19/07/2018

Alternatieve financiering van schoolinfrastuctuur voor het Gemeenschapsonderwijs doorstaat toets van het Grondwettelijk Hof

Bij het Grondwettelijk Hof was door GO!, de koepel van het Vlaamse gemeenschapsonderwijs,  een rechtstreeks beroep aangetekend tegen de artikelen 5 tot 12 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 november 2016 betreffende de alternatieve financiering van schoolinfrastructuur via projectspecifieke DBFM-overeenkomsten.  Het betreft het een vervolg op 'Scholen van Morgen', een DBFM-programma van publiek-private samenwerking geregeld in het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur. Terwijl het DBFM-programma 'Scholen van Morgen' een globaal programma betreft, waarbij één uitvoerder werd aangewezen door de overheid die verantwoordelijk is voor de realisatie van 182 scholenbouwprojecten, beoogt het bestreden decreet een kader te creëren voor het opzetten van kleinere, vereenvoudigde en meer projectspecifieke DBFM-operaties (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 893/1, p. 3), waarbij ondersteuning wordt verleend door het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGION).

Die alternatieve vorm van financiering van schoolinfrastructuur via DBFM-overeenkomsten houdt in dat een private vennootschap instaat voor het ontwerp (Design), de bouw (Build), financiering (Finance) en het dertigjarig eigenaarsonderhoud (Maintain) van de schoolinfrastructuur. De projectvennootschap stelt de schoolinfrastructuur ter beschikking voor een periode van dertig jaar. Gedurende die periode betaalt de betrokken inrichtende macht aan de projectvennootschap een beschikbaarheidsvergoeding. Na de periode van dertig jaar wordt de schoolinfrastructuur kosteloos overgedragen aan de betrokken inrichtende macht.

GO! voerde in een enig middel aan dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met artikel 24, § 2, van de Grondwet, dat bepaalt :

'Zo een gemeenschap als inrichtende macht bevoegdheden wil opdragen aan een of meer autonome organen, kan dit slechts bij decreet, aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen.'

In het arrest nr. 105/2018 van 19 juli 2018 ziet het Grondwettelijk Hof het anders:

'B.13.1. Uit het bovenstaande blijkt dat de decreetgever geen bevoegdheden van de Gemeenschap, als inrichtende macht, opdraagt aan één of meer autonome organen en evenmin afbreuk doet aan de bevoegdheden van de inrichtende macht van het Gemeenschapsonderwijs (GO!) inzake schoolinfrastructuur, zodat de bestreden bepalingen niet dienden te worden aangenomen met de in artikel 24, § 2, van de Grondwet vereiste bijzondere meerderheid.

B.13.2. Vermits zij de financiering van de schoolinfrastructuur regelen voor de verschillende onderwijsnetten, behoren de bestreden bepalingen tot de algemene normatieve bevoegdheid van de gemeenschappen inzake onderwijs.

Het enkele feit dat de bestreden bepalingen ook moeten worden nageleefd door de autonome organen van het Gemeenschapsonderwijs (GO!) brengt de geregelde aangelegenheid niet binnen het toepassingsgebied van artikel 24, § 2, van de Grondwet. Die organen moeten immers, zoals elke inrichtende macht, handelen binnen het algemeen normatief kader inzake de financiering van de schoolinfrastructuur dat de decreetgever bij gewone meerderheid kan aannemen.

B.14. Het enige middel is niet gegrond'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Grondwettelijk recht, Onderwijsrecht, PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
24/09/2010

Grondwettelijk Hof schorst het Vlaamse decreet inzake de inspectie op Franstalige scholen in de Brusselse rand

Bij arrest (95/2010) van 29 juli 2010 heeft het Grondwettelijk Hof het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 23 oktober 2009 houdende interpretatie van de artikelen 44, 44bis en 62, §1, 7°, 9° en 10° van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 gedeeltelijk geschorst. Dit decreet preciseert dat de bepalingen uit het Vlaamse decreet basisonderwijs van toepassing zijn op alle erkende, gefinancierde en gesubsidieerde scholen gevestigd in het Nederlandse taalgebied, met inbegrip van de acht Franstalige scholen en afdelingen die zich in de zes randgemeenten bevinden. Dit decreet heeft betrekking op de pedagogische inspectie, de eindtermen, de leerplannen en de voorschriften inzake leerlingenbegeleiding.
Het Grondwettelijk Hof besluit dat het in artikel 16bis Bijzondere Wet Hervorming der Instellingen vervatte standstill-beginsel volgens dewelke decreten, reglementen en administratieve handelingen geen afbreuk mogen doen aan de bestaande garanties van de franstaligen in de Brusselse rand, geschonden is. Behoudens instemming van de Franse en Vlaamse Gemeenschappen dienen de betrokken scholen volgens het Hof te worden geïnspecteerd door inspecteurs van de Franse Gemeenschap.Opmerkelijk is dat het Hof deze "bestaande garanties" afleidt uit artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971. Uit de parlementaire besprekingen bij dit artikel blijkt volgens het Hof dat die bepaling "duidelijk tot doel had de Franstalige scholen van de zes gemeenten het recht te verzekeren hun inspecties te laten uitvoeren door ambtenaren van het Franstalig onderwijs" (B.21.4). Volgens het Hof heeft de bevoegdheidsoverdracht inzake onderwijs in 1970 en 1988 aan de gemeenschappen hieraan geen afbreuk willen doen.
Het komt volgens het Hof principieel wel aan de Vlaamse Gemeenschap toe om de ontwikkelingsdoelen en eindtermen, alsook de voorschriften inzake leerlingenbegeleiding vast te stellen, en de leerplannen goed te keuren voor het onderwijs in het Nederlandse taalgebied, met inbegrip van de Franstalige scholen gelegen in de Brusselse rand. Op grond van het beginsel van de federale loyauteit stelt het Hof evelwe ook aan deze bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap grenzen voor wat betreft de Franstalige shcolen in de randgemeenten.
Dit arrest is om diverse redenen uiterst opmerkelijk:
- Het Grondwettelijk Hof oordeelt voor het eerst dat de standstill-bepaling inzake de bestaande garanties voor de inwoners van de faciliteitengemeenten (art. 16bis BWHI) een "fundamenteel element van het institutionele evenwicht van de Belgische Staat" vormt (B.15.1). Het Grondwettelijk Hof lijkt de faciliteiten dus een eeuwigdurend karakter toe te willen kennen.
- Door de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap te erkennen voor de inspectie in Franstalige scholen gelegen in het Nederlandse taalgebied, gaat het Grondwettelijk Hof voor het eerst in tegen haar eerdere rechtspraak volgens dewelk de Vlaamse Gemeenschap exclusief bevoegd is in het Nederlandse taalgebied, zo ook in onderwijsaangelegenheden.
- Het is voor het eerst dat het Grondwettelijk Hof een decreet schorst wegens schending van de standstill-bepaling (art. 16bis BWHI) op grond waarvan geen afbreuk mag gedaan worden aan de bestaande garanties voor inwoners van de faciliteitengemeenten. Een aantasting van deze bepaling leidt automatisch tot schorsing zonder dat een moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet bewezen worden.
Het valt af te wachten of het Hof dit prima facie-oordeel in een schorsingszaak ook zal doortrekken in het vernietigingsarrest.
Een annotatie op dit arrest is in voorbereiding.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk recht, Onderwijsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht