04/03/2015

De omgevingsvergunning: wie vergunt wat? Het nieuwe 'Projectbesluit' geeft het antwoord

Vandaag werd het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2015 tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het omgevingsvergunningsdecreet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

De aard van een project bepaalt welke de - in eerste aanleg - vergunningverlenende overheid is. Er zijn Vlaamse (=gewestelijke omgevingsambtenaar), provinciale (=deputatie) en gemeentelijke (=college van burgemeester en schepenen) bouw- en/of milieuprojecten

Het besluit bevat een lijst van Vlaamse projecten (bijlage 1 van het  besluit), alsook een lijst met provinciale projecten (bijlage 2 van het besluit).

Er wordt (voorlopig) geen lijst opgesteld met gemeentelijke projecten, ondanks het Omgevingsvergunningsdecreet in deze mogelijkheid voorziet. Het college van burgemeester en schepenen is zodoende bevoegd telkens wanneer het niet om een project gaat die op de Vlaamse of provinciale lijst voorkomt.

De Vlaamse lijst omvat 23 'projecten', onder meer de aanvragen met betrekking tot:

- bovenlokale (tele)communicatie-infrastructuur
- provinciegrens-overschrijdende projecten
- de oprichting en exploitatie van windturbines (=> 1500 kW) binnen de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, afgebakend in een RUP, alsook de oprichting en exploitatie van meer dan 5 windturbines van 1500kW of meer.
- ...

De provinciale lijst is veel beperkter en bevat slechts een lijst van 7 'projecten', onder meer aanvragen met betrekking tot:

- gemeentegrens-overschrijdende projecten
- ontginningsgebieden
- de oprichting en exploitatie van windturbines (=> 1500 kW) tot en met 4 windturbines per aanvraag en gelegen buiten de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, zoals afgebakend in een RUP
- ...

Lees hier de integrale tekst van het 'projectbesluit'.

12/09/2014

Is advies van lokaal bestuur mogelijk in eigen stedenbouwkundige aanvraag?

De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (hierna: GSA) op de vingers getikt in een recent arrest van 5 augustus 2014.

Het college van burgemeester en schepenen van een gemeente had een stedenbouwkundige aanvraag ingediend bij de GSA. Deze laatste had de gemeente gevraagd om het openbaar onderzoek te organiseren, de bezwaren te bundelen én tevens ook advies te verlenen met betrekking tot de uitgebrachte bezwaren. Nog had de GSA bij vergunningsbeslissing de bezwaren beantwoord door te verwijzen naar en het bijtreden van de uitgebreide weerlegging van deze bezwaren door het college van burgemeester en schepenen.

De Raad stelt dat een en ander niet zonder meer kan:

‘[…]

De vergunningverlenende overheid is in principe niet verplicht elk bezwaar of elk onderdeel van een bezwaar uitdrukkelijk en/of afzonderlijk te beantwoorden. Het is voldoende dat in de bestreden beslissing duidelijk wordt aangegeven op grond van welke elementen en argumenten de bezwaren al dan niet kunnen worden bijgetreden.

Een bijzonderheid is de situatie waar de bouwheer het college van burgemeester en schepenen is of als het college optreedt als orgaan dat in rechte de gemeente als bouwheer vertegenwoordigt in de bijzondere procedure.

In het geval een openbaar onderzoek vereist is, voorziet artikel 4.7.26, §4 VCRO het volgende:
“…
§4 Ten aanzien van ontvankelijke vergunningsaanvragen wordt verder gehandeld overeenkomstig de hiernavolgende regelen:
1° …
2° het vergunningverlenende bestuursorgaan of zijn gemachtigde wint het voorafgaand advies in van de door de Vlaamse Regering aangewezen instanties en van het college van burgemeester en schepenen, rekening houdend met volgende regelingen:
a)
b) indien de vergunningsaanvraag onderworpen is aan een openbaar onderzoek:
1) valt de adviseringstermijn in hoofde van de door de Vlaamse Regering aangewezen instanties samen met de duur van het openbaar onderzoek, met dien verstande dat aan de adviesvereiste voor bij kan worden gegaan indien de adviezen niet tijdig worden uitgebracht,
2) bezorgt het college van burgemeester en schepenen het proces-verbaal van het openbaar onderzoek, de gebundelde bezwaren en opmerkingen en zijn eigen advies aan het vergunningverlenend bestuursorgaan binnen een ordetermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na deze waarop het openbaar onderzoek werd afgesloten;
c) zo de vergunningsaanvraag van het college van burgemeester en schepenen uitgaat, brengt het college geen advies uit.
….”

Uit deze bepaling, waarvan punt 2° c werd toegevoegd bij artikel 25, 2° van de decreetswijziging van 16 juli 2010, mag het college van burgemeester en schepenen in beginsel dus geen advies uitbrengen in de bijzondere procedure wanneer de vergunningsaanvraag uitgaat van dit college/gemeentebestuur.

Deze toevoeging wordt als volgt toegelicht in de parlementaire voorbereiding:
“…
Artikel 4.7.26 §4, VCRO, stelt momenteel dat bij het indienen van aanvragen door het college van burgemeester en schepenen, het advies van datzelfde college ingewonnen wordt. Dat is uiteraard niet wenselijk en zelfs juridisch problematisch.
Vandaar dat het noodzakelijk is om (net als in het vroegere artikel 127, DRO 1999) te bepalen dat het college geen advies uitbrengt. Het bezorgt uiteraard wel de stukken van het openbaar onderzoek, met inbegrip van het proces-verbaal van het openbaar onderzoek aan de vergunning verlenende overheid.
...”
(Parl. St., Vl. Parl., 2009-2010, stuk 349/1, 10)

Deze toegevoegde bepaling houdt dan ook in dat het college van burgemeester en schepenen in de bijzondere procedure wel het openbaar onderzoek organiseert en de bezwaren bundelt, maar deze niet beantwoordt, dit om elke schijn van partijdigheid en subjectiviteit te vermijden.

3.
Uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij met een brief van 24 september 2010 aan het college van burgemeester en schepenen, zijnde het orgaan dat in rechte ook de  gemeente vertegenwoordigt, naast de vraag het openbaar onderzoek te organiseren tevens heeft verzocht om een advies.

Na de vaststelling dat de plannen werden gewijzigd (na het eerste openbaar onderzoek) heeft de verwerende partij met een brief van 5 april 2011 aan het college van burgemeester en schepenen gevraagd een nieuw openbaar onderzoek te organiseren en de resultaten daarvan, samen met het advies van het college aan de verwerende partij te bezorgen.

In de bestreden beslissing wordt bij de bespreking van het openbaar onderzoek en na samengevatte weergave van de ingediende bezwaren het volgende gesteld:
“…
Na onderzoek van het bezwaar worden volgende standpunten hieromtrent ingenomen:
het standpunt van het college van burgemeester en schepenen wordt bijgetreden. De weerlegging is uitgebreid en het bezwaar is op voldoende wijze weerlegd zodat het standpunt kan worden bijgetreden. De weerlegging luidt als volgt:
…” (eigen onderlijning)

Hieruit blijkt dat de verwerende partij zich heeft aangesloten bij het standpunt van het college omtrent de bezwaren van de verzoekende partij, zonder zelf over te gaan tot een eigen beoordeling ervan.

4. 
Een eigen onderzoek van de ingediende bezwaren door de verwerende partij was, in het licht van artikel 4.7.26, §4, 2°c VCRO nochtans noodzakelijk en meer in het bijzonder nu uit de ingediende bezwaren blijkt dat hier ook een aantal hinderaspecten aan bod komen die door de verwerende partij evenmin besproken worden onder de hoofding „goede ruimtelijke ordening‟. De hinderaspecten zijn, sinds de inwerkingtreding van de VCRO, ook een relevant te beoordelen element van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening.

[…]

5.
De wijze van redactie van de bestreden beslissing toont duidelijk aan dat het advies van het college van burgemeester en schepenen, en meer in het bijzonder de weerlegging van de ingediende bezwaren, bepalend is geweest bij het nemen van de bestreden beslissing.
De verwijzing door de verwerende partij naar het standpunt van het college van burgemeester en schepenen van de stad […], in onvoldoende als motivering. Gelet op het onpartijdigheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel kan een loutere verwijzing en aansluiting bij het advies/weerlegging van de bezwaren door het college van burgemeester en schepenen niet volstaan nu het college zelf de aanvrager vertegenwoordigt.

De verwerende partij had op een eigen zorgvuldige en afdoende wijze zelf de bezwaren moeten beoordelen en alle aandachtspunten inzake de verenigbaarheid van de goede ruimtelijke ordening daarbij betrekken.

Terecht kon de verzoekende partij naast een onzorgvuldige beoordeling van de goede ruimtelijke ordening ook de kennelijke onredelijkheid van de beoordeling van haar bezwaren inroepen nu haar bezwaren louter werden beoordeeld door het college van burgemeester en schepenen van de aanvrager zelf en niet werden onderworpen aan een eigen beoordeling van de verwerende partij.

Het tweede en vierde middel zijn in de aangegeven mate gegrond.’
[eigen aanduiding]

Hoewel de Raad overweegt dat het college van burgemeester en schepenen in deze geen advies mocht geven naar aanleiding van de stedenbouwkundige aanvraag, wordt de vernietiging gekoppeld aan het feit dat de GSA de bezwaren niet zelf heeft onderzocht in zijn hoedanigheid als vergunningverlenend overheid.
02/02/2014

Persoonlijke vordering tegen schepen en leidend ambtenaar inzake overheidsopdrachten onontvankelijk

Zo oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 8 januari 2014:

'Artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt: ‘De rechtsvordering kan niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.’ Overeenkomstig artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek moet het belang ‘een rechtstreeks en reeds verkregen’ belang zijn.
Door aannemer S. worden gemeente-ambtenaar P. en schepen voor Patrimonium S. gedagvaard in tussenkomst in hun hoedanigheid van respectievelijk ambtenaar en schepen van de gemeente L. 

De gemeente L. is partij in de oorspronkelijke procedure, meerbepaald is zij daarin de eisende partij en heeft zij daarin gevraagd een deskundige aan te stellen teneinde advies te verlenen omtrent de eindverrekening tussen partijen met betrekking tot de werken aan de gemeenteschool, vijfde fase waarbij S. hoofdaannemer was.

Verweerders P. en S. zijn met betrekking tot deze overheid slechts tussengekomen als aangestelde en uitvoeringsagent van de gemeente L. In hun respectieve hoedanigheid hebben zij de werken opgevolgd in opdracht en voor rekening van de gemeente L., zoals van een normale ambtenaar en een normale schepen verondersteld wordt.

Verweerders P. en S. hebben in de uitvoering van hun mandaat geen persoonlijke en individuele beslissingen genomen (over een dergelijke bevoegdheid beschikken zij immers niet ingevolge de wet) maar hebben zij louter de werken opgevolgd teneinde de bevoegde organen van de gemeente L. (inzonderheid het college van burgemeester en schepenen) te kunnen informeren en hen toe te laten de zich opdringende beslissingen te nemen.

In het kader van deze lastgeving moeten de handelingen van verweerders P. en S. volledig toegerekend worden aan hun opdrachtgever, zijnde de gemeente L., die overigens steeds de handelingen van haar aangestelden, zij het expliciet of impliciet, heeft gedekt en bevestigd.

Eventuele fouten of onzorgvuldigheden die verweerders P. en S. zouden begaan hebben (- hetgeen door eisers wordt ingeroepen, maar door verweerders P. en S. ten zeerste wordt betwist -) komen derhalve automatisch ten laste en voor rekening van de gemeente L., tenzij zou aangetoond worden dat verweerders P. en S. volledig buiten hun mandaat om zouden hebben gehandeld, quod certe non.

Dit brengt met zich mee dat, indien verweerders P. en S. daadwerkelijk fouten zouden begaan hebben in de uitvoering van hun opdracht, quod certe non, de eventuele schadelijke gevolgen ervan, hetzij contractueel hetzij extracontractueel, dienen toegerekend te worden aan de gemeente L., waarvoor de huidige eiseres hoe dan ook reeds over alle vorderingen en mogelijkheden beschikt in de oorspronkelijke procedure, zonder dat daarvoor de (persoonlijke) tussenkomst van verweerders P. en S. vereist of noodzakelijk is.

Terecht stelt zich dan ook de vraag welk rechtstreeks en actueel belang eiseres S. heeft om, nu de gemeente L. reeds partij is in het geding en in deze oorspronkelijke procedure in verband met de kwestige overheidsopdracht alle vorderingen tussen de nv S. en de gemeente L. mogelijk zijn, daarbovenop en naast de gemeente L., ook nog verweerders P. en S. ten persoonlijke titel in deze procedure te betrekken.

Volgens verweerders P. en S. heeft eiseres in tussenkomst daarbij geen belang, minstens wordt dit belang op geen enkele wijze toegelicht en/of aangetoond in de inleidende dagvaarding.

Meer nog dient de dagvaarding in tussenkomst van verweerders P. en S. louter aanzien te worden als een soort (proces-tactische) poging tot intimidatie van deze verweerders P. en S. en dit vanuit een algemene (maar in het geheel onterechte) onvrede van de nv S. in verband met de uitvoering van de kwestige overheidsopdracht.

De vordering is om die reden onontvankelijk.

De in het ongelijk gestelde partij, hier de eiseres S. dient verwezen in de kosten deze in hoofde van verweerders P. en S. begroot op een basisrechtsplegingsvergoeding voor niet in geld waardeerbare vorderingen hetzij op 1.320,00 euro.’.

Referentie: Rb. Gent, ng. 8 januari 2014 (PUB2031)
19/12/2013

Een stedenbouwkundige vergunning kan nog lopende het beroep bij de deputatie ingetrokken worden

Een recent arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb van 17 september 2013, nr. A/2013/0535) bevestigt de werking van de klassieke intrekkingsleer in het kader van de stedenbouwkundige vergunningverlening door het college van burgemeester en schepenen.

In casu werd de stedenbouwkundige vergunningsbeslissing ingetrokken door het college van burgemeester en schepenen lopende de beroepsprocedure voor de deputatie. De deputatie heeft alsnog een beslissing genomen en de beslissing van het college van burgemeester en schepenen vernietigd. Dit was de bestreden beslissing.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelde als volgt:

'In de bestreden beslissing stelt de verwerende partij:

"...
Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van Overpelt op 28 oktober 2011 de beslissing nam tot intrekking van de kwestieuze stedenbouwkundige vergunning d.d. 25 juli 2011; dat het college van burgemeester en schepenen hierin gevolg gaf aan een e-mail van de bouwheer houdende de verzaking aan de stedenbouwkundige vergunning;

Overwegende dat de deputatie kennis neemt van dit intrekkingsbesluit van het college van burgemeester en schepenen maar dat deze beslissing buiten de decretaal bepaalde termijn van 105 dagen (artikel 4.7.18 VCRO); dat de deputatie in de beroepsprocedure bevoegd is om een beslissing te nemen over de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning; dat, omwille van het ontbreken van een uitgeruste weg en het ontbreken van het toegankelijkheidsadvies, de deputatie van oordeel is dat de aanvraag niet in aanmerking komt voor een stedenbouwkundige vergunning;
..."

Artikel 4.7.18 VCRO bepaalt de termijn voor het college van burgemeester en schepenen om een beslissing te nemen over een vergunningsaanvraag.

De verzoekende partij heeft haar beslissing tijdig genomen en kan deze beslissing ook intrekken, niet alleen na de in artikel 4.7.18 VCRO bepaalde termijn van 105 dagen, maar zelfs tot de verwerende partij beslist heeft over het bij haar ingesteld administratief beroep. 

De verzoekende partij heeft de intrekking van de door haar in eerste administratieve aanleg genomen beslissing tijdig meegedeeld aan de verwerende partij, die dit overigens vermeldt in de bestreden beslissing, maar er ten onrechte geen rekening mee houdt, door met de bestreden beslissing toch nog een vergunning te weigeren.

De Raad oordeelt dan ook dat het administratief beroep zonder voorwerp is door de intrekking, voor de beslissing over het administratief beroep, van de oorspronkelijk verleende vergunning.

Het enig middel is gegrond.'

Indien de intrekkingsbeslissing genomen wordt lopende de procedure voor de deputatie, dient de deputatie het administratief zonder voorwerp te verklaren. Het gevolg voor de vergunningsverlener is ingrijpend: door de intrekkingsbeslissing komt de vergunningsaanvrager te staan voor een stilzwijgende weigeringsbeslissing, ... waartegen opnieuw beroep kan ingesteld worden bij de deputatie.


09/10/2013

Raad van State fluit al te strenge Raad voor Vergunningsbetwistingen terug in hoedanigheidsdiscussie gemeente/college van burgemeester en schepenen

De Raad van State casseerde een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 2 oktober 2012 op grond van hiernavolgende overwegingen:

'7. De RvVb beslist tot de onontvankelijkheid van het beroep van de verzoekende partij “bij gebrek aan de nodige procesbevoegdheid” op grond van volgende overwegingen: 

 “Een rechtsgeldige beslissing om in rechte te treden is zowel voor privaatrechtelijke als publiekrechtelijke rechtspersonen een fundamenteel vereiste om op ontvankelijke wijze een vordering bij de Raad aanhangig te maken. Dit betreft immers, gelet op het feit dat rechtspersonen niet zelf -lees in persona- hun rechten kunnen uitoefenen en bijgevolg een beroep dienen te doen op natuurlijke personen, een document waaruit de Raad kan afleiden of een verzoekende partij zelf, zijnde het bevoegde orgaan, beslist heeft om bij de Raad in rechte op te treden”; 

‐ “op basis van een samenlezing van het inleidend verzoekschrift en de aanvullende nota, moet” de verzoekende partij “beschouwd worden als één van ‘de bij het dossier betrokken vergunningverlenende bestuursorganen’, zoals bepaald in artikel 4.8.16, §1, eerste lid, 2° VCRO”; 

‐ “Door uitdrukkelijk te verwijzen naar artikel 193 van het Gemeentedecreet, maakt het college van burgemeester en schepenen van de stad Mortsel” in zijn besluit van 17 oktober 2011 “duidelijk dat zij optreedt als vertegenwoordiger van de stad Mortsel” waaruit de RvVb noodzakelijkerwijze moet afleiden “dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Mortsel beslist heeft om namens de stad Mortsel een beroep in te stellen bij de Raad tegen de bestreden beslissing” in welk 
geval het college van burgemeester en schepenen optreedt als vertegenwoordiger van de stad “in de zin van artikel 57 § 3, 9° van het Gemeentedecreet in samenlezing met artikel 193 van het Gemeentedecreet” en waarbij de stad een belang heeft “conform artikel 4.8.16, § 1, eerste lid, 3° VCRO”; 

‐ “De beslissing om in rechte te treden diende genomen te worden op grond van artikel 57, §3, 7° van het Gemeentedecreet, waar het college kan optreden als instantie die zelfstandig haar vorderingsrecht uitoefent. Uit het voorgelegde besluit van 17 oktober 2011 blijkt niet dat het college op grond van artikel 57, §3, 7° van het Gemeentedecreet de bedoeling had haar zelfstandig vorderingsrecht uit te oefenen. De Raad dient dan ook noodzakelijk vast te stellen dat het college van burgemeester en schepenen niet over de nodige procesbevoegdheid beschikt om in die hoedanigheid een vordering tot vernietiging bij de Raad in te stellen”. 

8. Artikel 57, § 3, 7° en 9° van het gemeentedecreet, na wijziging bij decreet van 23 januari 2009 tot wijziging van het gemeentedecreet, bepaalt wat volgt: 

“§ 3. Het college van burgemeester en schepenen is bevoegd voor : 
[…] 
7° beslissingen die de wet, het decreet of het uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan het college van burgemeester en schepenen voorbehoudt; 
[…] 
9° het vertegenwoordigen van de gemeente in rechte ingevolge artikel 193, behoudens in de gevallen, vermeld in artikel 193, tweede lid”. 

 Deze bepaling in afdeling III “de bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen” van hoofdstuk II “het college van burgemeester en schepenen” van titel II “het gemeentebestuur” van het gemeentedecreet betreft “een toegewezen bevoegdheid (…), waarvan men de bevoegdheid aan een 
bepaald orgaan geeft” (Memorie van Toelichting, Vl. Parl. 2008-09, stuk 1946/1, 14). 

9. Artikel 4.8.16, § 1, eerste lid, 2° en 3° VCRO, zoals het gold op het ogenblik dat het beroep bij de RvVb werd ingediend, bepaalt wat volgt: 

“De beroepen bij de Raad kunnen door volgende belanghebbenden worden ingesteld: 
[…] 
2° de bij het dossier betrokken vergunningverlenende bestuursorganen; 
3° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de vergunnings-, validerings- of registratiebeslissing”. 

 Het “college van burgemeester en schepenen” is aldus een “belanghebbende” als één van “de bij het dossier betrokken vergunningverlenende bestuursorganen” en kan als zodanig wanneer het “zijn beslissing hervormd zag door de deputatie (…) een annulatieberoep bij de Raad aanhangig maken” (Memorie van Toelichting, Vl. Parl. 2008-09, stuk 2011/1, 376). 

10. Uit de stukken van het dossier dat ter beoordeling lag van de RvVb blijkt dat de verzoekende partij op 17 oktober 2011 “besluit (…) om beroep aan te tekenen bij de RvVb tegen de vergunning tot het aanleggen van bijkomende groene parkeerplaatsen gelegen Liersesteenweg 130 verleend door de deputatie aan Woonplanners bvba”. De beslissing van de RvVb dat “het college van burgemeester en schepenen niet over de nodige procesbevoegdheid beschikt om in die hoedanigheid een vordering tot vernietiging bij de Raad in te stellen” en op die grond besluit tot de onontvankelijkheid van het beroep, schendt artikel 4.8.16, § 1, eerste lid, 2° VCRO. 

11. Het derde middelonderdeel is in zoverre gegrond'.

Aldus lijkt de Raad van State minder formalistisch dan haar Vlaamse broer.

Referentie: RvS nr. 223.770 van 7 juni 2013
Tags