20/06/2018

Assortimentsbeperkingen en de Europese Dienstenrichtlijn. Quo vadis? Een eerste uitspraak van de Nederlandse Raad van State

In ons blogbericht van 19 februari 2018 lichtten we het arrest van het Hof van Justitie van 30 januari 2018 toewaarbij het Hof bevestigde dat detailhandel wordt gevat door de Europese Dienstenrichtlijn.

Verder luidde het in het arrest onder meer dat assortimentsbeperkingen in bestemmingsplannen mogelijk zijn, maar dat deze moeten voldoen aan de eisen van artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn dat in zoveel woorden stelt dat beperkingen in bestemmingsplannen mogelijk zijn mits zij (a) geen discriminatie inhouden; (b) noodzakelijk zijn om redenen van algemeen belang en (c) de beperkingen niet verder gaan dan nodig om het nagestreefde doel - in casu de bescherming van het stedelijk milieu - te bereiken (= evenredigheidstoets).

Deze uitspraak kwam er naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Nederlandse Raad van State in een zaak waarin een vastgoedbedrijf het bestemmingsplan van de stad Appingedam bestrijdt (voor de feiten: zie ons eerder blogbericht van 13 januari 2016). Eén van de door het vastgoedbedrijf aangehaalde middelen betrof de strijdigheid met de Europese Dienstenrichtlijn, daar het bedrijf meent dat het bestemmingsplan ten onrechte schoenen- en kledingwinkels uitsluit op het Woonplein in de stad Appingedam.

Vandaag - 20 juni 2018 - sprak de Nederlandse Raad van State zich uit over de conformiteit van de assortimentsbeperkingen in het bestemmingsplan van de stad Appingedam met de Dienstenrichtlijn.

Het luidt dat aan de eerste 2 voorwaarden van artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn - het discrimitieverbod en voorwaarde van noodzakelijkheid - voldaan is, maar er zich een probleem stelt bij de evenredigheidstoets.

'13.1.    De [gemeente]raad gaat ervan uit dat de brancheringsregeling in het bestemmingsplan geschikt is om de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden en leegstand in binnenstedelijk gebied te voorkomen. Daarbij gaat de raad uit van de veronderstelling dat, indien branchering op het Woonplein wordt losgelaten, dit tot gevolg heeft dat in het centrum van Appingedam gevestigde of nog niet in Appingedam gevestigde reguliere detailhandel zich zal vestigen op het Woonplein, hetgeen door vertrek van of druk op detailhandel in het centrum zal leiden tot een minder aantrekkelijke mix aan winkels in het centrumgebied.

13.2.    De Afdeling acht het op zichzelf mogelijk dat deze op algemene ervaringsregels gebaseerde veronderstelling opgaat. Daarbij betrekt de Afdeling de Conclusie van Advocaat-Generaal Szpunar van 18 mei 2017, [appellante], ECLI:EU:C:2017:397, waarnaar het Hof onder 135 verwijst:

"147 […] Een gemeente kan er belang bij hebben om via een bestemmingsplan te bevorderen dat de binnenstad haar dynamiek en oorspronkelijk karakter behoudt. Regulering van de vestigingsmogelijkheden voor winkels kan in algemene zin onderdeel zijn van een dergelijk beleid. Bovendien is het mogelijk dat een gemeente ook de hoeveelheid en doorstroming van het verkeer binnen en buiten de stad wil beïnvloeden. […]
148 […] Winkelcentra buiten de binnenstad hebben een zichzelf versterkend effect. Wanneer bepaalde winkels zich eenmaal buiten de stadskern bevinden en de inwoners daar met de auto heen gaan, wordt die locatie ook aantrekkelijker voor andere winkels die tot dusverre in de binnenstad waren gevestigd. De enige manier om de negatieve gevolgen van een verkeerstoename en een lege binnenstad te vermijden is dus om de mogelijkheden voor dienstverrichters om zich buiten de binnenstad te vestigen, te beperken."

Het lijkt derhalve mogelijk dat - al dan niet als onderdeel van een pakket aan andere maatregelen − een oorzakelijk verband bestaat tussen enerzijds regulering van de vestigingsmogelijkheden voor winkels en anderzijds het behoud van de dynamiek en het oorspronkelijk karakter en daarmee de leefbaarheid van het stadscentrum en het voorkomen van leegstand in binnenstedelijk gebied. Uit de hiervoor genoemde rechtspraak van het Hof volgt dat het aan de regulerende overheid is, in dit geval aan de raad van de gemeente Appingedam, om de ingenomen stelling over de effectiviteit van de maatregel te onderbouwen aan de hand van een analyse met specifieke gegevens. De raad is daarin naar het oordeel van de Afdeling niet geslaagd.

Ter onderbouwing van dit verband heeft de raad zich immers alleen op algemene ervaringsregels beroepen, zonder daarnaast onderzoeksgegevens of andere gegevens over te leggen waarmee de gestelde gevolgen van vestigingsmogelijkheden ter plaatse van het Woonplein op de samenstelling van het winkelaanbod en de leegstand in het centrum van Appingedam aannemelijk worden gemaakt. De raad had bijvoorbeeld resultaten van onderzoek naar de effectiviteit van ruimtelijk detailhandelsbeleid op landelijk, provinciaal of lokaal niveau, of gegevens ontleend aan koopstromenonderzoek, voor zover deze onderzoeken toepasbaar zijn op de specifieke situatie in Appingedam, in ogenschouw kunnen nemen. Daarbij had de raad rekening kunnen houden met beschikbare (onderzoeks)gegevens over de effecten van detailhandelsbeleid in krimpregio’s, zoals de regio waarin Appingedam is gelegen, en − indien voorhanden - meer in het bijzonder de effecten van branchering in dergelijke regio’s. De raad heeft dit echter nagelaten. Aldus ontbreekt een analyse van de geschiktheid van de door de raad genomen maatregel en ontbreken specifieke gegevens ter onderbouwing van zijn betoog over de geschiktheid van de getroffen maatregel. Bij gebreke hiervan kan de Afdeling thans niet beoordelen of de raad redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat de in het plan opgenomen brancheringsregeling geschikt is om de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden en verdere leegstand in het binnenstedelijk gebied van Appingedam te voorkomen.

13.3.    Onder deze omstandigheden kan thans evenmin worden beoordeeld of de raad redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat de opgenomen brancheringsregeling niet verder gaat dan nodig is om het beoogde doel te bereiken en dat doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.

Aan de ene kant twijfelt de Afdeling of uitsluitend door het treffen van andere maatregelen die bijdragen aan een aantrekkelijk centrum, zoals genoemd in de Quickscan en de Projectenmap, de beoogde aantrekkelijke mix aan winkels in combinatie met aanvullende horeca en culturele voorzieningen in het centrum kan worden behouden of bereikt. Deze maatregelen hebben immers voornamelijk betrekking op de inrichting van de openbare ruimte.

Aan de andere kant is het volgens de Afdeling, zoals hiervoor overwogen, weliswaar mogelijk dat de veronderstelling van de raad opgaat dat het loslaten van de bestemmingsregeling zal leiden tot een minder aantrekkelijke mix aan winkels in het centrum. Deze veronderstelling heeft de raad echter niet onderbouwd door middel van een analyse met specifieke gegevens. Bij afwezigheid van een dergelijke analyse kan niet worden uitgesloten dat leegstand in het centrum ook kan worden voorkomen met een minder beperkende brancheringsregeling of met andere minder beperkende maatregelen. Bij gebreke aan een analyse met specifieke gegevens kan de Afdeling thans niet beoordelen of de raad redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat de opgenomen brancheringsregeling niet verder gaat dan nodig is om het beoogde doel te bereiken en dat doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.'

De Nederlandse Raad van State stelt met andere woorden dat op vandaag niet kan worden uitgemaakt of aan de voorwaarde van evenredigheid van de Dienstenrichtlijn is voldaan. De stad Appingedam kon niet op basis van algemene stellingen overwegen dat als op het Woonplein ook reguliere detailhanden (waaronder schoenen en kledij) zou worden toegelaten dit zou zorgen voor een minder leefbaar centrum met meer leegstaande winkels.

Het arrest van de Nederlandse Raad van State betreft een tussenarrest. De gemeenteraad van de stad Appingedam krijgt van de Raad een half jaar de tijd om de evenredigheid van de assortimentsbeperkingen in het bestemmingsplan alsnog te onderbouwen of het bestemmingsplan aan te passen. Daarna zal de Raad beoordelen een definitieve uitspraak doen over de vraag of de brancheringsregels in het bestemmingsplan 'Appingedam' zijn toegestaan.

Wordt vervolgd!

19/02/2018

Hof van Justitie: detailhandel wordt gevat door de Dienstenrichtlijn

In onze eerdere blogberichten 'Zijn assortimentsbeperkingen voor detailhandel in ruimtelijke uitvoeringsplannen strijdig met de Dienstenrichtlijn?' en 'Advocaat-generaal bij het Hof van Justitie: detailhandel wordt wel degelijk gevat door de Dienstenrichtlijn' lichtten we reeds kort de feiten en de conclusie van de advocaat-generaal M. Spunar toe.

Nu heeft ook het Hof van Justitie in zijn arrest van 30 januari 2018 in het kader van de gevoegde prejudiciële zaken C-360/15 en C-31/16 bevestigd dat detailhandel wordt gevat door de Dienstenrichtlijn:

' 84    Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in essentie te vernemen of artikel 4, punt 1, van richtlijn 2006/123 aldus moet worden uitgelegd dat de activiteit bestaande in detailhandel in goederen als schoenen en kleding een „dienst” is waarop de bepalingen van die richtlijn van toepassing zijn

 85     Blijkens het verzoek om een prejudiciële beslissing houdt de twijfel van de verwijzende rechterlijke instantie dienaangaande hoofdzakelijk verband met de omstandigheid dat het Hof in het arrest van 26 mei 2005, Burmanjer e.a. (C‑20/03, EU:C:2005:307, punten 33‑35), heeft geoordeeld dat een nationale regeling voor ambulante verkoop die betrekking heeft op de voorwaarden voor het op de markt brengen van een bepaald soort goederen, onder de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van goederen, en niet onder die inzake het vrij verrichten van diensten valt.

 86     Zoals in punt 58 van het onderhavige arrest is opgemerkt, is richtlijn 2006/123 overeenkomstig artikel 2, lid 1, ervan van toepassing op de diensten van dienstverrichters die in een lidstaat zijn gevestigd, met uitsluiting van de in artikel 2, leden 2 en 3, ervan bedoelde activiteiten en aangelegenheden.

 87     Bovendien wordt overeenkomstig artikel 4, punt 1, van die richtlijn voor de toepassing van deze laatste onder „dienst” verstaan elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 57 VWEU.

 88     In het onderhavige geval lijdt het geen twijfel dat de activiteit van detailhandel in het hoofdgeding in de eerste plaats een economische activiteit anders dan in loondienst tegen vergoeding vormt en in de tweede plaats niet valt onder de uitsluitingen van de werkingssfeer van richtlijn 2006/123 bedoeld in artikel 2, leden 2 en 3, van deze laatste. Bovendien worden werkzaamheden van commerciële aard in artikel 57 VWEU uitdrukkelijk vermeld op de niet-uitputtende lijst van verrichtingen die dat artikel als diensten definieert.

 89     Voor het overige wordt in overweging 33 van richtlijn 2006/123 beklemtoond dat de diensten waarop deze richtlijn betrekking heeft, zeer diverse, voortdurend veranderende activiteiten betreffen, met de uitdrukkelijke vermelding dat tot die activiteiten diensten behoren die zowel aan bedrijven als aan particulieren worden verleend, zoals de distributiehandel.

 90     Aangezien in het hoofdgeding de handel in goederen aan de orde is, moet er nog op worden gewezen dat overweging 76 van richtlijn 2006/123, onder verwijzing naar de verhouding tussen deze richtlijn en de artikelen 34 tot en met 36 VWEU, betreffende het vrije verkeer van goederen, enkel preciseert dat de beperkingen waarop zij betrekking heeft eisen met betrekking tot de toegang tot of de uitoefening van dienstenactiviteiten en niet eisen ten aanzien van de goederen zelf betreffen. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, betreffen de voorschriften van het bestemmingsplan in het hoofdgeding niet de goederen zelf, maar de voorwaarden voor de geografische ligging van activiteiten in verband met de verkoop van bepaalde goederen, dus de voorwaarden voor toegang tot die activiteiten.

 91     In die omstandigheden moet de activiteit bestaande in de detailhandel in goederen als schoenen en kleding worden geacht onder het begrip „dienst” in de zin van artikel 4, punt 1, van die richtlijn te vallen.

 92     Aan die uitlegging kan niet afdoen de door de verwijzende rechterlijke instantie vermelde rechtspraak van het Hof aangaande de verhouding tussen enerzijds de bepalingen van het VWEU betreffende het vrij verrichten van diensten en anderzijds die betreffende de overige door dat Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden, die niet kan worden getransponeerd voor de bepaling van de werkingssfeer van richtlijn 2006/123.

 93     Wanneer in navolging van de Nederlandse regering werd aanvaard dat die richtlijn niet van toepassing is wanneer de omstandigheden van het betrokken geval verband houden met de vrijheid van vestiging, zou daarmee, zoals de advocaat-generaal in punt 76 van zijn conclusie opmerkt, aan hoofdstuk III van die richtlijn, betreffende de vrijheid van vestiging van dienstverrichters, zijn werkingssfeer en daarmee aan die richtlijn, die belemmeringen voor de uitoefening van de vrijheid van vestiging beoogt weg te nemen, haar nuttige werking kunnen worden ontnomen.

 94     Meer in het algemeen draagt het feit dat de toepasselijkheid van richtlijn 2006/123 niet afhangt van een voorafgaande analyse van het gewicht van het aspect betreffende het vrij verrichten van diensten gelet op de omstandigheden van iedere zaak, bij tot de verwezenlijking van de doelstelling van rechtszekerheid die die richtlijn beoogt te waarborgen, zoals uit overweging 5 ervan blijkt.

 95     Een dergelijke analyse zou bovendien een zeer bijzondere ingewikkeldheid meebrengen voor de detailhandel in goederen, die thans behalve de rechtshandeling verkoop een toenemend aantal nauw met elkaar verband houdende activiteiten of diensten omvat die tot doel hebben om de consument ertoe aan te zetten die handeling met een bepaalde marktdeelnemer en niet met een andere te verrichten, hem advies te geven en hem bij te staan bij het verrichten van die handeling alsook klantenservice aan te bieden, en die afhankelijk van de betrokken winkelier aanzienlijke verschillen kunnen vertonen.

 96     Bovendien zou, indien een nationale maatregel gelijktijdig aan de bepalingen van richtlijn 2006/123 en aan de bepalingen van het VWEU werd getoetst, voor het geval dat onmogelijk kan worden bepaald of de met het vrij verrichten van diensten verband houdende aspecten zwaarder wegen dan die verband houdend met andere fundamentele vrijheden, dat erop neerkomen dat een onderzoek van geval tot geval op grond van het primaire recht wordt ingevoerd, waarmee de door die richtlijn nagestreefde doelgerichte harmonisatie zou worden ondermijnd (zie in die zin arrest van 16 juni 2015, Rina Services e.a., C‑593/13, EU:C:2015:399, punten 37 en 38).

 97     Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 4, punt 1, van richtlijn 2006/123 aldus moet worden uitgelegd dat de activiteit bestaande in detailhandel in goederen, voor de toepassing van die richtlijn een „dienst” vormt.'

Verder in het arrest van het Hof van Justitie luidt het dat (a) er voor de toepasselijkheid van de Dienstnerichtlijn geen sprake hoeft te zijn van een internationale dimentsie en (b) assortimentsbeperkingen in bestemmingsplannen mogelijk zijn, maar moeten voldoen aan de eisen van artikel 15, 3de lid van de Europese Dienstenrichtlijn dat als volgt luidt:

'De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel;
b) noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
c) evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt.'

Het komt volgens het Hof van Justitie en conform artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn derhalve de lidstaten - en de nationale rechter - toe te toetsen of in geval van assortimentsbeperkingen in bestemmingsplannen aan de 3 voorwaarden van artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn voldaan is.

Het Hof van Justitie heeft wél in zoveel woorden gesteld dat indien de voorschriften in een bestemmingsplan de bedoeling hebben de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden of leegstand in binnenstedelijk gebied te voorkomen, dat er sprake kan zijn van een dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheidseis).

Ook in Vlaanderen bestaan er veel bestemmingsplannen die in assortimentsbeperkingen voorzien en vaak verantwoord worden vanuit het oogmerk om de leefbaarheid van het stadscentrum te beschermen. Ook in deze gevallen lijkt alvast aan de noodzakelijkheidsvereiste voldaan. Rest evident nog de toets aan de non-discriminatie-eis en de redelijkheidseis...

Mogelijks wringt het schoentje bij de toets aan de redelijkheidseis van artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn, nu zal moeten kunnen aangetoond worden dat het doel - zijnde de bescherming van de leefbaarheid van het stadscentrum - niet met andere, minder beperktende maatregelen kan worden bereikt.

We zijn alvast benieuwd hoe de Nederlandstalige Raad van State zal omgaan met het prejudicieel arrest en de evenredigheidstoets zal beoordelen.

Wij houden u evident verder op de hoogte!

 

 

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dienstenrichtlijn, Handelsvestigingen, Integraal handelsvestigingenbeleid, Leandra Decuyper
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/01/2016

Zijn assortimentsbeperkingen voor detailhandel in ruimtelijke uitvoeringsplannen strijdig met de Dienstenrichtlijn?

Dat weten we niet, maar de Nederlandse Raad van State heeft daarover vandaag prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie.

Hierbij het persbericht van de Nederlandse Raad van State:

'Raad van State wil uitleg over Europese Dienstenrichtlijn

Woensdag 13 januari 2016

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft vandaag (13 januari 2016) prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie in Luxemburg. De Raad van State wil van het Hof uitleg over de Europese Dienstenrichtlijn.

Aanleiding

De gemeenteraad van Appingedam heeft het bestemmingsplan 'Stad Appingedam' vastgesteld. Het bestemmingsplan heeft betrekking op het Woonplein aan de rand van Appingedam. Het Woonplein is een winkelgebied voor omvangrijke detailhandel, zoals meubelen, keukens en bouwmaterialen. Een vastgoedbedrijf is het er niet mee eens dat daar geen schoen- en kledingwinkel mag worden gevestigd. Het vindt dat de gemeenteraad in strijd handelt met de Europese Dienstenrichtlijn door daar alleen detailhandel in omvangrijke goederen toe te staan.

Dienstenrichtlijn van toepassing?

De Afdeling bestuursrechtspraak ziet zich voor de vraag gesteld of de Europese Dienstenrichtlijn van toepassing is. Daarom wil zij allereerst van het Hof weten of detailhandel, die bestaat uit de verkoop van goederen aan consumenten, een dienst is. Daarnaast wil de Afdeling bestuursrechtspraak weten of de Dienstenrichtlijn van toepassing is op ruimtelijke-ordeningsvoorschriften die ertoe strekken de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden en leegstand tegen te gaan. Ten derde wil de Afdeling bestuursrechtspraak duidelijkheid over de vraag of in deze zaak sprake is van een zogenoemde 'zuiver interne situatie' en of de Dienstenrichtlijn op zo’n situatie van toepassing is.

Toetsing aan de EU-regels

Als de Dienstenrichtlijn volgens het Hof van Justitie op deze zaak toegepast moet worden, ziet de Afdeling bestuursrechtspraak zich voor de volgende vragen gesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vraagt of de ruimtelijke-ordeningsvoorschriften in deze zaak moeten worden aangemerkt als eisen of als een vergunningstelsel zoals bedoeld in de Dienstenrichtlijn. Afhankelijk van het antwoord op die vraag wil de Afdeling bestuursrechtspraak weten of deze voorschriften dan in strijd zijn met de Dienstenrichtlijn. Mocht de Dienstenrichtlijn niet van toepassing zijn, dan wil de Afdeling bestuursrechtspraak antwoord op de vraag of de algemene verdragsbepalingen voor het vrij verkeer gelden en aan de voorschriften van het bestemmingsplan in de weg staan.

Eerdere vragen

De Afdeling bestuursrechtspraak stelde in juli 2014 al eerder vragen aan het Hof van Justitie over de Dienstenrichtlijn. Het Hof heeft die op 1 oktober 2015 beantwoord. Bij de Afdeling bestuursrechtspraak bestaan echter nog vragen over (onder meer) het toepassingsbereik van de Dienstenrichtlijn. Daarom heeft zij vandaag deze verdere vragen gesteld.

Schorsing behandeling

De behandeling van de zaak bij de Afdeling bestuursrechtspraak wordt geschorst in afwachting van de antwoorden van het Hof in Luxemburg. Dit duurt naar verwachting ongeveer een tot anderhalf jaar. Daarna zal de Afdeling bestuursrechtspraak de behandeling voortzetten en uiteindelijk een definitieve uitspraak doen in deze zaak'.

Lees hier de volledige tekst van de verwijzingsuitspraak met zaak nummer 201309296/4.

En lees ter herinnering nog dit eerdere blogbericht: http://www.handelsvestigingen.info/2014/09/nederlandse-raad-van-state-retail.html
20/09/2014

Nederlandse Raad van State: retail (detailhandel) valt niet onder Dienstenrichtlijn!

In een belangwekkend arrest nr. 201310226/1/A1 van 30 juli 2014 oordeelde de Nederlandse Raad van State dat de Dienstenrichtlijn (ook Bolkesteinrichtlijn genoemd) niet van toepassing is op detailhandel.

De Raad verwierp als volgt het middel dat erin bestond dat een bestemmingsvoorschrift niet wettig kleinhandel mocht verbieden:

'3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 5.3.3 van de planvoorschriften. Volgens appellan liggen aan dit artikel economische motieven ten grondslag, hetgeen in strijd is met de richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (hierna: Dienstenrichtlijn). Dit artikel moet dan ook buiten toepassing worden gelaten.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 25 juli 2012 in zaak nr. 201105171/1/A2 en in haar uitspraak van 19 juni 2013, zaak nr. 201203334/1/A3 is de Dienstenrichtlijn, gelet op artikel 2, eerste lid, en artikel 4, aanhef en onder 1 van de Dienstenrichtlijn, slechts van toepassing als er sprake is van dienstverrichting, in welk verband voor de betekenis van het begrip "dienst" wordt verwezen naar artikel 50 van het EG-verdrag (thans: artikel 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). Daarbij wijst de Afdeling er op dat de Dienstenrichtlijn blijkens randnummer 76 van haar considerans geen betrekking heeft op de toepassing van de artikelen 28 tot en met 30 van het EG-verdrag (thans: de artikelen 34 tot en met 36 van het VWEU) over het vrije verkeer van goederen. De beperkingen die als gevolg van de bepaling over het vrij verrichten van diensten verboden zijn, betreffen eisen met betrekking tot de toegang tot of de uitoefening van dienstenactiviteiten en niet eisen ten aanzien van goederen.

De Afdeling is van oordeel dat de economische activiteiten die appellant op het perceel wenst te ontplooien en die het college op grond van artikel 5.3.3 van het bestemmingsplan niet toestaat, geen diensten vormen in de zin van artikel 4, aanhef en onder 1, van de Dienstenrichtlijn en artikel 57 van het VWEU, maar de verkoop van goederen betreffen. Dientengevolge is deze richtlijn niet van toepassing op de activiteiten die appellant wil verrichten. Het bestreden besluit en het onderhavige bestemmingsplan-voorschrift, dat (detail)handel in de vorm van een aan huis verbonden bedrijf niet toestaat, dienen om die reden niet aan de Dienstenrichtlijn te worden getoetst. Dit leidt tot de conclusie dat reeds hierom dit besluit niet met de Dienstenrichtlijn in strijd is.

Het betoog faalt'.

Ook in België (en Vlaanderen) zal dit arrest met zeer veel aandacht gelezen worden.Lees hier het belanghebbende bericht op onze blog Handelsvestigingen.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dienstenrichtlijn, Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
06/02/2013

Federale Handelsvestigingenwet nog steeds in strijd met de Dienstenrichtlijn?

Dit is alvast de mening van Els Empereur en Kristof Hectors in hun recent artikel ‘Handelsvestigingen: Oude wijn in nieuwe zakken’ in het nieuwste Tijdschrift voor Bouwrecht en Onroerend Goed.

De auteurs bekritiseren de wet van 22 december 2009 tot aanpassing van sommige wetgevingen aan de richtlijn 2006/123/EG waarbij de beoordelingscriteria voor de sociaal-economische vergunningsaanvraag werden gewijzigd.

De auteurs zijn de mening toegedaan dat de wijzigende wet van22 december 2009 er niet voor gezorgd heeft dat de federale handelsvestigingenwet conform zou zijn met de zogenaamde Bolkensteinrichtlijn.  Ten eerste zouden de subcriteria van de inpassing in het stedelijk patroon en het effect op de stadskern even economisch (nl. erop gericht zijn om de leefbaarheid van bestaande handelszaken in de kern te waarborgen) geïnspireerd zijn als de oude regeling . Ten tweede zien de auteurs niet in waarom het behoud van de sociaal-economische vergunning noodzakelijk is omwille van het algemeen belang, waarbij in het bijzonder wordt gedacht aan de situatie na de aangekondigde regionalisering van de handelsvestigingenwet. Na regionalisering van de handelsvestigingenwet zou een integratie in de stedenbouwreglementering volgens aangewezen zijn.

In de nieuwe ‘Winkelnota 2.0’ dat de voorbode is van de nieuwe Vlaamse Handelsvestigingenreglementering wordt gekozen voor een instrumentele insluiting van wat nu de sociaal-economische vergunning is in de stedenbouwkundige procedure, tenzij daar waar het project geen stedenbouwkundige vergunning behoeft.

Referentie E. Empereur en K. Hectors,’Handelsvestigingen: Oude wijn in nieuwe zakken?’,TBO 2012, 293-296.Lees hier het bericht op onze blog Handelsvestigingen