10/07/2011

Samenstelling Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie niet ongrondwettig

In het arrest nr. 126/2011 van 7 juli 2011 beantwoordt het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag van de Raad van State als volgt:

"B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 11, § 1, van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, dat bepaalt :

« Er wordt een Interministerieel Comité voor de Distributie opgericht dat kennis neemt van de beroepen ingediend tegen de beslissingen van het college van burgemeester en schepenen bedoeld in de artikelen 8 en 9.
Het Interministerieel Comité voor de Distributie bestaat uit de Ministers die bevoegd zijn voor Economie, Tewerkstelling, Middenstand, Mobiliteit en Vervoer en de Minister voor Economie van het Gewest waar de handelsvestiging gepland is, of hun afgevaardigden.
De Koning bepaalt de organisatie en werkingsregels, de vergoeding van de leden evenals de incompatibiliteitsregels ».

B.1.2. De wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen vervangt de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen. Zij heeft ten doel « de procedure te vereenvoudigen en de beslissingstermijnen in te korten voor socio-economische machtigingen » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1035/001, p. 4). Het Interministerieel Comité voor de Distributie (hierna : het Comité) dat zij opricht, neemt kennis van de beroepen die door de aanvrager van de vergunning, door het Nationaal Sociaal-Economisch Comité alsook door zeven leden van dat Comité kunnen worden ingediend tegen elke beslissing van het college van burgemeester en schepenen of van het gemeentecollege, met inbegrip van de impliciete vergunningen die voortvloeien uit een ontstentenis van beslissing.

B.2.1. In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de overeenstemming te toetsen van het tweede lid van het voormelde artikel 11, § 1, met de artikelen 35, 39 en 134 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, § 1, VI, of met artikel 92ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
B.2.2. Bij gebrek aan uitvoering van artikel 35 van de Grondwet, vermag het Hof niet aan die grondwetsbepaling te toetsen.
Artikel 39 van de Grondwet bepaalt :
« De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die bedoeld in de artikelen 30 en 127 tot 129 en dit binnen het gebied en op de wijze die zij bepaalt. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid ».
Artikel 134 van de Grondwet bepaalt :
« De wetten ter uitvoering van artikel 39 bepalen de rechtskracht van de regelen die de organen, welke zij oprichten, uitvaardigen in de aangelegenheden, welke zij aanduiden.
Zij kunnen aan deze organen de bevoegdheid toekennen om decreten met kracht van wet uit te vaardigen op het gebied en op de wijze die zij bepalen ».
B.2.3. Artikel 6, § 1, VI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, bepaalt :
« […] Bovendien is alleen de federale overheid bevoegd voor :
[…]
6° de vestigingsvoorwaarden […] ».
Artikel 92ter, eerste lid, van dezelfde bijzondere wet bepaalt :
« Bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen na akkoord van de bevoegde Regeringen, regelt de Koning de vertegenwoordiging van de Gemeenschappen en de Gewesten, naargelang van het geval, in de beheers- of beslissingsorganen van de nationale instellingen en organismen, onder meer met een adviserende en controlerende taak, die Hij aanduidt ».
B.3. De aan de federale wetgever toegewezen exclusieve bevoegdheid om de vestigingsvoorwaarden te regelen, omvat onder meer de bevoegdheid om alle regels inzake handelsvestigingen vast te stellen.
B.4. Aan het Hof wordt een vraag gesteld met betrekking tot de overeenstemming van de in het geding zijnde bepaling met de voormelde bevoegdheidverdelende regels in zoverre is voorzien in de aanwezigheid in het Comité van de minister van Economie van het gewest waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, en meer in het bijzonder in het geval dat zich voordoet wanneer dat Comité uitspraak doet in een samenstelling die die gewestminister
niet verbeterde kopie omvat en wanneer, zonder de aanwezigheid van die laatste, het aanwezigheids- en stemquorum niet zou zijn bereikt.
B.5. Het aanwezigheids- en stemquorum is vastgelegd bij de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 12 april 2005 « tot vaststelling van de organisatie, werking, vergoeding en incompatibiliteitsregels van het Interministerieel Comité voor de Distributie bedoeld bij artikel 11, § 1, van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen », die bepalen :
« Art. 6. Het Interministerieel Comité kan slechts geldig beraadslagen wanneer de meerderheid van de leden aanwezig is.
Art. 7. Bij meerderheid van zijn leden, neemt het Interministerieel Comité voor de Distributie een met redenen omklede beslissing ».
B.6.1. Artikel 92ter, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 heeft tot doel een verplichte deelname van de gemeenschappen en de gewesten aan de federale organen die het beoogt, te organiseren en heeft geen betrekking op de inwerkingstelling van facultatieve procedés inzake deelname aan federale organen. Wanneer de deelname van de vertegenwoordigers van de gemeenschappen of de gewesten aan de organen die de federale wetgever opricht, louter facultatief is, is hij dan ook niet ertoe gehouden gebruik te maken van de bij die bepaling opgelegde procedés.
B.6.2. In haar advies met betrekking tot het wetsontwerp heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State eveneens in herinnering gebracht dat « op grond van [het] beginsel [van de autonomie van de gewesten] […] de federale overheid slechts [kan] bepalen dat een gemeenschaps- of gewestinstelling vertegenwoordigd wordt in een federale instelling, als die vertegenwoordiging louter facultatief is » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1035/001, p. 35).
B.7. Door alleen erin te voorzien dat het Comité bestaat uit vier federale ministers en één gewestminister, heeft de in het geding zijnde bepaling noch tot doel noch tot gevolg dat zij aan die laatste de verplichting oplegt deel uit te maken van het Comité. Zoals de Raad van State doet opmerken in het arrest waarin aan het Hof een vraag wordt gesteld, is de aanwezigheid van de gewestminister in het Comité van facultatieve aard.

De afwezigheid, tijdens een vergadering van het Comité, van twee van de vier federale ministers die lid zijn van dat Comité is een toevallige feitelijke omstandigheid die niet tot gevolg zou kunnen hebben het facultatieve karakter van de deelname van het betrokken gewest in het Comité te wijzigen.
B.8. Indien eventueel ervan dient te worden uitgegaan dat de regels met betrekking tot het aanwezigheids- en stemquorum tot gevolg zouden kunnen hebben de aanwezigheid van de gewestminister in het Comité verplicht te maken, zou voor het overige dienen te worden vastgesteld dat die regels zijn ingesteld bij het voormelde koninklijk besluit van 12 april 2005 en dat het Hof bijgevolg niet bevoegd is om kennis ervan te nemen.
B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord"
.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, ICD
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
30/06/2011

De motiveringsplicht inzake handelsvestigingen

In het arrest nr. 202.028 van 18 maart 2010 wordt een zeer interessante algemene beschouwing gemaakt door de Raad van State inzake de formele en de materiële motiveringsplicht van het Interministerieel Comité voor de Distibutie:

"De motiveringswet, die te dezen van toepassing is, bepaalt dat de motivering van een bestuursbeslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering afdoende moet zijn. De motivering moet in rechte en in feite evenredig zijn aan het belang van de beslissing. Die motivering moet ook draagkrachtig zijn, wat betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Een motivering is afdoende wanneer deze de bestuurde redelijkerwijze in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen en de bestuurde aldus met kennis van zaken desgevallend tegen deze beslissing in rechte kan optreden en wanneer zij de Raad van State in staat stelt de hem opgedragen wettigheidscontrole uit te oefenen. De motiverings-plicht houdt in dat de motivering duidelijk is, niet tegenstrijdig, juist, pertinent, concreet en precies.
Wanneer een administratieve overheid zoals te dezen een beslissing neemt als beroepsorgaan, houdt de formele motiveringsverplichting in dat uit de beslissing van het beroepsorgaan blijkt dat de argumentatie van de betrokkene daadwerkelijk in de besluitvorming betrokken is. Het is evenwel niet vereist dat de administratieve overheid, in tegenstelling tot een jurisdictioneel orgaan, alle door de beroeper opgeworpen argumenten beantwoordt. Het is noodzakelijk, doch voldoende, dat de beslissing duidelijk en omstandig de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen.

De beslissing moet eveneens voldoende gemotiveerd zijn ten aanzien van de adviezen waarmee het Interministerieel Comité rekening moest houden.
De materiële motiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan. Dit betekent onder meer dat die motieven steunen op werkelijke bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld.
Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn correct beoordelen en op grond van deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komen.
Een beslissing schendt de materiële motiveringsplicht wanneer de motieven waarop ze steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen. Het komt de Raad van State daarbij in principe niet toe het feitenonderzoek over te doen om zich aldus, wat de appreciatie van de zaak betreft, in de plaats te stellen van de administratie. Het behoort daarbij wel tot de bevoegdheid van de Raad van State na te gaan of de ingeroepen feiten werkelijk bestaan indien ze betwist worden. Indien geoordeeld wordt dat de beslissing steunt op onbestaande, onvoldoende bewezen feiten, dan is eveneens het materiële motiveringsbeginsel geschonden. Te dezen beschikt de verwerende partij over een beoordelingsvrijheid zodat verschillende
beslissingen mogelijk kunnen zijn, zij het enkel binnen de grenzen van de redelijkheid".

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, ICD, Motivering
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags