneer vaststaat dat de bevoegde overheden het plan ook zouden hebben vastgesteld en goedgekeurd zonder het onderdeel ervan waarvan de onwettigheid is vastgesteld.

Uit de gegevens van het dossier blijk dat het BPA enerzijds uit de oorspronkelijke gewestplanbestemming (milieubelastende industriezone en industriegebied) bestaat en anderzijds delen van het agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied inkleurt als nijverheidszone, terwijl twee andere stukken gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied uit de goedkeuring van het BPA worden gesloten.

Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de visie en het ontwikkelingsperspectief van het bestreden BPA voortkomen uit het uitbreiden van de bestaande bedrijvenzone.

Een mogelijke gedeeltelijke vernietiging heeft niet tot gevolg dat daarmee de algemene economie van het plan wordt aangetast. Het BPA blijft in dat geval bestaan voor de deelgebieden die volgens het gewestplan van 1979 als milieubelastende industrie waren ingekleurd en als industriegebied (wijziging gewestplan in 1998). Deze zone van het BPA is volledig conform de initieel geldende gewestplanbestemming, gezien zij slecht een bevestiging is van een bestaande planologische toestand, en de economie van het plan, dat ook nieuwe gebieden tot nijverheidszone bestemt, niet aantast.

De ter zitting en in de wederantwoordnota opgeworpen argumentatie van de verzoekende partij dat het BPA ondeelbaar is, wordt door de Raad bijgevolg niet bijgetreden. Er is immers een wezenlijk verschil tussen delen van het BPA die agrarische gebieden omzet naar een in wezen totaal verschillende bestemming ‘nijverheid’, en het deel van het BPA dat een bestaande gewestplanbestemming bevestigt. Dat het bedrijf vergunningen heeft verkregen voor uitbreidingen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en agrarisch gebied, doet niet terzake.

De aangevraagde werken bevinden zich binnen de contouren van het oorspronkelijke gewestplan uit 1979 in een gebied voor milieubelastende industrie.

De verzoekende partij voert enkel argumenten aan tegen de delen van het BPA gelegen in agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en niet tegen het deel gelegen in het gebied voor milieubelastende industrieën.

In de mate dat de Raad van oordeel is dat de mogelijke gegrondverklaring van het eerste en/of vierde middelonderdeel enkel moet leiden tot een gebeurlijke buitentoepassing verklaring van de deelgebieden die een bestemmingswijziging hebben ondergaan, maar niet van de deelgebieden die reeds voorafgaand aan het BPA als bestemming industriegebied of milieubelastende industriezone hadden, maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat zij enig voordeel kan halen bij een gebeurlijke gegrondverklaring van beide middelonderdelen.

Het eerste en vierde middelonderdeel zijn niet ontvankelijk bij gebrek aan belang'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Raad voor Vergunningsbetwistingen, Wettigheidsexceptie
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/08/2018

Belang bij het middel. De Raad voor Vergunningsbetwistingen wordt strenger

Klassiek luidt de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat, opdat een verzoekende partij belang zou hebben bij een middel, het noodzakelijk, doch voldoende is dat de vernietiging op grond van dit middel zou kunnen bijdragen tot het voordeel dat de verzoekende partij beoogt of, anders gezegd, dat dit middel het door haar geschetste nadeel zou kunnen weren..

In het arrest RvVb/A/1718/0887 van 22 mei 2018 bevestigt de Raad deze rechtspraak, maar geeft tegelijk aan dat niet volstaat dat men belang heeft bij de vernietiging van de beroepen beslissing opdat eender welk middel kan ingeroepen worden:

'De tussenkomende partij wijst er zelf op dat de bouwhoogtebeperkingen destijds op vraag van Belgocontrol in het BPA zijn opgenomen omwille van de nabijheid van de luchthaven van Oostende. Uit het BPA blijkt overigens afdoende dat de daarin opgenomen maximale bouwhoogtes
geen betrekking hebben op de goede ruimtelijke ordening, rekening houdend met de in de onmiddellijke omgeving aanwezige of wenselijk geachte bebouwing, maar er uitsluitend toe strekken rekening te houden met de nabijheid van de luchthaven.

Het eerste middel strekt bijgevolg tot de bescherming van belangen die geheel vreemd zijn aan het belang waarop de verzoekende partij zich ter staving van de ontvankelijkheid van haar vordering beroept.

De eventuele overschrijding van de bouwhoogtebeperkingen heeft de verzoekende partij op geen enkele manier benadeeld. De verzoekende partij maakt nergens aannemelijk, laat staan dat zij zulks concreet aantoont, dat de vastgestelde vermeende bouwhoogte haar pand, dat op meer dan zevenhonderd meter afstand gevestigd is, op enigerlei wijze kan schaden. Bovendien wordt niet betwist dat zich in de onmiddellijke omgeving panden bevinden met gelijkaardige of zelfs hogere bouwhoogtes. Het valt dan ook niet in te zien welk voordeel de verzoekende partij kan halen uit de vernietiging op basis van het eerste middel, zodat moet vastgesteld worden dat de verzoekendepartij geen belang heeft bij dit middel'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags