08/03/2011

Gemeente mag sociaal-economisch weigeren hetgeen zij stedenbouwkundig vergund heeft

Om een nieuwe handelsvestiging op te richten dient men zowel over een stedenbouwkundige vergunning te beschikken (Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) als over een sociaal-economische vergunning (Handelsvestigingenwet). Beide vergunningen worden - in eerste aanleg - verleend door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de handelsvestiging gelegen is.

Ondanks beginselen van behoorlijk bestuur zoals het rechtzekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel kan het college voor een zelfde project eerst een stedenbouwkundige vergunning verlenen (na afweging van o.m. de goede plaatselijke ordening) om vervolgens de sociaal-economische vergunning te weigeren.

Meer zelfs, niets verhindert de gemeente om beroep aan te tekenen bij de Raad van State wanneer de aanvrager na beroep bij het Interministerieel Comité voor de Distributie toch een sociaal-economische vergunning zou bekomen. Dit alles werd door de Raad van State bevestigd in arrest nr. 210.700 van 27 januari 2011.

De zaak waarover de Raad zich diende uit te spreken betrof het oprichten van een Media Markt in Roeselare. Op 10 mei 2004 verleende het college van burgemeester en schepenen een stedenbouwkundige voor "het bouwen van een commerciële ruimte". Op 17 juni 2004 gaf het Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie een gunstig advies over het project en op 26 juli 2004 weigerde het college de sociaal-economische vergunning.

In de procedure voor de Raad van State werd de onontvankelijkheid opgeworpen van het annulatieberoep van de stad Roeselare tegen de in beroep verkregen socio-economische vergunning. Hierover stelde de Raad:

"De wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen strekt tot de ordening van het distributie-apparaat door een vestigingsaanvraag te beoordelen op grond van een aantal sociaal-economische criteria. De reglementering betreffende de ruimtelijke ordening heeft een eigen doelstelling en de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning wordt beoordeeld aan de hand van de in die reglementering geldende criteria.

Hoewel toegegeven moet worden dat het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning er op kan wijzen dat ook andere, bij dezelfde overheid ingediende vergunningsaanvragen, een positieve uitkomst zouden kunnen kennen, kan te dezen het enkele feit dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Roeselare op 10 mei 2004 aan de NV Heli-Stee een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor het bouwen van een commerciële ruimte op de site in kwestie, daarbij onder meer overwegende dat "de inplanting van dergelijk gebouw (…) helemaal (past) in de ruimtelijke context van de gelijkaardige commerciële gebouwen die in deze zone reeds gevestigd zijn", niet de gerechtvaardigde verwachting hebben doen ontstaan dat ook de gevraagde socio-economische machtiging zou worden verleend. Evenmin wordt aangenomen dat de verzoekende partij niet over het in rechte vereiste belang beschikt bij het aanvechten van de socio-economische machtiging die in beroep door het Interministerieel Comité voor de Distributie werd verleend".

De exceptie wordt verworpen.
Hoewel op het ogenblik van de feiten nog de oude Handelsvestigingenwet van 1975 van toepassing was, geldt o.i. dezelfde argumentatie nog steeds onder het toepassingsgebied van de huidige wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen.Lees het bericht op onze blog Handelsvestigingen.