06/02/2013

Federale Handelsvestigingenwet nog steeds in strijd met de Dienstenrichtlijn?

Dit is alvast de mening van Els Empereur en Kristof Hectors in hun recent artikel ‘Handelsvestigingen: Oude wijn in nieuwe zakken’ in het nieuwste Tijdschrift voor Bouwrecht en Onroerend Goed.

De auteurs bekritiseren de wet van 22 december 2009 tot aanpassing van sommige wetgevingen aan de richtlijn 2006/123/EG waarbij de beoordelingscriteria voor de sociaal-economische vergunningsaanvraag werden gewijzigd.

De auteurs zijn de mening toegedaan dat de wijzigende wet van22 december 2009 er niet voor gezorgd heeft dat de federale handelsvestigingenwet conform zou zijn met de zogenaamde Bolkensteinrichtlijn.  Ten eerste zouden de subcriteria van de inpassing in het stedelijk patroon en het effect op de stadskern even economisch (nl. erop gericht zijn om de leefbaarheid van bestaande handelszaken in de kern te waarborgen) geïnspireerd zijn als de oude regeling . Ten tweede zien de auteurs niet in waarom het behoud van de sociaal-economische vergunning noodzakelijk is omwille van het algemeen belang, waarbij in het bijzonder wordt gedacht aan de situatie na de aangekondigde regionalisering van de handelsvestigingenwet. Na regionalisering van de handelsvestigingenwet zou een integratie in de stedenbouwreglementering volgens aangewezen zijn.

In de nieuwe ‘Winkelnota 2.0’ dat de voorbode is van de nieuwe Vlaamse Handelsvestigingenreglementering wordt gekozen voor een instrumentele insluiting van wat nu de sociaal-economische vergunning is in de stedenbouwkundige procedure, tenzij daar waar het project geen stedenbouwkundige vergunning behoeft.

Referentie E. Empereur en K. Hectors,’Handelsvestigingen: Oude wijn in nieuwe zakken?’,TBO 2012, 293-296.Lees hier het bericht op onze blog Handelsvestigingen
30/01/2013

Dirk Van Heuven spreekt over regionalisering Ikea-Wet (Agentschap Ondernemen, Lamot, Mechelen, 15 maart 2013)

Dirk Van Heuven spreekt over de nieuwe, Vlaamse ‘Ikea-Wet’, na de voorziene regionalisering

De belangrijkste krachtlijnen van de nieuwe procedure, die waar mogelijk zal worden geïntegreerd in de stedenbouwkundige vergunningsprocedure, zijn terug te vinden in de nota ‘Winkelen in Vlaanderen 2.0’.

Dirk Van Heuven, Patrick Jordens en Willem De Laat bespreken deze winkelnota (Dirk Van Heuven van Publius en Willem De Laat van Idea Consult werken samen voor de Vlaamse regering met het oog op de totstandkoming van deze regelgeving). Minister-president Kris Peeters sluit de dag af.

Interesse?  Klik hier.
07/01/2013

Vlaamse regering stelt 'Winkelen in Vlaanderen 2.0' voor

Het volledige persbericht - waarin de toekomstige Vlaamse Handelsvestigingenreglementering nader wordt toegelicht - gaat als volgt:

'13 mio € voor kernversterking, renovatie, en aankoop handelspanden
Afgelopen vrijdag 21 december 2012, keurde de Vlaamse regering, op initiatief van minister-president Kris Peeters en minister Philippe Muyters, “Winkelen in Vlaanderen 2.0” goed. Dit is het vervolg op de startnota “Winkelen in Vlaanderen” uit 2010, waarmee de Vlaamse regering inzet op een kernversterkend detailhandelsbeleid.
De startnota “Winkelen in Vlaanderen” leidde tot heel wat concrete initiatieven en verwezenlijkingen. Afgelopen vrijdag dan werd, op initiatief van minister-president Peeters en minister Muyters, “Winkelen in Vlaanderen 2.0” goedgekeurd, een coherent pakket van nieuwe beleidsmaatregelen.
- Via dit pakket wordt voorzien in ondersteuning voor lokale besturen en nieuwe instrumenten inzake het ruimtelijke beleid. De Vlaamse regering reserveert 13 miljoen euro aan kernversterkende maatregelen, renovatie van handelspanden, en aankoop van handelspanden, wat zal leiden tot een investeringsplan van 43 miljoen euro.
- Bovendien wordt ook reeds ingegaan op het beleid met betrekking tot de handelsvestigingen, na de regionalisering van de zogenaamde IKEA-wetgeving.

Een geïntegreerd handelsvestingsbeleid
Regionalisering van de IKEA-wet – socio-economische vergunning

Afgelopen vrijdag werd beslist hoe de voorbereiding van de regionalisering van de IKEA-wet concreet zal gebeuren. Er wordt gekozen om continuïteit te geven aan de werking en doelstellingen van deze wetgeving, maar vanuit een maximale integratie in het ruimtelijk instrumentarium. Het voorliggende voorstel werd getoetst aan de Europese Dienstenrichtlijn.

De socio-economische vergunning zal na de regionalisering blijven bestaan, en de rechtsgrond voor deze regeling zal worden opgenomen in het decreet inzake het Grond- en Pandenbeleid. Er zal maximaal worden aangesloten bij de beproefde terminologie van de wet op de handelsvestigingen.
Wanneer ook een bouwvergunning vereist is, zal die daarin worden geïntegreerd. Uiteraard is dat ook het geval bij de invoering van de omgevingsvergunning. Om de socio-economische aspecten te bewaken wordt de aanvraag van een dergelijke bouwvergunning voor advies voorgelegd aan het agentschap Ondernemen, zonder dat dit impact zal hebben op de termijnen voor de bouwvergunning.

Wanneer er enkel een wijziging gebeurt aan het assortiment, waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is of wanneer deze vergunning valt onder de vrijstelling of meldingsplicht, blijft de socio-economische vergunning apart bestaan.
Er wordt daarmee maximaal aangesloten bij de huidige procedure, maar met een grondige vereenvoudiging. In beide gevallen blijft de mogelijkheid van beroep behouden.

Actievere benutting bestaande instrumenten
Behalve het beleid van de socio-economische vergunningen kiest de Vlaamse Regering ervoor om de bestaande instrumenten actiever te benutten zodat de kleinhandelsvisie – al dan niet uitgewerkt in een commercieel strategisch plan – kan vertaald worden naar haar plannings- en vergunningenbeleid. Dat kan bijvoorbeeld al via ruimtelijke structuurplannen en ruimtelijke uitvoeringsplannen.
Daarnaast zullen nog bijkomende mogelijkheden worden aangereikt, zoals de mogelijkheid om kernwinkelgebieden en winkelarme gebieden aan te duiden via een stedenbouwkundige verordening, door de opsomming van straten of door de aanhechting van een perimeterplan. De Vlaamse Codex zal bovendien worden aangepast waardoor gemeenten en provincies via stedebouwkundige verordening beperkingen qua afmetingen van gebouwen of van bepaalde functies kunnen opleggen in bepaalde zones, gekoppeld aan de versterking van de leefbaarheid en aantrekkingskracht van kern en kernwinkelgebieden. Dit laat bijvoorbeeld toe dat kleinhandel kan worden beperkt of uitgesloten in een bepaald gebied.

Investeringsplan voor de handel

De Vlaamse regering kan de grote lijnen schetsen, maar een kernverstekend beleid is in de eerste plaats het beleid van de lokale besturen. De Vlaamse regering wenst de lokale besturen daarin maximaal te ondersteunen. Op initiatief van minister-president Kris Peeters worden hiervoor diverse vormen van steun aangeboden zoals:
- Een leidraad bij de opmaak van een strategisch commercieel plan, wat een praktische gids is voor lokale besturen om tot een bewust een doordacht detailhandelsbeleid te komen.
- Via het kennisnetwerk detailhandel: samen met de provincies en met nauwe betrokkenheid van de werkgevers en gemeenten wordt onderzoek verricht dat lokale besturen concreet kan helpen bij de uitbouw van hun beleid. Zo worden o.m. data aangeboden over de evolutie van de detailhandel in de gemeente, over de koopstromen, … en worden per gemeente infofiches opgesteld met suggesties voor een optimaal beleid.
- initiatieven waarop de gemeenten kunnen intekenen, zoals bv. het project Commerciële Inspiratie dat een vervolg biedt op het proefproject Commerciële Innovatie. Momenteel loopt een aanbesteding voor dit vervolgtraject, waarbij in Vlaanderen 600 handelaars zullen begeleid worden in gemeenten die hiervoor interesse hebben.
De Vlaamse regering wil de lokale besturen verder aanmoedigen en financieel ondersteunen om werk te blijven maken hun sterke actor- en regisseursrol inzake een kernversterkend detailhandelsbeleid.

Daarom organiseert minister-president Peeters op 15 maart 2012 een nieuwe VIA-ronde tafel ‘Winkelen’ waarop de nieuwe lokale bestuurders worden uitgenodigd. Tijdens deze vergadering zal minister-president Peeters hen verzoeken om in de geïntegreerde beleidsplannen voor de nieuwe gemeentelegislatuur voldoende aandacht te schenken aan een doordacht handelsbeleid. Daarnaast zal minister-president Peeters een programma ‘handelskernversterking’ uitrollen, met de bedoeling om daarmee een hefboomeffect te creëren. Dit programma zal bestaan uit 3 oproepen:
1) Kernversterkende maatregelen: bewegwijzering, opstart centrummanagement, opwaarderen winkelstraat, opmaak detailhandelsvisie, verfraaiing van het openbaar domein, … kunnen noodzakelijk zijn om de handelskern attractief te houden en verloedering tegen te gaan. De Vlaamse regering wil de steden en gemeenten ondersteunen bij het opnemen van dergelijke laagdrempelige projecten. Zeer belangrijk bij deze oproep is dat de motivering voor de projecten moet gebaseerd zijn op de detailhandelsvisie van de gemeente (tenzij dit het project zelf is). De subsidie bedraagt 30% van de projectkosten met een maximum subsidiebedrag van 70.000 euro. Voor dit luik wordt 4 miljoen euro Vlaamse co-financiering beschikbaar gesteld.
2) Renovatie handelspanden: de EFRO-projectoproep ‘gevelrenovatie en renovatie leegstaande handelspanden’ heeft goede resultaten met zich gebracht. Daarom werd besloten een
gelijkaardig hoofdstuk op te nemen voor panden die niet per definitie moeten leegstaan. Gemeenten kunnen dus een gemeentelijk reglement opstellen voor een renovatiepremie voor handelszaken in de kernwinkelgebieden, en kunnen hierbij rekenen op een co-financiering van de Vlaamse overheid. Hiervoor wordt 4,5 miljoen euro beschikbaar gemaakt. De steun is beperkt tot 10.000 euro per dossier.

3) Aankoop handelspanden: Gemeenten kunnen financiële steun ontvangen voor de aankoop van panden in kernwinkelgebieden (die achteraf gebruikt worden als handelspanden), de verbouwing van panden en voor de makelaarskosten. Door deze financiële stimulans wil de Vlaamse regering de steden en gemeenten stimuleren de drempelvrees te overwinnen en te zoeken naar manieren om vastgoed strategisch in te zetten voor het behalen van de doelstellingen rond kernversterking. Door zelf de vastgoedmarkt te betreden kan het lokale bestuur panden samenvoegen, bepaalde panden in te plannen voor startende handelaars en bepaalde locaties nieuw leven inblazen, … . Er wordt maximaal 500.000 euro voorzien voor centrumsteden en 400.000 euro voor de andere. Deze oproep loopt totdat het budget van 4,5 miljoen euro is uitgeput. Om de kostprijs van handelspanden door dergelijke bestaande of nieuwe initiatieven niet onnodig te laten stijgen, zal in het grond- en pandendecreet een voorkooprecht worden ingeschreven ten gunste van de gemeenten voor handelspanden binnen een aangeduid kernwinkelgebied
Met deze drie oproepen stelt Vlaanderen 13 miljoen euro cofinanciering ter beschikking, wat zal leiden tot een investeringsplan van minstens 43 miljoen euro.
Daarnaast zal kernversterking in het nieuwe EFRO programma expliciet aandacht krijgen, zodat ook in toekomst nog nieuwe projecten die kernversterking tot doel hebben, vanuit EFRO kunnen worden ondersteund

Algemene persinformatie:
Luc De Seranno, woordvoerder minister-president Peeters
Tel.: 02 552 60 12
luc.deseranno@vlaanderen.be
Thomas Pollet, woordvoerder van minister Muyters
Tel.: 0474 69 56 08
thomas.pollet@vlaanderen.be

Bijlage: enkele initiatieven die werden gerealiseerd sinds de winkelnota:
- De omzendbrief over de inplanting van grootschalige detailhandelszaken werd opgesteld, en de verwinkeling van bedrijventerreinen werd onmogelijk gemaakt door de aanpassing van het functiewijzigingsbesluit.
- Na een oproep werden 42 projecten van steden en gemeenten goedgekeurd. Met een budget van 8 miljoen euro werden meer dan 800 gevels van handelszaken en leegstaande panden gerenoveerd.
- Er worden na een oproep 9 proefprojecten ondersteund waarbij nieuwe concepten in bepaalde gemeenten worden uitgewerkt, zoals het project “sfeergebieden” in het centrum van Gent waar extra kansen worden gecreëerd voor speciaalzaken en unieke winkels, het project ‘Winkelweb’ in West-Vlaanderen waar het ondernemingscentrum in samenwerking met een aantal steden de ondernemers bewustmaken, informeren en begeleiden omtrent het belang van e-toepassingen en sociale media, … Hiervoor werd 2 miljoen euro uitgetrokken.
- Het afgelopen jaar doorliepen 125 individuele zelfstandigen in 8 gemeenten een individueel innovatietraject om de handelszaak te verbeteren.
- Er werd een leidraad opgesteld voor de lokale overheden, met betrekking tot de opmaak van een commercieel strategisch plan. Dit geeft de gemeenten niet enkel een strategie om te starten met een commercieel strategisch plan, maar geeft hen ook de mogelijkheid te benchmarken door een betere vergelijkbaarheid van de plannen.
- In samenwerking met de provincies en de VVSG en met betrokkenheid van de werkgeversfederaties, werd in september het Kennisnetwerk Detailhandel opgestart. Binnen dit kennisnetwerk kan de nodige knowhow opgebouwd worden voor het detailhandelsbeleid in de toekomst en kunnen de basisdata gezamenlijk aangekocht worden. Vandaag ontbreken immers vaak essentiële data om de impact van het beleid te kunnen opvolgen en evalueren. Ook tendensen in het winkellandschap zullen tijdig worden geïdentificeerd. De vergaarde informatie zal worden ter beschikking gesteld via een portaalsite.
- Aan de VVSG werd een werkingsbudget toegezegd om overlegtafels te organiseren over de kernversterking. De bedoeling hiervan is dat lokale besturen van elkaars goede voorbeelden leren zodat men niet overal telkens hetzelfde dient uit te vinden.
- De regeling dat de rente van een lening wordt vergoed indien een handelszaak moet sluiten door hinder bij openbare werken, werd uitgebreid tot lopende leningen waardoor de maatregel succesvoller werd en de kredieten hiervoor werden opgetrokken tot 3 miljoen'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
16/10/2012

Schorsingsprocedures maken weinig of geen kans bij handelsvestigingen (bis)

In een arrest nr. 220.854 van 2 oktober 2012 werd de vordering van een gemeente en van enkele kleinhandelaars afgewezen tegen de sociaal-economische vergunning voor de uitbreiding van een handelsgeheel.

Nogmaals wordt bewezen hoe dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in zaken van handelsvestigingen zelden tot nooit wordt aanvaard:

“Luidens artikel 17 § 3, vierde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bevat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat het enig verzoekschrift “een uiteenzetting (bevat) van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen.

Uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet moet aangeven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan. De verzoekende partij mag zich daarbij niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of dreigt te ondergaan.

Het moet voor de Raad van State immers mogelijk zijn met voldoende precisie in te schatten of er al dan niet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voorhanden is en het moet voor de verwerende partij mogelijk zijn zich tegen de door de verzoekende partij aangevoerde feiten en argumenten te verdedigen.

De verzoekende partij moet gegevens aanvoeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat zij ondergaat of kan ondergaan, hetgeen betekent dat zij aanduidingen zal moeten geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel.

Bij het beoordelen van deze schorsingsvoorwaarde kan alleen rekening worden gehouden met wat ter zake in het verzoekschrift is aangevoerd en met de bij dat verzoekschrift gevoegde stukken.
              
Met de verwerende partij en de tussenkomende partij moet worden vastgesteld dat de eerste verzoekende partij op geen enkele concrete wijze aannemelijk maakt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingrijpende gevolgen zal hebben voor de uitoefening van haar beleid of de vervulling van haar taken of de werking van haar diensten in het gedrang zal brengen, zodat in haren hoofde geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt aangetoond.

De tweede verzoekende partij, de nv L. is gevestigd (...) en exploitant van de handelszaak “G.”. 
De derde verzoeker, D.M., baat (...)  respectievelijk het restaurant  “B.” en de brasserie-tearoom “P." uit (beide maken deel uit van het shoppingcenter “M.”).
De vierde verzoekende partij, de nv G. M. , baat (...) een “A”-vestiging met benzinestation uit.

Het commercieel nadeel dat deze verzoekende partijen aanvoeren en dat het gevolg zou zijn van de moeilijkere bereikbaarheid van hun handelszaken, komt in wezen neer op een financieel nadeel. Een financieel nadeel is in beginsel niet moeilijk te herstellen. De verzoekende partijen brengen geen enkel concreet gegeven bij waaruit kan blijken dat dit te dezen wel het geval zou zijn. Het enkele betoog dat hun handelszaken ingevolge het verkeersaantrekkende effect van de verleende socio-economische vergunning moeilijker bereikbaar zullen zijn, volstaat niet om aan te tonen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit dermate in hun bedrijfsvoering zullen worden belemmerd dat hun voortbestaan of leefbaarheid ernstig in het gedrang wordt gebracht. De verzoekende partijen brengen overigens geen enkel concreet gegeven bij met betrekking tot hun financiële toestand, en de impact hierop ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden socio-economische vergunning.

Daarenboven blijkt uit de gegevens van de zaak dat de handelszaken van de tweede, de derde en de vierde verzoekende partij op ruime afstand van de vergunde handelsvestiging zijn gelegen en dat met de bestreden socio-economische vergunning geen rechtstreekse concurrenten in het betrokken “[handelsgeheel]" blijken te worden toegelaten.

Er dient dan ook te worden vastgesteld dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen geen concrete en precieze gegevens bevatten die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.”

Referentie : Pub503387-3

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/07/2012

Schorsingsprocedures (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) maken weinig of geen kans bij handelsvestigingen

In een arrest nr. 219.342 van 14 mei 2012 heeft de Raad van State zich uitgesproken over het beroep dat omwonenden hebben aangetekend tegen een sociaal-economische vergunning voor een supermarkt te Roeselare.

Gekozen werd voor de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, zijnde een super-spoedprocedure voor de Raad van State, alwaar op zeer korte termijn een arrest wordt bekomen (in deze zaak: inleiding 30 april 2012, arrest 14 mei 2012).

Om gebruik te kunnen maken van dergelijke procedure, moeten de verzoeker niet enkel  bewijzen dat de bestreden beslissing (de sociaal-economische vergunning) hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan toebrengen, maar bovendien dat een gewone schorsingsprocedure niet tijdig kan komen om dit nadeel te vermijden (dit is dan de uiterst dringende noodzakelijkheid).

In deze zaak slaagden verzoekende partijen niet in hun opzet:

“Een schorsing moet een verzoeker ervoor behoeden dat hij, in afwachting van een uitspraak ten gronde, ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een nadeel lijdt dat ernstig en moeilijk te herstellen is. Alleen in het uitzonderlijke geval dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zich reeds op een zo korte termijn dreigt te realiseren dat zelfs een schorsing te laat zou komen indien ze althans volgens de  gewone procedure wordt bevolen, kan een beroep op de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid gerechtvaardigd zijn.

Juist vanwege het uitzonderlijke karakter van de procedure en de beperkingen die deze procedure meebrengt onder meer op het vlak van de instructie van de zaak, moet het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid zo al niet apert zijn, dan toch in elk geval zodanig beargumenteerd en gestaafd worden dat deze zich als het ware opdringt.
Ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering verwijzen de verzoekers weliswaar naar het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij aanvoeren, doch zij verduidelijken op generlei wijze waarom dit nadeel dermate ernstig en onomkeerbaar zou zijn dat een schorsing volgens de gewone procedure hoe dan ook te laat zou komen en voor hen niet nuttig meer zou zijn.

De argumenten van de verzoekers dat de [houder van de sociaal-economische vergunning] “al het mogelijke (zal) doen om de schade naderhand te beperken” en dat het “niet uitgesloten (is) dat (zij) met de financiële consequenties van een sluiting zullen geconfronteerd worden”, evenals de mogelijke verwijten van morele aard zoals door de verzoekers uiteengezet, zijn niet alleen louter hypothetisch, doch tevens vreemd aan de  onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.”

Opgemerkt wordt dat er weinig of geen precedenten zijn waarbij succesvol tegen een sociaal-economische vergunning werd opgetreden middels een schorsingsprocedure, laat staan bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

De hoedanigheid van verzoekende partij zal ook van belang zijn. De kans om succesvol een schorsingsberoep aan te tekenen bij de Raad van State zal wellicht nog kleiner zijn voor verzoekers-concurrenten dan voor verzoekers-geburen.Lees hier het bericht op onze blog Handelsvestigingen.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht