25/10/2019

Verbod om met “geblokstaarte” dieren deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden niet ongrondwettig bevonden

Het Grondwettelijk Hof heeft in een arrest van 24 oktober 2019 uitspraak gedaan over het verbod om met zogenaamde “gecoupeerde” dieren deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden. “Couperen” of “blokstaarten” is een techniek waarbij de staart van een dier operatief wordt verwijderd, zoals bijvoorbeeld vaak wordt toegepast bij het Belgisch Trekpaard.

Er geldt al lang een verbod om één of meer gevoelige delen van het lichaam van een gewerveld dier te verwijderen of te beschadigen, uitgezonderd ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat of ingrepen met het oog op het nutsgebruik van het dier of de beperking van de voortplanting van de diersoort (artikel 17bis Dierenwelzijnswet). Voor deze laatste categorie werden bij KB bepaalde toegelaten ingrepen nader gespecifieerd per diersoort. Het “blokstaarten” van bijvoorbeeld paarden werd daarin niet vermeld. Dit vormt dus een verboden ingreep, tenzij er een diergeneeskundige noodzaak kan worden aangetoond.

Artikel 19 van de Dierenwelzijnswet verbiedt bovendien om met dieren waarop een verboden ingreep werd uitgevoerd, deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden of ze aldaar toe te laten. Het is tevens verboden om deze dieren te verhandelen.

Recent werd de regelgeving nog verstrengd door de verbodsbepalingen uit artikel 19 van toepassing te verklaren op dieren die een ingreep hebben ondergaan omwille van een diergeneeskundige noodzaak. Blijkens de parlementaire voorbereiding zou de uitzondering van de diergeneeskundige noodzaak misbruikt worden in de praktijk. Concreet heeft het verbod tot gevolg dat niet meer met dieren waarvan één of meerdere gevoelige delen van het lichaam werden verwijderd, kan worden deelgenomen aan een tentoonstelling, keuring of wedstrijd, zelfs wanneer de ingreep gebeurde omwille van een diergeneeskundige noodzaak.

Er werd voor het Grondwettelijk Hof een schending aangevoerd van het gelijkheidsbeginsel in samenhang met de vrijheid van vereniging en het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. Concreet zouden houders van dieren die op een wettige wijze een ingreep ondergingen op dezelfde manier behandeld worden als houders van dieren die op onwettige wijze een ingreep ondergingen, zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording voorligt.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde echter dat beide gevallen gelijk behandeld worden, net omdat zij in de praktijk niet op duidelijke wijze van elkaar kunnen onderscheiden worden. Het principiële verbod om met dieren waarvan één of meerdere gevoelige delen van het lichaam werden verwijderd, deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden, kan als noodzakelijk worden beschouwd om een doeltreffende bescherming van het welzijn van die dieren te verzekeren en om elk risico op fysieke of psychische mishandeling uit te sluiten.

De decreetgever heeft in alle redelijkheid kunnen vaststellen dat het opleggen van minder verregaande maatregelen, zoals een doorgedreven controle van de diergeneeskundige attesten, niet toelaat het door hem beoogde minimumwelzijnsniveau te waarborgen. Daarnaast oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het decretale verbod evenmin de vrijheid van vereniging of het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel schendt.

Het volledige arrest kan u hier lezen.

Gepost door Celine Van De Velde

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dierenwelzijn, Grondwettelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht