02/01/2019

Dagvaarding uitgaande van natuurlijke persoon moet vanaf 1 februari 2019 diens rijksregisternummer melden

In ons vorig blogbericht hebben we u in kennis gesteld van  de wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.

Deze wet verhoogt niet enkel de rolrechten voor de gewone rechtbanken, maar legt ook een nieuwe verplichte melding op in de gedinginleidende akten voor de gedwoine rechtbanken (veelal een dagvaarding). Daartoe wordt onder meer artikel 702 Ger.W. aangepast dat vanaf 1 februari 2019 als volgt zal luiden:

'Behalve de vermeldingen bepaald in artikel 43, bevat het exploot van dagvaarding, gvaarding uitgaande van natuurlijke persoon moet diens rijksregisternummer melden, de volgende opgaven:
1° de naam, de voornaam en de woonplaats van de eiser en, in voorkomend geval, zijn rijksregister- of ondernemingsnummer ;
2° de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde;
3° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
4° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
5° de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting'.

De nieuwigheid zit hem erin dat natuurlijke personen thans hun rijksregisternummer moeten melden in de gedinginleidende akte.  Blijkbaar is het de bedoeling later de inning van de rolrechten te vergemkkelijken.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/01/2019

Nieuw jaar, hogere rolrechten voor gewone rechtbanken

Op 20 december 2018 werd de wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De rolrechten werden verhoogd en vastgelegd als volgt:

- in de vredegerechten en de politierechtbanken, een recht van 50 euro (in plaats van 40 euro);
- in de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel, een recht van 165 euro (in plaats van 100 euro);
- in de hoven van beroep een recht van 400 euro (in plaats van 210 euro);
- in het Hof van Cassatie een recht van 650 euro (in plaats van 375 euro).

De griffierechten dienen niet langer voorgeschoten te worden bij het begin van de procedure door de verzoekende partij, maar deze vallen nu onmiddellijk ten laste van de veroordeelde partij en worden geïnd op het einde van de procedure. De griffierechten zullen ingevorderd worden door de FOD Financiën, nadat de rechter in de zaak zijn eindbeslissing heeft genomen.

De nieuwe wet treedt in werking treden op 1 februari 2019, zijnde de eerste dag van de tweede maand die volgt op de bekendmaking ervan in het BS. De wet zal aldus van toepassing zijn op de zaken waarvan de inschrijving wordt verzocht vanaf 1 februari 2019.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Gerechtskosten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/12/2018

e-Depositsysteem (waardoor procedurestukken digitaal voor de gewone rechtbanken kunnen worden ingediend) wordt bestreden voor Raad van State

Via e-Deposit kunnen brieven, conclusies en stukkenbundels elektronisch neergelegd worden voor de gewone rechtbanken en hoven. Ook gerechtsdeskundigen en vertalers/tolken kunnen e-Deposit gebruiken voor het elektronisch neerleggen van documenten of de registratieprocedure te doorlopen.

Op 19 december 2018 verscheen volgend bericht in het Belgisch Staatsblad:

'Bericht voorgeschreven bij artikel 3quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en bij artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State
Patrick VAN DER STRATEN, die woonplaats kiest bij Mr. Ann Coolsaet, advocaat, met kantoor te 2018 Antwerpen, Arthur Goemaerelei 69, heeft op 3 december 2018 de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring gevorderd van het koninklijk besluit van 9 oktober 2018 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juni 2016 houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek en het ministerieel besluit van 9 oktober 2018 tot wijziging van het ministerieel besluit van 20 juni 2016 tot bepaling van de inwerkingstelling van het e-Box netwerk en het e-Deposit systeem, zoals bedoeld in artikel 10 van het koninklijk besluit van 16 juni 2016 houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek.
Deze besluiten zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 oktober 2018.
Deze zaak is ingeschreven onder het rolnummer G/A.226.844/ IX-9462'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/10/2018

Het verlies van het administratief dossier kan in burgerlijke zaken een uitstekend verweermiddel zijn!

Zo blijkt uit het arrest nr. 2017/AR/326 van het hof van beroep te Gent van 4 oktober 2018 dat moest oordelen over een subsidieaanvraag.

Eisende partij, inmiddels gefailleerd, beschikte niet over een kopie van de eigen aanvraag en de Belgische Staat, niettegenstaande zij daartoe veroordeeld was door de Commissie voor de toegang tot en het hergebruik van bestuursdocumenten, liet weten het administratief dossier kwijt geraakt te zijn.

Het hof wijst de integrale vordering af overwegende dat de omstandigheid dat het administratief dossier zoek is geraakt geen afbreuk doet aan de bewijslast die op eisende partij rust, zelfs niet nu de vordering is gericht tegen de Belgische Staat die gehouden is tot openbaarheid van bestuur.

Volgens het hof kan geen inspiratie opgedaan worden bij artikel 21 RvS-wet, waarin wordt gesteld dat als verwerende partij een administratief dossier niet binnen de vastgestelde termijn toestuurt, de aangehaalde feiten als bewezen worden geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn, enkel geldt voor de procedures voor de Raad van State. Ook een gebeurlijke deloyale houding van de Belgische Staat kan geen aanleiding geven tot een omkering van de bewijslast: Enig opzet of kwade trouw in hoofde van de Belgische Staat is immers niet bewezen. Tenslotte wordt ook het beroep op de verlies-van-een-kansleer verworpen. Het zijn eisende partijen die een fout moeten bewijzen, in oorzakelijk verband met de schade. De fout waarop eisers zich beroepen, betreft het onterecht niet uitbetalen van bepaalde subsidies. Het gebrek aan motivering leidt niet tot de gegrondheid van de vordering. Het feit dat de Belgische Staat in tempore non suspectu nooit zou hebben opgeworpen dat er geen bewijskrachtige stukken voorlagen, volstaat niet. Als eisers falen in hun bewijslast met betrekking tot de geleden schade (de gevorderde bedragen) kunnen ze dit niet 'zomaar afwentelen' op de Belgische Staat door deze een inbreuk op de bewaarplicht ten laste te leggen, hetgeen ten andere een andere fout is dan deze voor het gerecht gevorderd (het onterecht niet inwilligen van een subsidieaanvraag).

Cassatie wordt overwogen.

Referentie: PUB502319-4

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Subsidies
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
15/12/2016

Geen ontvankelijke vordering zonder juiste KBO-inschrijving

Aan het Grondwettelijk Hof werd volgende prejudiciële vraag gesteld:

'Schendt artikel III.26, § 2, van het Wetboek van Economisch Recht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, samengelezen met artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het de onderneming die een vordering baseert op een activiteit waarvoor zij op de datum van de inleiding niet is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, sanctioneert met de niet-ontvankelijkheid van de vordering, zonder mogelijkheid tot regularisatie tijdens het geding, hetgeen een onevenredig zware sanctie lijkt te zijn rekening houdend met het doel van de maatregel ?'

Dit is het antwoord van het grondwettelijk Hof in het arrest nr. 160/2016 van 14 december 2016:

'B.5. Het door de verwijzende rechter bedoelde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de al dan niet volledige inschrijving van de onderneming of vestigingseenheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen.

B.6.1. Het vereiste dat de ingestelde vordering, wil zij ontvankelijk zijn, moet zijn gebaseerd op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen of op een activiteit die valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven, gaat terug op de algemene doelstelling die aan de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister ten grondslag ligt. Met die wetgeving beoogde de wetgever immers het zwartwerk te bestraffen van diegenen die een handelswerkzaamheid uitoefenen zonder de juridische, sociale en fiscale gevolgen ervan te dragen en de maatregel strekte ertoe die handelaars de toegang tot de rechtszaal te ontzeggen (Hand., Senaat, 1955-1956, zitting van 29 november 1956, p. 47; Pasin., 1956, pp. 519-520). Aldus droeg die maatregel bij tot het bestrijden van de oneerlijke concurrentie.

B.6.2. Die zorg blijft gelden voor vorderingen die gebaseerd zijn op een andere activiteit dan die waarvoor de onderneming op de datum van inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, ook al kan de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn taken in dat geval reeds naar behoren uitvoeren (artikel III.15 van het Wetboek van economisch recht).

B.6.3. De in het geding zijnde vereiste is niet onevenredig. De onontvankelijkheid van de vordering wordt immers gedekt indien de exceptie niet in limine litis wordt opgeworpen (artikel III.26, § 2, van het Wetboek van economisch recht).
B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Grondwettelijk Hof
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags