30/03/2016

Wanneer is er sprake van ‘ruimtelijke implicaties’ bij een met een ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig gebruik?

Dat de lat niet te laag mag gelegd worden, blijkt uit een niet-gepubliceerd arrest van de 9e kamer van het hof van beroep te Gent van 4 maart 2016:

‘Opdat er sprake zou kunnen zijn van een misdrijf van het met Gewestplan strijdig gebruik (-en m.n. een voortgezet misdrijf bestaande uit een niet door verjaring onderbroken reeks van opeenvolgende handelingen van met de Gewestplanbestemming strijdig gebruik van de kwestieuze constructies (die op zichzelf aflopende misdrijven uitmaken), gepleegd met hetzelfde misdadig opzet zoals bedoeld in art. 65 S.W.), is vereist dat dergelijke gebruiksdaden (en dienvolgens dergelijk gebruik) ruimtelijke implicaties hebben/heeft.

Het commercieel gebruik van de kwestieuze achterste ruimte voor de verkoop van goederen ontbeert naar oordeel van het hof in onderhavige specifieke situatie ruimtelijke implicaties, nu deze verkoop zich enerzijds situeert binnen een voordien gerealiseerde volledig afgesloten ruimte en nu het hier gaat om het stellen van gebruikshandelingen (stockeren en/of uitstallen van goederen met het oog op de verkoop ervan aan particulieren) die voorheen op dezelfde locatie reeds in open lucht plaatsgrepen.

De situatie is m.a.w. niet gelijk te stellen met deze waarin op de kwestieuze locatie een nieuwe handelszaak zou worden opgestart, dan wel de intensiteit van het handel drijven op die plaats (met alle bewegingen van dien van klanten en leveranciers) aanmerkelijk zou zijn uitgebreid doordat (schematisch voorgesteld) een kleine handelszaak zou zijn uitgebreid tot een veel grotere handelszaak. Er was voorafgaand aan het in gebruik nemen van het kwestieuze dicht gebouwde achterste gedeelte al sprake van een grote handelszaak (met gevelbreedte 105m en voorliggende parking), waarbij de kwestieuze achterliggende locatie ook reeds voor stockage en verkoop (weze het in open lucht) werd benut.

Ten aanzien van het met het Gewestplan strijdig gebruik van de kwestieuze, voorafgaand aan het stakingsbevel gebouwde ruimte (en dus ten aanzien van het misdrijf omschreven in art. 6.1.1., lid 1,6° VCRO) ontbreekt aldus de vereiste ruimtelijke implicaties.’

 (referentie: Gent, 4 maart 2016, AR 2012/2144, ng., PUB503387-3)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw, Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
15/03/2016

Schadevergoedingsbevoegdheid van de Raad van State maakt een onontvankelijk vernietigingsberoep niet ontvankelijk

Zo oordeelt de Raad van State in een arrest nr. 234.103 van 10 maart 2016:

‘Tenslotte vergissen de verzoekende partijen zich wanneer zij stellen dat de fout van de overheid ‘enkel’ door een vernietigingsarrest kan worden vastgesteld. De justitiële rechter die gevat is om uitspraak te doen over een vordering tot schadevergoeding kan immers ook de fout van de overheid vaststellen. 

Bovendien kan de intentie om op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een verzoek tot schadevergoeding tot herstel in te dienen – intentie die trouwens door de verzoekende partijen niet ondubbelzinnig wordt geuit – het belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing niet vrijwaren. Een dergelijk verzoek is immers geen autonome vordering maar vormt een accessorium van het annulatieberoep. Het komt hoe dan ook niet aan bod als het beroep tot nietigverklaring om redenen die er eigen aan zijn verworpen wordt, zonder dat de Raad van State zich heeft uitgesproken over de onwettigheid van de bestreden akte'.

Het beroep is niet ontvankelijk.’

Referentie: pub503991.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Overheidsaansprakelijkheid, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/03/2016

Beslissingsboom archeologisch vooronderzoek

Het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 verplicht de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning om in bepaalde gevallen een bekrachtigde archeologienota bij de vergunningsaanvrager te voegen.

In die gevallen stelt de aanvrager, voorafgaand aan de vergunningsaanvraag, een erkend archeoloog aan die een archeologisch vooronderzoek uitvoert en die de archeologienota opmaakt. Deze wordt dan ter bekrachtiging ingediend bij het Agentschap Onroerend Erfgoed.

Consulteer hier naar de beslissingsboom van het Agentschap om na te gaan of een vergunningsaanvraag al dan niet door deze archeologieverplichting wordt gevat.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Archeologie, Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/03/2016

Wettigheidsexceptie door gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur is problematisch

Zo blijkt alvast uit een parlementair debat op 16 februari 2016.

De minister van omgevingsrecht werd gevraagd of zij het vindt kunnen dat de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur in het kader van een herstelvordering een wettigheidsexceptie opwerpt tegenover een stedenbouwkundige vergunning die niet is aangevochten door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar.

Het standpunt van de minister is duidelijk:

‘Wanneer de leidend ambtenaar heeft beslist geen beroep in te stellen, acht ik het niet wenselijk dat de regularisatievergunning door een individuele gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur nog wordt betwist, niet alleen in lopende gedingen, maar evengoed met het oog op het verkrijgen van een positief advies van de Hoge Raad. Het is de taak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen om in eerste instantie te oordelen over de wettigheid van een aangevochten stedenbouwkundige vergunning en de leidend ambtenaar beslist om al dan niet een beroep tot nietigverklaring in te stellen. Een exceptie van onwettigheid zonder gelijklopend beroep van de leidend ambtenaar moet de uitzondering zijn.

(…)

De uitzonderingen op dit algemeen principe zullen ook worden gedefinieerd. Het kan bijvoorbeeld wel in geval van een manifest onwettige beslissing van een lokaal bestuur die Vlaamse beleidsregels schaadt en die op basis van de richtlijn niet werd voorgelegd voor een eventueel beroep.

(…)

Wanneer de leidend ambtenaar beslist om geen beroep in te stellen, moet de individuele gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur dit niet wél doen. Ik heb daar heel duidelijk op geantwoord: dat kan niet de bedoeling zijn.

Gaat men zijn boekje te buiten? Artikel 159 van de Grondwet is wat het is. Maar ik vind dat er intern een duidelijke hiërarchie is. Tegen de beslissing van de leidend ambtenaar moet niet worden ingegaan'.

13/03/2016

Ook nachtlawaai dat de rust van de inwoners KAN verstoren, is strafbaar

Zo oordeelde de politierechtbank West-Vlaanderen, Afdeling Veurne in een vonnis van 22 februari 2016:

'Artikel 561, 1° Strafwetboek stelt ‘het zich schuldig maken van een nachtgerucht of nachtrumoer waardoor de rust van de inwoners kan verstoord worden’ strafbaar.

Het gaat hier over lawaai in de ruime zin van de betekenis. De aard van het lawaai is van geen belang. Evenmin is de wijze waarop het geluid wordt voortgebracht, van belang.

Enkel het nachtlawaai dat de rust van de inwoners verstoort of kan verstoren, is strafbaar. Het is voldoende dat het nachtlawaai de rust kan verstoren. Het is dus niet noodzakelijk dat de rust ook effectief verstoord werd. Het nachtlawaai is enkel strafbaar in bewoonde plaatsen of in de nabijheid ervan. De wettekst heeft het ook enkel over inwoners en dus niet over publiek of voorbijgangers, zodat de vaststellingen van de verbalisanten op straat niet dienstig zijn ter beoordeling van deze zaak. Het begrip ‘rust’ moet ruim geïnterpreteerd worden.

Enig opzet is niet vereist. Ook onopzettelijk voortgebracht nachtlawaai kan voldoende zijn om een inbreuk op artikel 561, 1° Strafwetboek op te leveren. Iedereen moet de gepaste maatregelen nemen om te beletten dat door zijn of haar schuld de nachtrust van de buurtbewoners verstoord wordt.

Uit het strafdossier blijkt dat de beklaagde zich op verschillende tijdstippen schuldig gemaakt heeft aan nachtgerucht of nachtrumoer, waardoor de rust van de burgerlijke partijen, wonend in een aanpalende woning, kan verstoord worden. De door de beklaagde genomen maatregelen om de geluidshinder te beperken, voldoen kennelijk niet'.

Referentie: Pol. Veurne, 22 februari 2016, niet gepubliceerd (pub505526).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Geluid, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags