17/05/2018

Dwangsomarrest Grondwettelijk Hof dreigt stedenbouwovertreders zuur op te breken

In het arrest nr. 60/2018 van 17 mei 2018 stelt het Grondwettelijk Hof:

'B.3. Bij zijn arrest nr. 122/2012 van 18 oktober 2012, heeft het Hof voor recht gezegd dat het artikel 36 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het de verzoekende partij op wier vordering reeds een dwangsom werd opgelegd, niet de mogelijkheid biedt om het opleggen van een bijkomende dwangsom of het verhogen van de reeds opgelegde dwangsom te vorderen in het geval dat de overheid op volhardende wijze in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vernietigingsarrest, terwijl het aan de overheid die een dwangsom opgelegd kreeg, de mogelijkheid biedt om de opheffing van die dwangsom of de opschorting van de looptijd of de vermindering ervan te vorderen in geval van blijvende of tijdelijke of gedeeltelijke onmogelijkheid voor die overheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. (...)

B.4.1. Net zoals de dwangsom uitgesproken door de Raad van State, heeft de dwangsom die door de rechtscolleges van de rechterlijke orde wordt uitgesproken tot doel de inachtneming te waarborgen van het gezag van gewijsde van de beslissingen die zij uitspreken.

B.4.2. Om dezelfde redenen als die welke in het voormelde arrest nr. 122/2012 zijn uiteengezet, is artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het aan de partij op wier vordering reeds een dwangsom werd opgelegd, niet de mogelijkheid biedt om een bijkomende dwangsom of het verhogen van de reeds opgelegde dwangsom te vorderen indien de partij die op straffe van een dwangsom tot uitvoering werd veroordeeld in gebreke blijft dat te doen, terwijl het aan de veroordeelde partij die een dwangsom opgelegd kreeg, de mogelijkheid biedt om de rechter te verzoeken de dwangsom op te heffen, de looptijd ervan op te schorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom te verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen.

B.4.3. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord'.

Het geschil onderliggend aan het arrest had geen betrekking op een stedenbouwschending, maar het nieuwe arrest kan wel tot inspiratie dienen voor herstelvorderende stedenbouwhandhavers of geburen indien de herstelrechter een lage dwangsom heeft opgelegd die de facto niet afschrikwekkend werkt.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Dwangsom, Handhaving stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
23/12/2013

Voorrangsregeling herstelvorderingen in VCRO doorstaat toets van Grondwettelijk Hof

Bij vonnis van 1 februari 2013 heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

'Schendt artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, 2° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening artikel 23 van de Grondwet doordat deze bepaling voorschrijft dat voor andere misdrijven dan deze die bestaan, of ondermeer bestaan, uit het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen (voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken), de betaling van de meerwaarde wordt gevorderd, tenzij de overheid die de herstelvordering instelt aantoont dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, in welk geval het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, de staking van het strijdige gebruik of de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken wordt gevorderd, hetgeen een aanzienlijke vermindering zou inhouden van het beschermingsniveau van het leefmilieu ten aanzien van de voorheen bestaande regels ?.' 

Ziehier het antwoord van het Grondwettelijk Hof in het arrest  nr. 177/2013  van 19 december 2013:

'B.3. De prejudiciële vraag heeft betrekking op paragraaf 1, eerste lid, 2°, die van toepassing is op andere misdrijven dan degene die bestaan, of onder meer bestaan, in het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen, voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken. Voor die andere misdrijven wordt in beginsel de betaling van een geldsom gevorderd, gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Slechts wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan, kan het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken worden gevorderd. Dat is meer bepaald het geval wanneer de overheid die de herstelvordering instelt, aantoont dat de plaatselijke ordening door de betaling van de meerwaarde kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad. 

Vóór 1 september 2009 kon de herstelvorderende overheid in alle gevallen, zonder dat bepaalde voorwaarden dienden te zijn vervuld, het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken vorderen. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de beperking van de keuzevrijheid van de herstelvorderende overheid, als gevolg van de in het geding zijnde bepaling, artikel 23 van de Grondwet schendt.B.4. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : 

 « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. 

 Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. 

 Die rechten omvatten inzonderheid : 

[…] 

 4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; 

[…] »

B.5. Artikel 23 van de Grondwet impliceert inzake de bescherming van het leefmilieu een standstill-verplichting, die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. 

B.6. De beperking van de keuzevrijheid van de herstelvorderende overheid tot, in beginsel, het vorderen van een geldsom, gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen, geldt om te beginnen niet voor de misdrijven die bestaan, of onder meer bestaan, in het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen, voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken. 

Voor de overige misdrijven dient in beginsel de betaling van de meerwaarde te worden gevorderd. Die maatregel kan echter niet worden opgelegd wanneer de herstelvorderende overheid « aantoont dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad ». In dat geval wordt het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken gevorderd. 

B.7. De voormelde voorwaarden waarmee de decreetgever de beperking van de keuzevrijheid van de herstelvorderende overheid heeft omringd, nopen tot de vaststelling dat de bescherming van het leefmilieu, met inbegrip van de goede ordening van de ruimte, door de in het geding zijnde bepaling niet in aanzienlijke mate wordt verminderd. 

Wanneer immers de herstelvorderende overheid niet erin slaagt aan te tonen, onder het toezicht van de rechtbank die de herstelmaatregel oplegt, dat de plaatselijke ordening door de loutere betaling van de meerwaarde kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de goede ruimtelijke ordening volgens « elke normaal zorgvuldige beoordelaar » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2011/1, p. 282) door de laatstgenoemde herstelmaatregel niet in het gedrang komt. 

Bij de beoordeling van de herstelmaatregel dient evenwel in rekening te worden gebracht, zoals de eisende partij voor de verwijzende rechter doet gelden, dat een inbreuk die op zichzelf niet zo ernstig is dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, toch kan bijdragen tot een kennelijk onevenredige schade in zoverre zij anderen tot dezelfde inbreuk aanzet. 

B.8. Voorts heeft de decreetgever enkel een regeling getroffen voor de publieke herstelvordering en heeft hij derhalve geen afbreuk gedaan aan de rechten van personen om de schade die zij zouden lijden, bijvoorbeeld als eigenaar van een aanpalend perceel, te doen ophouden door een herstel in natura of minstens om zich te doen vergoeden voor situaties die een quasi-delictuele fout blijven uitmaken. 

B.9. Rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de decreetgever beschikt bij het bepalen van zijn beleid op het vlak van de stedenbouw en ruimtelijke ordening, is het niet zonder redelijke verantwoording de keuzevrijheid van de herstelvorderende overheid te beperken tot het betalen van de meerwaarde wanneer aan de in de in het geding zijnde bepaling gestelde voorwaarden is voldaan. 

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord'. 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk recht, Handhaving stedenbouw, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht