03/11/2015

Omzendbrief 'Afwegingskader voor Grootschalige Detailhandel' heeft geen verordenend karakter

Zo besliste de Raad van State in het arrest nr. 230.454 van 10 maart 2015.

Verzoekende partij wierp op dat de motivering van een ruimtelijk uitvoeringsplan strijdt met de de omzendbrief RO2011/01 van 9 december 2011 ‘Afwegingskader voor grootschalige detailhandel’.  De Raad van State antwoordde:

'Het betoog van de verzoekende partij dat de voormelde motivering strijdt met de omzendbrief, kan niet tot vernietiging leiden, nu de omzendbrief niet verordenend van aard is. Het betoog van de verzoekende partij dat zij deze tegenstrijdigheid in haar bezwaar heeft aangevoerd, zonder dat de
Procoro daarop heeft geantwoord, vitieert het bestreden PRUP evenmin'. 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
03/11/2015

Omzendbrief Grootschalige Detailhandel heeft geen verordenend karakter

Zo besliste de Raad van State in het arrest nr. 230.454 van 10 maart 2015.

Verzoekende partij wierp op dat de motivering van een ruimtelijk uitvoeringsplan strijdt met de de omzendbrief RO2011/01 van 9 december 2011 ‘Afwegingskader voor grootschalige detailhandel’.  De Raad van State antwoordde:

'Het betoog van de verzoekende partij dat de voormelde motivering strijdt met de omzendbrief, kan niet tot vernietiging leiden, nu de omzendbrief niet verordenend van aard is. Het betoog van de verzoekende partij dat zij deze tegenstrijdigheid in haar bezwaar heeft aangevoerd, zonder dat de
Procoro daarop heeft geantwoord, vitieert het bestreden PRUP evenmin'. 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Afwegingskader detailhandel, Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
01/07/2015

Geen verplichting om proceduremogelijkheden voor Raad van State te duiden bij impliciete beslissingen

Zo oordeelt het Grondwettelijk Hof in haar arrest nr. 93/2015  van 25 juni 2015:

Een impliciete beslissing die het gevolg is van het verstrijken van de tijd, maakt in beginsel niet het voorwerp uit van een kennisgeving aan de bestuurde. Een beslissing van dergelijke aard zou bijgevolg niet redelijkerwijze kunnen worden verweten niet de vermeldingen van het beroep bij de Raad van State en de voorwaarden van dat beroep te bevatten. De oorspronkelijke beslissing die impliciet wordt bevestigd, zou evenmin kunnen worden verweten dat beroep bij de Raad van State niet te vermelden. In dat stadium van de procedure is de betwiste individuele handeling immers geen handeling die in laatste aanleg voor de Raad van State kan worden aangevochten.

De in het geding zijnde bepaling streeft een wettig doel na in zoverre zij ertoe strekt de beginselen van rechtszekerheid en van het recht op toegang tot de rechter met elkaar te verzoenen. Zij doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokkene door niet te voorzien in de toepassing ervan vanaf het beginstadium van de procedure. Wanneer een beroep wordt ingesteld op grond van artikel 11 van de wet van 13 augustus 2004 kan de bestuurde de gevolgen die de wet verbindt aan de eventuele ontstentenis van een beslissing van het ICD, namelijk dat de beroepstermijn voor de Raad van State aanvangt vanaf het verstrijken van de termijn van artikel 11, §5 van de wet van 13 augustus 2004, immers niet over het hoofd zien. Een dergelijk gevolg dat door de wet is voorgeschreven, waarborgt op voldoende wijze de zekerheid van de bestuurde.

De prejudiciële vraag dient bijgevolg ontkennend te worden beantwoord.’

Lees hier het bericht op onze blog Grondwettelijk recht.
27/06/2015

Nieuwe voorzitter + aanpassing huishoudelijk reglement Interministerieel Comité voor de Distributie

De Vlaamse regering besliste op 26 juni 2015:

'Wim Adriaens vervangt Steven van Muylder als voorzitter van het Interministerieel Comité voor de Distributie (ICD). Bruno Lambrecht vervangt Tom De Saegher als plaatsvervanger en Steven Van Muylder vervangt Roel Bruyninckx. Het huishoudelijk reglement van het ICD bevat op dit moment nog adresgegevens voor de zetel en de zittingen van het federale ICD. Deze adressen moeten worden aangepast aan de Vlaamse werking van het ICD sinds de regionalisering van de wetgeving over handelsvestigingen. Nu het een regionale bevoegdheid is, is de officiële taal tijdens de zitting de Nederlanse taal. Daarnaast wordt bij beslissingen de wie-zwijgt-stemt-in-regel ingevoerd: wie niet reageert binnen de 48 uur na een genomen en rondgestuurde beslissing, gaat akkoord met de beslissing. Het huishoudelijk reglement wordt in die zin aangepast'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, ICD
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/06/2015

Planologische toets bij handelsvestigingen. Een communautaire twistappel?

Eerder hebben we bericht over de arresten nr. 207.259 van 9 september 2010,  nr. 211.892 van 10 maart 2011 en nr. 230.271 van 24 februari 2015 van de Xe Nederlandstalige .kamer van de Raad van State waarin in sterke bewoordingen wordt gesteld dat een planologische toets moet gebeuren bij de beoordeling van de aanvraag om een sociaal-economische vergunning.

Schijnbaar werd in het arrest nr.  222.808 van 11 maart 2013 door de XIIIe Franstalige kamer anders geoordeeld:

'Considérant, sur les deux branches du moyen, que l'acte attaqué a été pris par le CID saisi d'un recours en réformation réglé à l'article 11 de la loi du 13 août 2004 précitée; que le fait que le CID adopte une position différente de celle que d'autres autorités ont prise lors de l'examen de la demande d'autorisation socio-économique de la partie requérante ou d'autres demandes, ne constitue pas un revirement ou une attitude incohérente de la partie adverse;

Considérant, en ce qui concerne le rapport de la décision entreprise aux plans d'aménagement du territoire, que la loi du 29 juin 1975 relative aux implantations commerciales imposait que la délivrance d'un permis d'urbanisme précède la délivrance d'un permis socio-économique lorsqu'un permis d'urbanisme était nécessaire; que la loi du 13 août 2004 relative à l'autorisation d'implantations commerciales a mis fin à cette exigence; qu'en outre, cette volonté de rompre le lien
entre l'autorisation d'implantations commerciales et le droit régional de l'urbanisme se traduit aussi dans l'abandon de la condition de compatibilité des permis d'implantation commerciale avec les plans d'aménagement du territoire; qu'en effet, au cours des travaux préparatoires de la loi du 13 août 2004, la Ministre de l'Economie, de l'Energie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique a précisé qu'il ne fallait "pas subordonner la recevabilité de la demande relative à un projet d'implantations commerciales à la destination urbanistique du lieu d'implantation, dès lors qu'il appartient aux organes de la région de se prononcer, du point de vue de l'urbanisme et de l'aménagement du territoire, sur la question de la compatibilité avec la destination" (Doc. Parl. Ch., 51, 1035/07, Rapport, p. 25);

Considérant néanmoins que l'article 7, § 2, de la loi du 13 août 2004 relative à l'autorisation d'implantations commerciales établit dans les termes suivants les critères qui doivent être pris en considération lors de la délivrance d'une autorisation socio-économique :"Dans l'élaboration de l'avis, la localisation spatiale de l'implantation commerciale, la protection de l'environnement urbain et la protection du consommateur, ainsi que le respect de la législation sociale et du travail doivent être pris en considération"; que ces critères sont développés aux articles 2 à 5 de l'arrêté royal du 22 février 2005 précisant les critères à prendre en considération lors de l'examen des projets
d'implantation commerciale et de la composition du dossier socio-économique, modifié par l'arrêté royal du 13 janvier 2010; que cet arrêté dispose notamment comme suit :"Art. 2. En vue de préciser le critère relatif à la localisation spatiale visé à  l'article 7, § 2, alinéa 1er, de la loi, les éléments suivants sont pris en considération : 
1° l'insertion de l'implantation commerciale dans les projets locaux de développement ou dans le cadre du modèle urbain;
 2°  l'accessibilité de la nouvelle implantation par les transports en commun et par les moyens de transports individuels.
 Art. 3. En vue de préciser le critère relatif à la protection de l'environnement urbain visé à l'article 7, § 2, alinéa 1er, de la loi, les éléments suivants sont pris en considération :
 1°  l'incidence de l'implantation en matière de mobilité durable, notamment l'utilisation de l'espace et de la sécurité routière;
 2° l'incidence de l'implantation commerciale sur le noyau urbain dans le cadre des
exigences planologiques";

Considérant qu'il s'ensuit que l'autorité compétente pour examiner la demande d'autorisation d'implantation commerciale prend en considération l'affectation planologique sans être tenue par la valeur réglementaire des plans d'aménagement comme l'est une autorité chargée d'instruire une demande de permis d'urbanisme.'

Normaal gezien moet dit twistpunt beslecht worden door de Verenigde kamers van de Raad van State.  Misschien zal het door de regionalisering van de handelsvestigingenreglementering nooit zover komen...

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Raad van State, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags