08/05/2019

Over de hoegrootheid van de rechtsplegingsvergoeding bij een slechts gedeeltelijk toegekende schadevordering in overheidsopdrachten

Het hof van beroep te Antwerpen besliste in een arrest van 24 april 2019 over de gevolgen van een verbreking ex artikel 1794 BW door de aanbestedende overheid van een overheidsopdracht. Aan de aanbesteder werd zowel een verbrekingsvergoeding (wegens verbreking van het contract) als een onderbrekingsvergoeding (wegens het aan de verbreking voorafgaandelijk uitstellen van de werken) toegekend, ook al werd er daadwerkelijk nooit een aanvang gemaakt van de werkzaamheden. Cijfermatig werd ongeveer de helft van de schadevordering toegekend.

Het hof van beroep veroordeelt beide partijen tot ieder de helft van de rechtsplegingsvergoeding en de dagvaardingskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, omdat beide partijen deels in het ongelijk werden gesteld.

Referentie: Antwerpen, 24 april 2019, nr. 2019/3600, ng. (Pub505918)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Schadevergoeding overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/05/2019

Geen vergunning, geen belang?

In een arrest van 25 februari 2019 verwerpt het hof van beroep te Antwerpen als volgt een belangenexceptie:

'De geïntimeerden worden verder niet gevolgd waar zij laten gelden dat de appellante geen rechtmatig belang zou hebben bij de door haar gestelde rechtsvorderingen, dit bij gebrek aan (wettige) milieuvergunning. Sinds 14 juni 2013 beschikt de appellante (opnieuw) over een milieuvergunning (hernieuwing van de milieuvergunning die geldig was tot 29 april 2013). Tot toepassing van artikel 159 Gecoörd. GW bestaat geen aanleiding bij gebrek aan bewijs van de onwettigheid van die vergunning'.

De dagvaarding dateert van 19 mei 2014, dus op een ogenblik dat de milieuvergunning van de eiser (appellante) terug in orde was. Uiteraard wordt de exceptie verworpen.

Ref. Antwerpen 25 februari 2019, nr. 2019/1797, ng. (PUB 4436))

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Belang, Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Wettigheidsexceptie
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/01/2019

Dagvaarding uitgaande van natuurlijke persoon moet vanaf 1 februari 2019 diens rijksregisternummer melden

In ons vorig blogbericht hebben we u in kennis gesteld van  de wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.

Deze wet verhoogt niet enkel de rolrechten voor de gewone rechtbanken, maar legt ook een nieuwe verplichte melding op in de gedinginleidende akten voor de gedwoine rechtbanken (veelal een dagvaarding). Daartoe wordt onder meer artikel 702 Ger.W. aangepast dat vanaf 1 februari 2019 als volgt zal luiden:

'Behalve de vermeldingen bepaald in artikel 43, bevat het exploot van dagvaarding, gvaarding uitgaande van natuurlijke persoon moet diens rijksregisternummer melden, de volgende opgaven:
1° de naam, de voornaam en de woonplaats van de eiser en, in voorkomend geval, zijn rijksregister- of ondernemingsnummer ;
2° de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde;
3° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
4° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
5° de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting'.

De nieuwigheid zit hem erin dat natuurlijke personen thans hun rijksregisternummer moeten melden in de gedinginleidende akte.  Blijkbaar is het de bedoeling later de inning van de rolrechten te vergemkkelijken.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/01/2019

Nieuw jaar, hogere rolrechten voor gewone rechtbanken

Op 20 december 2018 werd de wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De rolrechten werden verhoogd en vastgelegd als volgt:

- in de vredegerechten en de politierechtbanken, een recht van 50 euro (in plaats van 40 euro);
- in de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel, een recht van 165 euro (in plaats van 100 euro);
- in de hoven van beroep een recht van 400 euro (in plaats van 210 euro);
- in het Hof van Cassatie een recht van 650 euro (in plaats van 375 euro).

De griffierechten dienen niet langer voorgeschoten te worden bij het begin van de procedure door de verzoekende partij, maar deze vallen nu onmiddellijk ten laste van de veroordeelde partij en worden geïnd op het einde van de procedure. De griffierechten zullen ingevorderd worden door de FOD Financiën, nadat de rechter in de zaak zijn eindbeslissing heeft genomen.

De nieuwe wet treedt in werking treden op 1 februari 2019, zijnde de eerste dag van de tweede maand die volgt op de bekendmaking ervan in het BS. De wet zal aldus van toepassing zijn op de zaken waarvan de inschrijving wordt verzocht vanaf 1 februari 2019.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Gerechtskosten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/12/2018

e-Depositsysteem (waardoor procedurestukken digitaal voor de gewone rechtbanken kunnen worden ingediend) wordt bestreden voor Raad van State

Via e-Deposit kunnen brieven, conclusies en stukkenbundels elektronisch neergelegd worden voor de gewone rechtbanken en hoven. Ook gerechtsdeskundigen en vertalers/tolken kunnen e-Deposit gebruiken voor het elektronisch neerleggen van documenten of de registratieprocedure te doorlopen.

Op 19 december 2018 verscheen volgend bericht in het Belgisch Staatsblad:

'Bericht voorgeschreven bij artikel 3quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en bij artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State
Patrick VAN DER STRATEN, die woonplaats kiest bij Mr. Ann Coolsaet, advocaat, met kantoor te 2018 Antwerpen, Arthur Goemaerelei 69, heeft op 3 december 2018 de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring gevorderd van het koninklijk besluit van 9 oktober 2018 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juni 2016 houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek en het ministerieel besluit van 9 oktober 2018 tot wijziging van het ministerieel besluit van 20 juni 2016 tot bepaling van de inwerkingstelling van het e-Box netwerk en het e-Deposit systeem, zoals bedoeld in artikel 10 van het koninklijk besluit van 16 juni 2016 houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek.
Deze besluiten zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 oktober 2018.
Deze zaak is ingeschreven onder het rolnummer G/A.226.844/ IX-9462'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags