05/07/2018

Grondwettelijk Hof bevestigt: ontslag contractueel ambtenaar NIET onderworpen aan formele motiveringsplicht

Eerder hebben we u bericht over het arrest het Hof van Cassatie met nr. S.13.0026 van 12 oktober 2015 waarin wordt gesteld dat het ontslag van een contractueel ambtenaar NIET onderworpen is aan de formele motiveringsplicht, noch aan de hoorplicht.

Inmiddels heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld in de arresten nr. 86/2017 en 22/2018 dat de afwezigheid van een aan het ontslag van een contractuele ambtenaar voorafgaand verhoor een discriminatie inhoudt in vergelijking met statutaire personeelsleden.

Maar hoe zit het met de motiveringsplicht? Aan het Grondwettelijk Hof werd deze prejudiciële vraag gesteld:

'Schendt de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, eventueel in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing zou zijn op het ontslag van de contractuele personeelsleden van het openbaar ambt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de werknemer die krachtens een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld, niet de mogelijkheid zou bieden de redenen te kennen die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing tot ontslag die hem is opgelegd, terwijl de statutaire werknemer die met eenzelfde werkgever is verbonden, zijnerzijds kan eisen dat hij kennis kan nemen van de redenen die ten grondslag liggen aan de verbreking van de statutaire relatie die hem verbond met de overheid die eenzijdig heeft beslist die relatie te beëindigen ?'

Door ontkennend te antwoorden op deze vraag treedt het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 84/2018 van 5 juli 2018 in deze de rechtspraak van het Hof van Cassatie bij:

B.5. De omstandigheid dat de door een overheid tewerkgestelde werknemers en de statutaire ambtenaren zich in verschillende juridische situaties zouden bevinden die bestaan uit de arbeidsovereenkomst en het statuut, volstaat niet, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, om te kunnen oordelen dat die categorieën van personen niet met elkaar zouden kunnen worden vergeleken : in beide gevallen gaat het immers erom de voorwaarden te bepalen waaronder voor die personen op geldige wijze een einde kan worden gemaakt aan hun betrekking.

B.6. In de interpretatie van de prejudiciële vraag, die door de verwijzende rechter in aanmerking is genomen, kan een overheid een werknemer met wie zij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, ontslaan zonder dat zij onderworpen is aan de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Het komt in de regel aan de verwijzende rechter toe de bepalingen die hij toepast te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen, hetgeen te dezen niet het geval is. Het Hof van Cassatie heeft trouwens geoordeeld : « 1. Krachtens artikel 2 Wet Motivering Bestuurshandelingen moeten de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

Artikel 1 van die wet definieert een bestuurshandeling als de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur en de besturen als de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 2. Zoals de wetsgeschiedenis aangeeft, volgt uit deze bepalingen niet dat een administratieve overheid die een werknemer ervan in kennis stelt dat zij de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst beëindigt, verplicht is dit ontslag uitdrukkelijk te motiveren. 3. Het arrest dat oordeelt dat de ontslagbrief waarmee de eiseres aan de verweerder ter kennis bracht dat zij besloten had de arbeidsovereenkomst te beëindigen, niet voldoet aan de door de Wet Motivering Bestuurshandelingen opgelegde motiveringsplicht en op die grond beslist tot het bestaan van een fout in hoofde van de eiseres, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond » (Cass., 12 oktober 2015, Arr. Cass., 2015, nr. 595). Het Hof onderzoekt bijgevolg het verschil in behandeling in de interpretatie van de verwijzende rechter.

B.7. Door een overheid toe te staan een werknemer met wie zij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, te ontslaan, zonder die overheid ertoe te verplichten het ontslag uitdrukkelijk te motiveren, doen de artikelen 1 tot 7 van de wet van 29 juli 1991 een verschil in behandeling ontstaan tussen die werknemers en de statutaire ambtenaren, die het recht hebben de redenen te kennen die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing tot ontslag.

B.8. De statutaire personeelsleden zijn in beginsel niet vergelijkbaar met contractuele personeelsleden, aangezien ze zich in een grondig verschillende rechtspositie bevinden. De verschillende rechtsregels die de arbeidsverhouding van beide categorieën van personeelsleden beheersen, verhinderen echter niet dat ze zich, ten aanzien van een in hun rechtsvordering voor een rechter gestelde rechtsvraag, in een vergelijkbare situatie bevinden.


B.9. De specifieke kenmerken die het statuut ten opzichte van de arbeidsovereenkomst vertoont, kunnen naar gelang van het geval worden geanalyseerd als voordelen (dat is met name het geval voor de grotere vastheid van betrekking of de pensioenregeling, die voordeliger is), of als nadelen (zoals het veranderlijkheidsbeginsel, de discretie- en neutraliteitsplicht of de regeling inzake de cumulatie of de onverenigbaarheden).

Die specifieke kenmerken dienen evenwel alleen in aanmerking te worden genomen in het licht van het onderwerp en de finaliteit van de in het geding zijnde bepalingen. De statutaire ambtenaar die het voorwerp uitmaakt van een ambtsbeëindiging en het contractuele personeelslid dat zijn opzegging krijgt, bevinden zich ten aanzien van de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen in een verschillende situatie. De eerste ziet zijn betrekking gewaarborgd door het feit dat zijn ambt slechts kan worden beëindigd op grond van redenen die uitdrukkelijk in zijn statuut zijn opgesomd. Het vaste karakter van de betrekking vormt aldus een substantieel kenmerk van het statutair ambt. Daaruit volgt voor de overheid die een einde maakt aan een statutaire relatie een verplichting om de bij het statuut bepaalde reden van ontslag afdoende te identificeren en voor de statutaire ambtenaar een recht om bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te stellen. Aangezien dat beroep binnen een termijn van zestig dagen moet worden ingesteld, moet die ambtenaar snel de redenen van de beslissing van de overheid kennen. Het contractuele personeelslid daarentegen is onderworpen aan de regels die van toepassing zijn op de arbeidsovereenkomst, volgens welke elke partij bij de overeenkomst eenzijdig een einde aan de overeenkomst kan maken om vrij gekozen redenen. Een contractuele werknemer beschikt over een termijn van een jaar na de beëindiging van de overeenkomst om bij de arbeidsrechtbank beroep in te stellen. Die termijn biedt hem de mogelijkheid om aan de werkgever te vragen om de redenen van zijn ontslag te kennen. Het Hof beklemtoont dat het bij zijn arrest nr. 101/2016 van 30 juni 2016 heeft gezegd voor recht dat artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, in samenhang gelezen met artikel 38, 2°, van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het van toepassing is op arbeiders in de publieke sector, wanneer het ontslag plaatsvindt na 31 maart 2014. In dat arrest heeft het ook geoordeeld dat « [het] in afwachting van het optreden van de wetgever […] aan de rechtscolleges [toekomt], met toepassing van het algemene verbintenissenrecht, de rechten van alle werknemers in de publieke sector bij een kennelijk onredelijk ontslag zonder discriminatie te vrijwaren, waarbij zij zich in voorkomend geval kunnen laten leiden door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 109 » (B.7.3).

B.10. Uit het voorgaande blijkt dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in de interpretatie volgens welke zij niet van toepassing zou zijn op het ontslag van contractuele personeelsleden van het openbaar ambt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen
Tags Ambtenarenrecht, Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
20/11/2017

Wat is de rechtsband tussen een eerste en een tweede negatieve evaluatiebeslissing?

In het het arrest nr. 239.910 van 17 november 2017, geveld bij uiterst dringende noodzakelijkheid, licht de Raad van State toe:

'6.1. Verzoeker leidt een eerste middel af uit het door hem ingediende verzoekschrift tot vernietiging van de beslissing van 27 juni 2016 tot eerste ongunstige evaluatie, “hangende voor [de] Raad en gekend onder het rolnummer G/A 220.186/X-16720”. Uiteengezet wordt dat verzoeker de (drie) middelen die hij in die zaak aanvoerde “integraal” bijtreedt en herneemt en dat, aangezien deze eerste beslissing tot ongunstige evaluatie manifest onwettig is en bijgevolg moet worden vernietigd, “dit dan ook onmiskenbaar de ongeldigheid van de thans be[s]treden beslissing tot tweede ongunstige evaluatie van verzoeker tot gevolg [heeft]”.

7. De bestreden beslissing van 23 oktober 2017 is het resultaat van de bijzondere evaluatie van verzoeker, die gevolgd is op zijn ongunstige evaluatie van 27 juni 2016 over de periode van 1 april 2014 tot 31 maart 2016. Deze ongunstige evaluatie van 27 juni 2016 lijkt er niet specifiek op gericht de bestreden bijzondere evaluatie voor te bereiden. Het belet op het eerste gezicht niet dat er tussen de beide beslissingen toch een zodanige band bestaat dat indien de eerste beslissing wordt vernietigd, of ten minste wordt geschorst, daardoor de vereiste grondslag voor de tweede beslissing wegvalt of onwerkzaam wordt.

8. Weliswaar heeft verzoeker tegen zijn ongunstige evaluatie van 27 juni 2016 het annulatieberoep gekend onder nr. A. 220.186/X-16.720 ingediend, maar daar is nog geen uitspraak over gedaan. Ook is de ongunstige evaluatie niet geschorst. Aangezien het verzoekschrift dat verzoekster in het eerste middel aanvoert (nog) niet tot de vaststelling heeft geleid, weze het slechts voorlopig, van de onwettigheid van de ongunstige evaluatie van 27 juni 2016, wordt het op het eerste gezicht dan ook tevergeefs aangewend om de schorsing van de bestreden bijzondere evaluatie te verkrijgen. Het middel is niet ernstig'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Ambtenarenrecht, Dirk Van Heuven
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/07/2017

Dwangsom bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan

Ziehier een voorbeeld in het arrest nr. 238.691 van 27 juni 2017:

'Ook al in de uitspraak bij uiterst dringende noodzakelijkheid”, vraagt verzoeker “verwerende partij te verplichten om tegen de eerstvolgende gemeenteraadszitting verzoeker tot gemeente- en OCMWsecretaris te benoemen en dit onder verbeurte van een wangsom van 1.000€ per dag vertraging”.

Volgens de verwerende partij is het gevorderde vreemd aan de bestreden beslissing, (...) is er geen onwil in hoofde van het bestuur bewezen. Ondergeschikt acht de verwerende partij de hoogte van de gevorderde dwangsom buitensporig en “niet in redelijke verhouding [tot] de wedde van de gemeentesecretaris”.

Beoordeling

(...) Voorts komt het de Raad van State voor dat de gevorderde voorlopige maatregel allesbehalve vreemd is aan de bestreden weigering. Uit de bespreking sub V en de als gevolg ervan uit te spreken schorsing volgt dat de verwerende partij niet voort de weigering van 18 mei 2017 om verzoeker vast te benoemen als voltijds statutair secretaris ten uitvoer mag leggen en dat er moet worden van uitgegaan dat zij, in tegendeel, ertoe gehouden is hem vast te benoemen. De verwerende partij heeft geen andere keuze (meer) dan verzoeker vast te benoemen.

De concrete omstandigheden van de zaak in acht genomen, kan de Raad van State er evenwel geen vertrouwen in hebben dat de verwerende partij zich daarnaar gedraagt, hoe urgent de zaak voor verzoeker ook mag geacht. Haar houding getuigt wel degelijk van onwil. Dat bleek nog ter terechtzitting.

In de nota vraagt de verwerende partij er begrip voor dat de gemeenteraad op 18 mei 2017 “nog niet volledig” was geïnformeerd over het arrest nr. 238.180 van 12 mei 2017. Daargelaten dat de gemeenteraadsbeslissing van 18 mei 2017 juist het tegendeel laat zien, blijkt echter uit het debat ter zitting dat er sinds 18 mei 2017 ook nog vergaderingen van de gemeenteraad op 29 mei 2017 en 22 juni 2017 zijn geweest waarop de verwerende partij al evenmin verzoekers situatie heeft geregulariseerd – zulks niettegenstaande zij intussen zelfs bijkomend kennis had van een arrest nr. 238.212 van 16 mei 2017, waarin de Raad van State in verband met de verplichting om verzoeker te benoemen uitdrukkelijk de uitoefening van zijn substitutiebevoegdheid bedoeld in artikel 36, § 1, tweede lid, van de  gecoördineerde wetten op de Raad van State ter sprake brengt.

Anders dan de verwerende partij, beoordeelt de Raad van State de gevorderde dwangsom niet als overdreven. Toetssteen is niet de wedde van verzoeker, maar de onwil van de verwerende partij.

De conclusie is dan ook dat er grond is om, in afwachting van een uitspraak ten gronde, naast het bevelen van de gevorderde schorsing, eveneens de in het dictum bepaalde voorlopige maatregel onder de verbeurte van een dwangsom op te leggen'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Ambtenarenrecht, Dirk Van Heuven, Dwangsom, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/07/2017

Een onthouding om te benoemen is ook een voor vernietiging vatbare rechtshandeling

Zo besliste de Raad van State in het arrest nr. 238.691 van 27 juni 2017:

'Op 18 mei 2017 staat eens te meer het punt van verzoekers vaste benoeming op de agenda van de gemeenteraad. Er wordt besloten om niet over zijn vaste benoeming te besluiten omdat "eerst [dient] te worden nagegaan. waarom geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend werd (cfr.arrest d.d. 12/5/2017 met nr. 238.180)”.

(...)

Als een administratieve rechtshandeling is niet alleen de handeling te beschouwen die beoogt rechtsgevolgen tot stand te brengen, maar ook de handeling die beoogt te beletten dat rechtsgevolgen tot stand komen. Voorts laat een onthouding van de toezichthoudende overheid om op te treden in het kader van het facultatief algemeen administratief toezicht, zich niet vergelijken met de onthouding om te benoemen in een geval waarin de overheid tot die benoeming verplicht is – zoals te dezen aan de orde is (zie randnr. 10). 6. De bestreden beslissing doet zich wezenlijk voor als een zoveelste weigering om verzoeker vast te benoemen als gemeentesecretaris. De exceptie wordt verworpen'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Ambtenarenrecht, Dirk Van Heuven
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
15/02/2017

Ontstaat er een recht op benoeming na een gunstige evaluatie van de proeftijd (bis)?

Reeds eerder hebben we deze vraag gesteld naar aanleiding van het van de Raad van State nr. 236.547 van 25 november 216, uitgesproken bij uiterst dringende noodzakelijkheid. In deze zaak was de proeftijd van de secretaris afgesloten met een gunstige evaluatie van de Evaluatiecommissie, maar de gemeenteraad weigerde hem vervolgens gemotiveerd te benoemen.  De Raad van State oordeelde:

'Uit wat voorafgaat lijkt te volgen dat de gemeenteraad geen bevoegdheid heeft inzake de evaluatie van de gemeentesecretaris en dat de beslissing van de gemeenteraad van Z. om de gunstige evaluatie van verzoekers proeftijd door het evaluatiecomité naast zich neer te leggen en op het eerste gezicht te vervangen door een eigen ongunstige beoordeling, onrechtmatig afbreuk doet aan artikel 73 van het personeelsstatuut'.

Hierop trok de gemeenteraad de bestreden niet-benoemingsbeslissing in en nam zij dezelfde beslissing, ditmaal ... ongemotiveerd. De Raad schorst met arrest nr. 237.368 van 14 febrauari 2017 ten tweede maal bij UDN:

'Ofschoon het resultaat van verzoekers eindevaluatie van de proeftijd gunstig is, weigert de gemeenteraad tot twee keer toe hem vast aan te stellen in statutair verband: een eerste keer op grond van motieven die ogenschijnlijk ondeugdelijk zijn en vervolgens worden teruggenomen, en een tweede keer zelfs om helemaal geen enkele reden.

Dat verzoeker deze onbestaande motieven zou kennen, is grotesk. In zijn tweede middelonderdeel betoogt hij noch min noch meer: “In casu ligt er gewoonweg géén motivering voor”.

Aangezien het voorgaande lijkt uit te wijzen dat de verwerende partij geen redenen heeft om verzoeker niet vast te benoemen, is er ten minste in de huidige stand van de procedure aanleiding toe om bijgevolg, logischer- en noodzakelijkerwijze, te besluiten tot het bestaan van een verplichting om hem vast te benoemen'.

Referentie: PUB506210

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Ambtenarenrecht, Dirk Van Heuven
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags