07/06/2019

Steeds belang bij een middel over bestemmingsstrijdigheid?

Klassiek luidt de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat, opdat een verzoekende partij belang zou hebben bij een middel, het noodzakelijk, doch voldoende is dat de vernietiging op grond van dit middel zou kunnen bijdragen tot het voordeel dat de verzoekende partij beoogt of, anders gezegd, dat dit middel het door haar geschetste nadeel zou kunnen weren.

In het eerder door ons gecommentarieerde arrest nr. RvVb/A/1718/0887 van 22 mei 2018 werd deze rechtspraak schijnbaar genuanceerd. Indien een middel strekt tot bescherming van belangen die geheel vreemd zijn aan het belang waarop de verzoekende partij zich voor de staving van de ontvankelijkheid van haar vordering beroept, dan is er geen belang bij het middel.

In het arrest nr. RvVb-A-1819-1000 van 21 mei 2019 werd aan verzoekende partijen tegengeworpen dat zij geen belang konden doen gelden tegen de ingeroepen bestemmingsstrijdigheid van een gedeelte van het bouwproject, omdat zij te ver af wonen van dit gedeelte. De Raad herhaalt haar klassieke rechtspraak, met name dat het bekomen van de nietigverklaring op zich een voldoende belang uitmaakt, en argumenteert bijkomend:

‘Bovendien zijn de stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP, waarvan de verzoekende partijen de toepassing benaarstigen, ingegeven vanuit het algemeen belang en de principiële vrijwaring van het gebied voor stedenbouwkundige handelingen en strekken deze aldus niet louter tot de bescherming van de eigenaar/bewoner van de aanpalende/vlakbij gelegen percelen/woningen, zodat de verwijzing in de exceptie naar de afstand ten aanzien van de woning van de verzoekende partijen in dat verband irrelevant is’.

Vrij vertaald hebben verzoekende partijen altijd belang bij een middel gestoeld op de bestemmingsstrijdigheid, onafgezien de impact daarvan op hun persoonlijk leven.

Referentie: RvVb, 21 mei 2019, nr. RvVb-A-1819-1000 (Pub507125)