23/09/2013

Ook in overheidsopdrachten leidt een motiveringsgebrek niet noodzakelijk tot schadevergoeding

Een illustratie daarvan is een vonnis dat door de 5e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout werd uitgesproken op 16 september 2013:

‘Eiseres stelt dat de gunning aan bvba B. onwettig was. De vrijwillig tussenkomende partij vroeg (namens verweerster) prijsverantwoording bij toepassing van art. 110, §3, KB 8 januari 1996. Deze verantwoording voldeed volgens eiseres niet, zodat de inschrijving van bvba B. als onregelmatig had moeten worden geweerd.

Verweerster meent dat de verantwoording van bvba B. wel voldeed en dat de kritiek van eiseres louter formalistisch is. Zij stelt dat er geen zekerheid is dat bij wering van de offerte van bvba B. de opdracht aan eiseres zou zijn gegund en dat in dat geval aan eiseres prijsverantwoording zou zijn gevraagd.

Eiseres kan worden gevolgd waar zij de formele afhandeling van de prijsverantwoording door bvba B. en de gunningsbeslissing bekritiseert.

Nog afgezien van de vraag of de motivering door bvba B. voldeed, moet vastgesteld worden dat de vrijwillig tussenkomende partij de verantwoording overnam in het controleverslag en daarna zonder verdere toelichting gunning aan bvba B. voorstelde. Hieruit kan wel worden afgeleid dat de vrijwillig tussenkomende partij genoegen nam met de verantwoording, maar niet waarom zij daarmee genoegen nam.

De gunningsbeslissing van verweersters college bevat geen enkele autonome, inhoudelijke motivering. Het college verwees louter naar het voorstel van de technische dienst, dat niet voorligt en blijkbaar louter een herhaling was van het voorstel van de vrijwillig tussenkomende partij.

Aldus was sprake van een gebrek in de motivering van de gunningsbeslissing. De motivering die verweerster en de vrijwillig tussenkomende partij thans in besluiten geven, kan hieraan niet meer verhelpen.

Maar deze vaststelling volstaat niet om de vordering van eiseres gegrond te verklaren.

Enerzijds was het vanwege verweerster en de vrijwillig tussenkomende partij niet onredelijk of fout om de verantwoording van bvba B. te aanvaarden en dus de opdracht aan haar te gunnen. Het is inderdaad aannemelijk dat de posten voorzien in art. 11, 12 en 13 in de inschrijving van bvba B.  deels dubbel gebruik uitmaakten met posten voorzien in andere artikelen, zodat het volstond daarvoor beperkte bijkomende bedragen te voorzien. 

Anderzijds zou op basis van de voorliggende gegevens bij wering van de inschrijving van bvba B. wellicht verantwoording zijn gevraagd aan eiseres voor dezelfde artikelen.

(…)

Eiseres verantwoordt haar prijzen door:
- haar gunstigere geografische ligging in K.;
- het gegeven dat zij drie zaakvoerders heeft die alle drie effectief meewerken op de werf;

Deze verantwoording kan niet meer overtuigen dan die van bvba B., waarbij moet worden opgemerkt dat haar prijs iets lager lag dan die van eiseres zodat er nog enige marge was.’

Volgt. verwerping van de vordering.

Referentie: Rb. Turnhout, 16 september 2013, AR 12-2047-A, ng. (Pub503896)

Tags