04/02/2016

Als monument geklasseerde woningen en bedrijfsruimten moeten wat leegstandsheffingen betreft, op dezelfde wijze behandeld worden

Zo oordeelt het Grondwettelijk Hof in een arrest nr. 17/2016 van 3 februari 2016:

'B.6.2. Het Hof dient evenwel te onderzoeken wat zou kunnen verantwoorden dat de
houders van zakelijke rechten op gebouwen of woningen beschermd als monument slechts op
tijdelijke en voorwaardelijke wijze konden worden vrijgesteld van de leegstandsheffing
terwijl de eigenaars van bedrijfsruimten beschermd als monument toen nooit aan de
leegstandsheffing werden onderworpen.

De reden aangegeven door de Vlaamse Regering, namelijk dat het Decreet
Bedrijfsruimten slechts van toepassing is op « grote en pure bedrijven », waarbij de eigenaar,
in geval van bescherming van de bedrijfsruimte als monument, met de leegstand wordt
« geconfronteerd » en vanwege de bescherming als monument zeer moeilijk herbestemming
kan vinden, kan geen voldoende verantwoording bieden voor het verschil in behandeling.

Uit het bepaalde in artikel 24, 6°, van het decreet van 22 december 1995 volgt immers dat
elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een
gezin of alleenstaande, als een « woning » dient te worden beschouwd, zodat grote
onroerende goederen waarin geen economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt,
minstens ten dele als « woning » in de zin van dat decreet kunnen worden beschouwd. Ook de
houders van zakelijke rechten op woningen beschermd als monument kunnen dus, vanwege
de grootte en oppervlakte, de specifieke aard, de ligging en, in het bijzonder, de bescherming
als monument, dezelfde problemen ondervinden bij de herbestemming van onroerende
goederen.

Tevens volgt uit het bepaalde in artikel 24, 2°, van het decreet van 22 december 1995 dat
elk onroerend goed dat geen bedrijfsgebouw is en niet hoofdzakelijk is bestemd voor
huisvesting, als een « gebouw » dient te worden beschouwd, zodat grote onroerende goederen
waarin geen economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt als « gebouw » in de
zin van dat decreet worden beschouwd. Ook de houders van zakelijke rechten op gebouwen
beschermd als monument kunnen dus, vanwege de grootte en oppervlakte, de specifieke aard,
de ligging en, in het bijzonder, de bescherming als monument, dezelfde problemen
ondervinden bij de herbestemming van onroerende goederen.

B.7. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de decreetgever de twee vermelde categorieën van
belastingplichtigen zonder redelijke verantwoording verschillend heeft behandeld'.
Zo oordeelt het Grondwettelijk Hof in een arrest nr. 17/2016 van 3 februari 2016:

'B.6.2. Het Hof dient evenwel te onderzoeken wat zou kunnen verantwoorden dat de houders van  zakelijke rechten op gebouwen of woningen beschermd als monument slechts op tijdelijke en voorwaardelijke wijze konden worden vrijgesteld van de leegstandsheffing terwijl de eigenaars van bedrijfsruimten beschermd als monument toen nooit aan de leegstandsheffing werden onderworpen.

De reden aangegeven door de Vlaamse Regering, namelijk dat het Decreet Bedrijfsruimten slechts van toepassing is op « grote en pure bedrijven », waarbij de eigenaar, in geval van bescherming van de bedrijfsruimte als monument, met de leegstand wordt « geconfronteerd » en vanwege de bescherming als monument zeer moeilijk herbestemming kan vinden, kan geen voldoende verantwoording bieden voor het verschil in behandeling.

Uit het bepaalde in artikel 24, 6°, van het decreet van 22 december 1995 volgt immers dat elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande, als een « woning » dient te worden beschouwd, zodat grote onroerende goederen waarin geen economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt, minstens ten dele als « woning » in de zin van dat decreet kunnen worden beschouwd. Ook de houders van zakelijke rechten op woningen  beschermd als monument kunnen dus, vanwege de grootte en oppervlakte, de specifieke aard, de ligging en, in het bijzonder, de bescherming als monument, dezelfde problemen ondervinden bij de herbestemming van onroerende goederen.

Tevens volgt uit het bepaalde in artikel 24, 2°, van het decreet van 22 december 1995 dat elk onroerend goed dat geen bedrijfsgebouw is en niet hoofdzakelijk is bestemd voor huisvesting, als een «  gebouw » dient te worden beschouwd, zodat grote onroerende goederen waarin geen economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt als « gebouw » in de zin van dat decreet worden beschouwd. Ook de houders van zakelijke rechten op gebouwen beschermd als monument kunnen dus, vanwege de grootte en oppervlakte, de specifieke aard,de ligging en, in het bijzonder, de bescherming als monument, dezelfde problemen ondervinden bij de herbestemming van onroerende goederen.

B.7. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de decreetgever de twee vermelde categorieën van belastingplichtigen zonder redelijke verantwoording verschillend heeft behandeld'.