14/09/2019

Over het verschil tussen ontvankelijkheid en gegrondheid en de band met de motiveringsplicht

In een merkwaardig arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen nr. RvVb-A-1819-1344 van 27 augustus 2019 ontwaart de RvVb een motiveringsgebrek. Een omgevingsvergunningsaanvraag voor het verkavelen van gronden voor groepswoningbouw werd door het college van burgemeester en schepenen onontvankelijk verklaard omwille van een voorlopig vastgesteld gemeentelijk RUP op basis waarvan de aanvraag niet verder kan behandeld worden.

Het Raad stelt:

'Voormelde overweging is geen juridisch correcte motivering voor de vaststelling van de onontvankelijkheid van de aanvraag. De eventuele strijdigheid van een aanvraag met een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan betreft in principe een onderdeel van het onderzoek ten gronde van de aanvraag en niet van het onderzoek van de onontvankelijkheid ervan, zoals bepaald in artikel 19 OVD. De verwerende partij geeft in de bestreden beslissing geen enkele verklaring waarom de voorlopige vaststelling van het RUP in casu tot de onontvankelijkheid van de aanvraag dient te leiden'.  

Dit lijkt wel een zeer formalistisch arrest dat de verzoeker ook weinig soelaas zal kunnen bieden bij bestemmingsstrijdigheid.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Motivering, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/09/2019

De Raad van State blijft belangrijke arresten vellen over de werking van het FAVV en van diens beroepscommissie en van de minister!

In het arrest nr. 245.333 van 29 augustus 2019 heeft de Raad van State zich nogmaals uitgesproken over de intrekkingsprocedure (P15) van de artikelen 15 en 16 van het KB van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het FAVV.

Als het FAVV besloot tot de intrekking van een erkenning of de toelating en de minister willigde, op advies van de Beroepscommissie, het beroep in, werd er vaak bepaald dat een controle zou volgen en dat, zou er dan ‘enige’ nieuwe inbreuk worden vastgesteld, de intrekking van de erkenning of de toelating alsnog definitief zou zijn, met enkel een beroep bij de Raad van State als optie. In het arrest nr. 245.214 van 19 juni 2019 besliste de Raad van State dat er altijd tot een evenredigheidstoets moet overgegaan worden.

In de zaak die aanleiding gaf tot het nieuwe arrest nr. 245.333 werd voor de Beroepscommissie geargumenteerd dat de minister zijn beroepsbevoegdheid niet kon delegeren aan het FAVV. Hierop werd de systematiek schijnbaar aangepast en werd overgegaan tot een controlebezoek ... op instructie van de beroepscommissie, dus vóór de ministeriële beslissing. Deze controle viel blijkbaar slecht uit en de minister verwierp het beroep.

De auditeur trad de verzoeker in de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij dat de Beroepscommissie daarmee haar bevoegdheid te buiten ging, maar de Raad van State ziet dit anders:

'Op het eerste gezicht staat artikel 16, § 5, van het koninlijk besluit van 6 januari 2006 er niet aan in de weg dat de beroepscommissie een bijkomende controle ter plaatse laat verrichten over de gegrondheid van de door de operator ingediende bezwaren en haalbaarheid van de voorgestelde verbeteringen. Zo'n onderzoek lijkt veeleer te getuigen van de vereiste zorgvuldigheid'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, FAVV
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
06/08/2019

Dwangsom in procedures bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad van State

Met arrest nr. 245.230 van 24 juli 2019 schorst de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid een tweede maal een sluitingsbeslissing van het FAVV, gebaseerd op eenzelfde ministeriële beslissing. Op verbeurte van een dwangsom van 100.000€ per dag vanaf de dag volgend op de betekening per fax van het arrest, wordt aan het FAVV bij wege van voorlopige maatregel verbod opgelegd om op grond van de vaststellingen gedaan bij de controle van 12 juli 2019 een nieuwe beslissing te nemen die ertoe strekt dat verzoekende partij haar inrichting moet sluiten.

De Raad van State stelt dat ‘kan worden gevreesd, gelet op de houding die de verwerende partij heeft aangenomen na het schorsingsarrest nr. 245.214, dat die partij een nieuwe beslissing zou nemen met dezelfde strekking als de thans en de eerder bestredene, uitgaande van de vaststellingen gedaan tijdens de controle van 12 juli 2019.Deze vrees wordt gevoed door het gegeven dat vrijwel onmiddellijk na het meermaals vermeld schorsingsarrest dd. 19 juli 2019 de verwerende partij terug op grond van dezelfde feitelijke vaststellingen vervat in de beslissing van 12 juli 2019 tot een maatregel met dezelfde gevolgen is overgegaan, weliswaar mits het nemen van een formeel ietwat aangevulde motivering, welke in rechte, prima facie, niet afdoende is gebleken'. Uit onderhavig arrest, samen gelezen met het arrest nr. 245.214, moet worden afgeleid dat niet dient te worden gevreesd ‘voor een reëel en ernstig gevaar voor de gezondheid van de klanten’, louter op basis van de op 12 juli 2019 door verwerende partij vastgestelde inbreuken.Rekeninghoudend met deze vaststelling, evenals met de vaststelling dat uit beide betrokken schorsingsarresten blijkt dat de prima facie vastgestelde onwettigheid verder reikt dan een puur gebrek in de formele motivering, en ook prima facie een schending van het redelijkheidsbeginsel behelst en teneinde een opeenvolging van nieuwe dergelijke beslissing met telkens een andere motivering te voorkomen, bestaat er aanleiding toe om de dwangmaatregel op te leggen die de verwerende partij oplegt de beslissing van 9 mei 2019 nogmaals te implementeren door een sluiting van de inrichting van de verzoekende partij op te leggen op grond van de op 12 juli 2019 vastgestelde en weerhouden inbreuken op het vlak van de etikettering’.

Ref. Pub507874

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Dwangsom, FAVV, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
23/07/2019

Gemeentelijke milieustakingsvordering als alternatief voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen?

In een vonnis van 8 juli 2019 heeft de Kortrijkse milieustakingsrechter aan een landbouwer verbod opgelegd om een derde pluimveestal te bouwen onder verbeurte van een dwangsom van 10.000€ per dag dat gebouwd wordt en dat de pluimveestal er blijft staan.

De omgevingsvergunning die de landbouwer had bekomen voor de pluimveestal wordt op vraag van de gemeente als onwettig buiten toepassing gelaten door de milieustakingsrechter:

De rechtbank is van oordeel dat gezien de grote schaal van het project, ook al is er op zich geen planologische strijdigheid met de bestemmingsvoorschriften, de inplanting ervan zo is voorzien dat die totaal in wanverhouding staat met een afgewogen concept van goede ruimtelijke ordening en aldus onverenigbaar is met de goede plaatselijke aanleg. (...) De door de bestreden beslissing gegeven motieven die quasi uitsluitend gebaseerd zijn op het landschappelijk integratieplan en daarin opgenomen aanplanting van ‘nieuw aan te planten losse heg’ verantwoorden niet in redelijkheid de te verwachten grote potentiële hinder voor de aangelanden’.

Verder is de milieustakingsrechter de mening toegedaan dat de impact van het project in de omgeving dat uit open landschap bestaat, op een ‘kennelijk onredelijke wijze’ is beoordeeld.

Aldus is de gemeentelijke milieustakingsvordering een ernstig alternatief voor de vernietigingsprocedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, in het bijzonder omwille van de snelheid van de milieustakingsprocedure, die een procedure zoals in kortgeding is, en omwille van het feit dat de ontvankelijkheidsdrempel van een procedure tot schorsing (eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid) voor gemeenten of colleges van burgemeester en schepenen hoger ligt bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen dan bij de milieustakingsrechter.

Referentie: Vz.Rb. Kortrijk 8 juli 2019, nr. 2019/4311, ng. (pub507646-2)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Milieustaking
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
23/07/2019

Belangwekkend arrest van de Raad van State inzake voedselveiligheid

Artikel 15 §1 van het KB van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen, bepaalt dat het FAVV de erkenning of toelating, afgeleverd door de uitoefening van een activiteit in of vanuit een inrichting, kan intrekken bij welbepaalde inbreuken op de FAVV-regeling. De operator beschikt dan over een termijn van 15 dagen om per aangetekende brief zijn bezwaren aan het Agentschap mee te delen en, in voorkomend geval, te verzoeken om door deze gehoord te worden en/of verbeteringen voor te stellen teneinde tegemoet te komen aan de ingeroepen motieven. Het FAVV onderzoekt dan de bezwaren en voorgestelde verbeteringen en voert een nieuwe controle uit. Indien het Agentschap van oordeel is dat de inrichting nog steeds niet voldoet, trekt zij de erkenning of toestemming in, hetgeen kan betekenen dat de inrichting gewoonweg wordt gesloten. De operator kan da beroep aantekenen bij de Beroepscommissie binnen het Agentschap, die dan advies verstrekt aan de minister die binnen de 15 dagen een eindbeslissing moet nemen over het beroep.

In het geval voorgelegd aan de Raad van State in het arrest nr. 245.214 van 19 juni 2019 werd de erkenning van een halalsupermarkt ingetrokken door het FAVV wegens inbreuken op de etiketteringsreglementering, werd in beroep door de operator een verbeterprogramma voorgesteld dat de Beroepscommissie kon overtuigen en nam de minister op adviues van deze Commissie dan de gebruikelijke beslissing waarbij de intrekking werd geschorst, met dien verstande dat bij een eerstvolgende controle ‘enige’ nieuwe inbreuk wordt vastgesteld, de intrekking van de erkenning of de toelating alsnog definitief, met enkel een beroep bij de Raad van State als optie. Bij de hercontrole werden enkele nieuwe inbreuken vastgesteld en werd de erkenning alsnog ingetrokken.  Tegen deze 'sluitingsbelissing' werd opgekomen door de operator bij de Raad van State.

De Raad van State beslecht in het arrest bij uiterst dringende noodzakelijkheid 2 belangrijke vraagstukken:

Eén. De Raad van State oordeelt dat wel degelijk enkel tegen de ‘sluitingsbeslissing’ van het FAVV, na ministeriële beslissing, kan opgekomen worden:

De verwerende partij “stelt zich vragen bij het belang van verzoekende partij […] waar dit beroep immers geen einde kan stellen aan de beslissing van Minister Ducarme dd. 9.05.2019”.

Zij wijst erop dat tegen deze beslissing door de verzoekende partij geen rechtsmiddel werd aangewend, zodat deze beslissing definitief is geworden.

Zij stelt verder dat zij zolang die beslissing bestaat “terzake geen enkele beoordelingsvrijheid (heeft) en … zij in geval van vaststelling van enige inbreuk eenvoudigweg de intrekking van de toelating (dient) vast te stellen” en concludeert dat de verzoekende partij “aldus geen belang (heeft) terzake”.

Ter terechtzitting stelt de verzoekende partij dienaangaande dat de beslissing van 9 mei 2019 een voorbereidende beslissing is.

Beoordeling

Het is zonder meer duidelijk dat de voorliggende bestreden beslissing die de quasi onmiddellijke sluiting van de inrichting van de verzoekende partij tot gevolg heeft, de belangen van die partij ongunstig raakt.

Onder punt 3.8. hierboven wordt de inhoud van de beslissing [van de minister van 9 mei 2019 weergegeven.

Daaruit blijkt dat wanneer enig resultaat van de in het vooruitzicht gestelde inspecties ongunstig is of voor één van de zeventien willekeurig gekozen voorverpakte producten het etiket “gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum  …” niet conform is, de intrekking van de toelating als detailhandel en vleeswinkel, “definitief” wordt. Het geheel van die beslissing hoefde de verzoekende partij er niet toe te brengen deze beslissing aan te vechten, vermits zij er mocht op vertrouwen dat de verwerende partij deze beslissing op wettige, en derhalve op zorgvuldige en redelijke wijze, zou uitvoeren.

In afwachting hiervan behield zij haar erkenning en hoefde zij niet te anticiperen op een mogelijk onwettige uitvoering van die beslissing.

De exceptie wordt derhalve verworpen.’

Twee. De Raad van State beslist dat bij handhaving inzake voedselveiligheid altijd tot een evenredigheidstoets moet overgegaan worden:

‘Aangaande het verweer geput uit het definitief geworden zijn van de beslissing van 9 mei 2019 en uit het verband tussen die beslissing en deze die thans wordt bestreden, dient op de eerste plaats verwezen te worden naar hetgeen hierboven werd geoordeeld met betrekking tot het belang van de verzoekende partij bij de voorliggende vordering.

Het wordt niet betwist dat op het vlak van de etikettering in de zgn. quickscan van 17 producten, bij de controle van 12 juli 2019 een aantal onvolkomenheden werden vastgesteld.

Hierover ter terechtzitting ondervraagd bevestigt de verwerende partij de vaststelling door de verzoekende partij, die ook prima facie blijkt uit de bestreden beslissing, dat deze onvolkomenheden in wezen uitsluitend betrekking hebben op een gebrekkige vertaling, soms in het Nederlands, vaker in het Frans, van een aantal vermeldingen die in de andere taal wel op het desbetreffende etiket voorkomen.

Bovendien bevestigt de verwerende partij, ook in haar nota, dat de controle van 12 juli 2019 “inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne” als “gunstig met opmerkingen” werd beschouwd.

Bovendien wordt zelfs vastgesteld dat de “uitgebreide controle inzake etikettering, die […] moet worden uitgevoerd op drie producten” ook resulteerde in de beoordeling “gunstig met opmerkingen”.

Met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat, naar de letter, één van de in de “quickscan van zeventien producten” weerhouden onvolkomenheden op het vlak van de etikettering, zelfs wanneer die enkel betrekking heeft op “de taal”, blijkens de libellering van de beslissing van 9 mei 2019, volstaat om de erkenning definitief in te trekken zowel voor de detailhandel als voor de “vleeswinkel”.

In redelijkheid kan evenwel niet worden aangenomen dat eender welke dergelijke onvolkomenheid, ongeacht de ernst of de mogelijke gevolgen ervan, blindweg, automatisch, moet aanleiding geven tot de gevolgen die de bestreden beslissing met zich meebrengt.

De beslissing van 9 mei 2019 kan in rechte dan ook niet in die zin worden begrepen dat de minste – eventueel zelfs futiele – tekortkoming, bijvoorbeeld op het vlak van vertaling van de vereiste gegevens op een etiket, automatisch tot de definitieve volledige intrekking van de toelatingen voor de detailhandel én de vleeswinkel moet aanleiding geven.

Er wordt in dit verband zelfs niet aangevoerd door de verwerende partij dat de weerhouden  onvolkomenheden slaan op de inhoud zelf van de vermelding. Toegegeven wordt dat het in casu steeds gaat om onvolledige of gebrekkige vertalingen.

Het valt dan ook nauwelijks in te zien, en minstens had de verwerende partij derhalve formeel moeten motiveren, waarom de weerhouden tekortkomingen in redelijkheid tot dergelijke zware gevolgen moesten leiden, nu de verwerende partij tegelijk ook vaststelt dat de – onverwachte – controle van 12 juli 2019 “inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne … als ‘gunstig met opmerkingen’ (werd) beschouwd”, en zelfs dat “de uitgebreide controle inzake etikettering die … moet worden uitgevoerd op drie producten, (ook) resulteerde … in de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen”.

De middelen zijn in de hierboven besproken mate dan ook ernstig.’

Het arrest van de Raad van State kan een einde maken aan de ‘automatische sluitingspraktijk’ na de beslissing van de minister.

Referentie: pub507874

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags