10/06/2015

Planologische toets bij handelsvestigingen. Een communautaire twistappel?

Eerder hebben we bericht over de arresten nr. 207.259 van 9 september 2010,  nr. 211.892 van 10 maart 2011 en nr. 230.271 van 24 februari 2015 van de Xe Nederlandstalige .kamer van de Raad van State waarin in sterke bewoordingen wordt gesteld dat een planologische toets moet gebeuren bij de beoordeling van de aanvraag om een sociaal-economische vergunning.

Schijnbaar werd in het arrest nr.  222.808 van 11 maart 2013 door de XIIIe Franstalige kamer anders geoordeeld:

'Considérant, sur les deux branches du moyen, que l'acte attaqué a été pris par le CID saisi d'un recours en réformation réglé à l'article 11 de la loi du 13 août 2004 précitée; que le fait que le CID adopte une position différente de celle que d'autres autorités ont prise lors de l'examen de la demande d'autorisation socio-économique de la partie requérante ou d'autres demandes, ne constitue pas un revirement ou une attitude incohérente de la partie adverse;

Considérant, en ce qui concerne le rapport de la décision entreprise aux plans d'aménagement du territoire, que la loi du 29 juin 1975 relative aux implantations commerciales imposait que la délivrance d'un permis d'urbanisme précède la délivrance d'un permis socio-économique lorsqu'un permis d'urbanisme était nécessaire; que la loi du 13 août 2004 relative à l'autorisation d'implantations commerciales a mis fin à cette exigence; qu'en outre, cette volonté de rompre le lien
entre l'autorisation d'implantations commerciales et le droit régional de l'urbanisme se traduit aussi dans l'abandon de la condition de compatibilité des permis d'implantation commerciale avec les plans d'aménagement du territoire; qu'en effet, au cours des travaux préparatoires de la loi du 13 août 2004, la Ministre de l'Economie, de l'Energie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique a précisé qu'il ne fallait "pas subordonner la recevabilité de la demande relative à un projet d'implantations commerciales à la destination urbanistique du lieu d'implantation, dès lors qu'il appartient aux organes de la région de se prononcer, du point de vue de l'urbanisme et de l'aménagement du territoire, sur la question de la compatibilité avec la destination" (Doc. Parl. Ch., 51, 1035/07, Rapport, p. 25);

Considérant néanmoins que l'article 7, § 2, de la loi du 13 août 2004 relative à l'autorisation d'implantations commerciales établit dans les termes suivants les critères qui doivent être pris en considération lors de la délivrance d'une autorisation socio-économique :"Dans l'élaboration de l'avis, la localisation spatiale de l'implantation commerciale, la protection de l'environnement urbain et la protection du consommateur, ainsi que le respect de la législation sociale et du travail doivent être pris en considération"; que ces critères sont développés aux articles 2 à 5 de l'arrêté royal du 22 février 2005 précisant les critères à prendre en considération lors de l'examen des projets
d'implantation commerciale et de la composition du dossier socio-économique, modifié par l'arrêté royal du 13 janvier 2010; que cet arrêté dispose notamment comme suit :"Art. 2. En vue de préciser le critère relatif à la localisation spatiale visé à  l'article 7, § 2, alinéa 1er, de la loi, les éléments suivants sont pris en considération : 
1° l'insertion de l'implantation commerciale dans les projets locaux de développement ou dans le cadre du modèle urbain;
 2°  l'accessibilité de la nouvelle implantation par les transports en commun et par les moyens de transports individuels.
 Art. 3. En vue de préciser le critère relatif à la protection de l'environnement urbain visé à l'article 7, § 2, alinéa 1er, de la loi, les éléments suivants sont pris en considération :
 1°  l'incidence de l'implantation en matière de mobilité durable, notamment l'utilisation de l'espace et de la sécurité routière;
 2° l'incidence de l'implantation commerciale sur le noyau urbain dans le cadre des
exigences planologiques";

Considérant qu'il s'ensuit que l'autorité compétente pour examiner la demande d'autorisation d'implantation commerciale prend en considération l'affectation planologique sans être tenue par la valeur réglementaire des plans d'aménagement comme l'est une autorité chargée d'instruire une demande de permis d'urbanisme.'

Normaal gezien moet dit twistpunt beslecht worden door de Verenigde kamers van de Raad van State.  Misschien zal het door de regionalisering van de handelsvestigingenreglementering nooit zover komen...

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Raad van State, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/05/2015

Geen MER-plicht voor sociaal-economische vergunning

Zo is alvast het oordeel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur & Cultuur in het antwoord op de vraag nr. 20 van 5 oktober 2002 van Lydia Peeters:

‘Er bestaan geen MER-verplichtingen in het kader van een sociaal-economische vergunning. Het opleggen van een wettelijke verplichting om een MER toe te voegen bij de aanvraag van een sociaal-economische vergunning kan alleen op federaal vlak gebeuren.’

Zie hier een eerder blogbericht over deze materie.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, MER
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
16/03/2015

Raad van State vernietigt sociaal-economische vergunning Just Under The Sky

Op de website van de Raad van State verscheen vandaag volgend bericht:

Vernietiging socio-economische vergunning voor 'Just Under The Sky' (Docks Bruxsel)
Bij het arrest nr. 230.271 van 24 februari 2015 vernietigt de Raad van State het besluit van 7 januari 2013 waarbij het Interministerieel Comité voor de Distributie de socio-economische vergunning verleent voor het handelscomplex ‘Just Under the Sky’ (thans: Docks Bruxsel) aan de Van Praet-brug te Brussel.

De Raad van State overweegt vooreerst dat het Interministerieel Comité voor de Distributie de aanvraag niet op een ernstige wijze aan de stedenbouwkundige voorschriften van het Brusselse Gewestelijk Bestemmingsplan heeft getoetst. Bij gebrek aan een eigen gemotiveerd standpunt over de verenigbaarheid van de aanvraag met het Brusselse Gewestelijk Bestemmingsplan, schendt het Interministerieel Comité voor de Distributie de formelemotiveringsplicht. Daarnaast is de Raad van State van oordeel dat de verkeers- en parkeerproblematiek voor de vergunning van het project essentieel is, maar dat het Interministerieel Comité voor de Distributie geen voldoende antwoord biedt voor de mobiliteitsproblematiek.
(24/02/2015)

De bestreden beslissing ging nog uit van het federale Interministeriel Comité voor de Distributie.  Er wordt een motiveringsgebrek weerhouden door de Raad van State:

'9.1. Anders dan de tussenkomende partijen dit zien, dient het comité een eigen toetsing van de aanvraag aan de stedenbouwkundige voorschriften van het BGB uit te voeren. De excepties van de tussenkomende partijen desbetreffend zijn ongegrond.

9.2. Ten gronde moet verzoeker worden bijgetreden, waar hij stelt dat het bestreden besluit op het punt van de planologische toetsing van de aanvraag niet eenduidig en duidelijk is. Weliswaar worden in dit besluit de standpunten van de aanvrager en van het NSECD weergegeven, maar vervolgens ontbreekt elke ernstige afweging en toetsing van het gevraagde aan de stedenbouwkundige voorschriften van het BGB (Brusselse Gewestelijk Bestemmingsplan) en de formulering van een gemotiveerd standpunt van het comité zelf. In essentie beperkt het comité zich te dezen tot een verwijzing naar de voor het complex verleende stedenbouwkundige vergunning en certificaat en het arrest van de Raad van State nr. 193.653 van 29 mei 2009 in de zaak Basilix met betrekking tot de inhoud van het begrip winkelcentrum.

9.3. Bij gebrek aan een eigen gemotiveerd standpunt omtrent de planologische verenigbaarheid van het gevraagde met het BGB, schendt het comité de formelemotiveringsplicht.

9.4. Het middel is in de aangegeven mate gegrond.

(...)

11.1. Zoals hoger gezien, vormt de mobiliteitsproblematiek, anders dan de tussenkomende partijen dit zien, wel degelijk een aspect dat bij de beoordeling van een socio-economische vergunningsaanvraag in overweging moet worden genomen. De excepties van deze partijen desbetreffend zijn ongegrond.

11.2. De omstandigheid dat voor de kwestieuze handelsvestiging een milieuvergunning en stedenbouwkundige vergunning is verleend, belet niet dat het comité zelf een afdoende gemotiveerde beoordeling moet geven met betrekking tot de mobiliteitsproblematiek, zoals die blijkt uit het dossier, inzonderheid de vergunningsaanvraag zelf en het negatief advies van het NSECD.

11.3. Met betrekking tot de mobiliteitsproblematiek stelt het bestreden besluit vast dat het project duidelijk in minder parkeergelegenheid voorziet dan andere shoppingcomplexen, maar dat dit een door de aanvrager gewild gegeven is om een beleid van multimodale mobiliteit te kunnen voeren. Vervolgens wordt gesteld dat de site voor iedereen (te voet, met het openbaar vervoer en middels alle andere individuele vervoersmiddelen) bereikbaar is en dat de aanvrager aanvoert dat een aantal ingrepen (de wijziging van twee tramhaltes, de verlenging van de tunnel onder het treinstation van Schaarbeek die ter studie ligt, de toekomstige ontwikkeling van het Gewestelijk expressnetwerk) voor een nog betere bereikbaarheid zullen zorgen. Besloten wordt dat het project aldus beantwoordt aan de vereisten van bereikbaarheid, zowel wat het private als het openbare transport betreft, en dat dit ook uit de verleende stedenbouwkundige en milieuvergunning voor het project blijkt. 

11.4. Verder wordt onder de hoofding “bescherming van het stedelijk milieu” van het bestreden besluit nog overwogen dat de aanvrager melding maakt van een stedenbouwkundige vergunning voor een nieuwe verkeersrotonde die de verkeerssituatie op de Lambermontlaan zal verbeteren, alsook dat de aanvrager de ambitie heeft om maximaal 50% van de bezoekers met de wagen te laten komen. Opnieuw wordt als besluit verwezen naar de stedenbouwkundige vergunningsprocedure in het kader waarvan zou zijn gebleken dat het project in de stedelijke omgeving inpasbaar is.

11.5. De voormelde overwegingen van het bestreden besluit kunnen niet als een afdoende motivering met betrekking tot de mobiliteitsproblematiek volstaan, noch bevat ten minste het administratief dossier een document waaruit mag blijken dat het comité zich op een ernstige wijze over dit aspect heeft gebogen. De verkeers- en parkeerproblematiek is blijkens de gegevens van het dossier voor het vergunde project essentieel, zodat het bestreden besluit niet kan volstaan met een aantal weinig overtuigende overwegingen betreffende de “voldoende” mogelijkheden om van het openbaar vervoer gebruik te maken, de “bewuste” optie om bezoekers naar deze openbare vervoersmodi te “sturen” door weinig parkeerruimte te voorzien, het “ambitieuze plan” van de aanvrager om het aantal bezoekers die met de auto zouden komen tot maximaal 50% van het totale aantal bezoekers terug te dringen, en de verwijzingen naar verschillende verkeers- en infrastructuuringrepen die nog in de toekomst zouden moeten worden beslist of uitgevoerd.

11.6. Gelet op het voormelde, geeft het comité geen voldoende rechtszeker antwoord op de uit het dossier blijkende mobiliteitsproblematiek. De a posteriori-motieven die de verwerende partij en de tussenkomende partijen over deze problematiek in hun procedurestukken verstrekken, vermogen dit niet te verhelpen.

Het middel is in de aangegeven mate gegrond'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, ICD, Mobiliteit, Motivering
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/02/2015

Hoe het Vlaams Interministerieel Comité voor de Distributie in rechte aan te spreken?

Alles blijft als vanouds, zij het dat ‘De Belgische Staat’ wordt vervangen door ‘het Vlaams Gewest’.

Tegenpartij voor de Raad van State is aldus: het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Minister bevoegd voor Werk, Economie, Innovatie en Sport én het Interministerieel Comité voor de Distributie.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, ICD
Stel hier je vraag bij dit blogbericht