13/03/2016

Ook nachtlawaai dat de rust van de inwoners KAN verstoren, is strafbaar

Zo oordeelde de politierechtbank West-Vlaanderen, Afdeling Veurne in een vonnis van 22 februari 2016:

'Artikel 561, 1° Strafwetboek stelt ‘het zich schuldig maken van een nachtgerucht of nachtrumoer waardoor de rust van de inwoners kan verstoord worden’ strafbaar.

Het gaat hier over lawaai in de ruime zin van de betekenis. De aard van het lawaai is van geen belang. Evenmin is de wijze waarop het geluid wordt voortgebracht, van belang.

Enkel het nachtlawaai dat de rust van de inwoners verstoort of kan verstoren, is strafbaar. Het is voldoende dat het nachtlawaai de rust kan verstoren. Het is dus niet noodzakelijk dat de rust ook effectief verstoord werd. Het nachtlawaai is enkel strafbaar in bewoonde plaatsen of in de nabijheid ervan. De wettekst heeft het ook enkel over inwoners en dus niet over publiek of voorbijgangers, zodat de vaststellingen van de verbalisanten op straat niet dienstig zijn ter beoordeling van deze zaak. Het begrip ‘rust’ moet ruim geïnterpreteerd worden.

Enig opzet is niet vereist. Ook onopzettelijk voortgebracht nachtlawaai kan voldoende zijn om een inbreuk op artikel 561, 1° Strafwetboek op te leveren. Iedereen moet de gepaste maatregelen nemen om te beletten dat door zijn of haar schuld de nachtrust van de buurtbewoners verstoord wordt.

Uit het strafdossier blijkt dat de beklaagde zich op verschillende tijdstippen schuldig gemaakt heeft aan nachtgerucht of nachtrumoer, waardoor de rust van de burgerlijke partijen, wonend in een aanpalende woning, kan verstoord worden. De door de beklaagde genomen maatregelen om de geluidshinder te beperken, voldoen kennelijk niet'.

Referentie: Pol. Veurne, 22 februari 2016, niet gepubliceerd (pub505526).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Geluid, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/05/2015

Uiterste dringende noodzakelijkheid en muziekfestivals

Het is niet eenvoudig om de spoedeisendheid en bij uitbreiding de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen bij een schorsingsprocedure voor de Raad van State als het om een beslissing (hier een geluidsmachtiging) gaat over een in tijd beperkt muziekfestival.

Dit blijkt uit haar arrest nr. 231.259 van 19 mei 2015.

De Raad stelt daarin het volgende:

'Te dezen zullen de verzoekende partijen ongetwijfeld geluidshinder ondervinden door het kwestieuze muziekfestival dat in hun directe leefomgeving wordt georganiseerd. Zij maken met hun uiteenzetting evenwel niet aannemelijk dat de blootstelling aan geluidshinder, gedurende twee opeenvolgende festivaldagen op 4 en 5 juli 2015 van 11.00 uur tot 24.00 uur met een soundcheck op 3 juli 2015 van 19.00 uur tot 21.00 uur, leidt tot onherstelbare gezondheidsschade of andere onherroepelijke schadelijke gevolgen.

De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond.'

Dit arrest zal voor vele festivalorganisatoren als een verlossing komen.

Gepost door Dorien Geeroms

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dorien Geeroms, Geluid, VLAREM
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/05/2015

Geluidsmachtiging voor muziekfestival en spoedeisendheid

Lees hier het bericht op onze blog Omgevingsrecht over een arrest van de Raad van State dat vandaag werd uitgesproken over de geluidsmachtiging voor een muziekfestival en waarbij de voorwaarde van de spoedeisendheid in hoofde van de klagers niet werd aanvaard (niettegenstaande de hoogsensitiviteit van een van de klagers).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Geluid, Hoogdringendheid&Spoedeisendheid, Lokale besturen, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
22/02/2012

Brusselse Hoofdstedelijke Regering wil vliegtuigboetes innen

Het is gekend dat een meerderheid van de administratieve geldboetes die door het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM) zijn opgelegd aan vliegtuigmaatschappijen wegens overschrijding van de Brusselse geluidsemissienormen, onbetaald zijn gebleven.

Dit had voor een groot stuk te maken met de onzekerheid die lange tijd bestond over de juridische geldigheid van de Brusselse geluidsemissienormen zoals bepaald in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van de geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer.

Inmiddels is deze juridische onzekerheid weggenomen. Na eerst het Grondwettelijk Hof en het Hof van Justitie, heeft onlangs ook de Raad van State de Brusselse geluidsemissienormen gevalideerd (zie ons blogbericht van 25 januari 2012).

Daardoor ligt nu de weg open voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering (d.i. de gewestelijke ontvanger) om de openstaande geldboetes in te vorderen. Op maandag 20 februari 2012 liet het kabinet van Brussels minister van Leefmilieu Evelyne Huytebroeck aan tvbrussel alvast weten hiervan werk te zullen maken. In een eerste beweging zouden 24 openstaande dossiers behandeld worden waarin een snelle inning mogelijk zou moeten zijn, goed voor 1,6 miljoen euro.

Gepost door Roel Meeus

Tags Brussels omgevingsrecht, Geluid, Handhaving milieu, Roel Meeus, Vliegtuigen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/01/2012

Brusselse geluidsemissienormen voor vliegtuigen doorstaan de wettigheidstoets van de Raad van State

In een arrest van 23 december 2011 (nr. 217.043) verwerpt de Raad van State het beroep tot nietigverklaring ingesteld door een vliegtuigmaatschappij tegen het besluit van 8 juli 2005 van het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waarbij haar een administratieve geldboete werd opgelegd ten belope van 2.700 euro wegens inbreuken op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van de geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer. Het eerste middel van verzoekende partij wierp de onwettigheid op van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van de geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer. Volgens verzoekende partij schond dit besluit – naast de Europese regels, wat in dit bericht verder buiten beschouwing wordt gelaten – de bevoegdheidsverdelende regels tussen de federale overheid en de gewesten, zoals vastgesteld door de Grondwet, door artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en door de artikelen 4 en 9 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen.

Op de eerste plaats was verzoekende partij van mening dat de vastgestelde geluidsemissienormen het de federale overheid onmogelijk of minstens uiterst moeilijk zouden maken om een eigen en coherente politiek inzake productnormen te voeren – wat een federale bevoegdheid is –, aangezien deze geluidsemissienormen ertoe zouden leiden dat zekere types van vliegtuigen volledig of op bepaalde ogenblikken buiten gebruik dienen te worden gesteld. De Raad van State volgt verzoekende partij niet in haar redenering dat de vastgestelde geluidsemissienormen verkapte productnormen zouden zijn. De Raad van State herinnert aan de vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dat productnormen normen zijn waaraan producten moeten voldoen wanneer – en niet nadat – ze op de markt worden gebracht, waarna de Raad van State vaststelt dat het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van de geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer geen dergelijke productnormen bevat:

Er worden geen normen vastgesteld waaraan producten, namelijk vliegtuigen, zouden moeten voldoen voordat ze op de markt worden gebracht. Bij het besluit wordt alleen opgelegd dat het vliegen met zulke toestellen geen overschrijding mag meebrengen van bepaalde geluidsnormen aan de grond wanneer die toestellen op bepaalde tijdstippen over bepaalde gebieden vliegen.
De federale bevoegdheid inzake productnormen omvat niet het vaststellen van regels voor het gebruik van producten zodra die op de markt zijn gebracht; hieruit volgt dat onder meer bepalingen ter bestrijding van geluidshinder die gelden voor het op de markt brengen van luchtvaartuigen, productnormen zijn, maar dat bepalingen ter bestrijding van geluidshinder die tot doel hebben alleen het vliegen met luchtvaartuigen te regelen, dit niet zijn.


Daarnaast stelde verzoekende partij ook dat het strikt toepassen van de in het besluit vastgestelde emissiegrenswaarden ertoe zou leiden dat luchtvaartmaatschappijen gedwongen worden om hun vluchten van en naar de nationale luchthaven stop te zetten, zodat dit besluit het opnieuw voor de federale overheid uiterst moeilijk zou maken om haar bevoegdheden inzake de uitbating van de nationale luchthaven en de veiligheid van het luchtverkeer uit te oefenen. Opnieuw treedt de Raad van State verzoekende partij niet bij:

Het betrokken besluit legt grenswaarden vast, dat wil zeggen normen betreffende het geluid zoals dat op de grond wordt waargenomen. Die normen hebben geen betrekking op het opstijgen van of het landen op de luchthaven, maar, algemeen gesproken, op de bescherming van de bevolking tegen de lawaaihinder veroorzaakt door vluchten boven het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De toepassing van het betrokken besluit kan de operatoren weliswaar brengen tot een gedrag waarbij met de belangen van derden meer rekening wordt gehouden, maar daaruit kan niet zomaar worden afgeleid dat bij het betrokken besluit regels inzake vliegverkeer of exploitatie van de luchthaven worden vastgelegd.
De verzoekende partij levert niet het bewijs dat de toepassing van het betrokken besluit de exploitatie van de luchthaven Brussel-Nationaal onmogelijk of overdreven moeilijk zou maken, en staaft, in het bijzonder, haar bewering niet volgens welke het voor veel toestellen onmogelijk is om aan de toepasselijke geluidsnormen te voldoen en de luchtvaartmaatschappijen gedwongen zullen worden om hun vluchten van en naar de nationale luchthaven stop te zetten.


Waarna de Raad van State concludeert dat het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van de geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer de aangehaalde bevoegdheidsverdelende regels niet schendt.

Ook de andere middelen werden verworpen.

Eerder achtte het Grondwettelijk Hof de machtiging van de Brusselse ordonnantiegever aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om de geluidsemissienormen voor vliegtuigen vast te stellen grondwettelijk (zie arrest nr. 151/2010 van 22 december 2010), terwijl het Hof van Justitie de Brusselse geluidsemissienormen voor vliegtuigen als zodanig niet strijdig bevond met het Europese recht (zie arrest C-120/10 van 8 september 2011).

Gepost door Roel Meeus

Tags Brussels omgevingsrecht, Geluid, Productnormen, Roel Meeus, Vliegtuigen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags