16/03/2015

Raad van State vernietigt sociaal-economische vergunning Just Under The Sky

Op de website van de Raad van State verscheen vandaag volgend bericht:

Vernietiging socio-economische vergunning voor 'Just Under The Sky' (Docks Bruxsel)
Bij het arrest nr. 230.271 van 24 februari 2015 vernietigt de Raad van State het besluit van 7 januari 2013 waarbij het Interministerieel Comité voor de Distributie de socio-economische vergunning verleent voor het handelscomplex ‘Just Under the Sky’ (thans: Docks Bruxsel) aan de Van Praet-brug te Brussel.

De Raad van State overweegt vooreerst dat het Interministerieel Comité voor de Distributie de aanvraag niet op een ernstige wijze aan de stedenbouwkundige voorschriften van het Brusselse Gewestelijk Bestemmingsplan heeft getoetst. Bij gebrek aan een eigen gemotiveerd standpunt over de verenigbaarheid van de aanvraag met het Brusselse Gewestelijk Bestemmingsplan, schendt het Interministerieel Comité voor de Distributie de formelemotiveringsplicht. Daarnaast is de Raad van State van oordeel dat de verkeers- en parkeerproblematiek voor de vergunning van het project essentieel is, maar dat het Interministerieel Comité voor de Distributie geen voldoende antwoord biedt voor de mobiliteitsproblematiek.
(24/02/2015)

De bestreden beslissing ging nog uit van het federale Interministeriel Comité voor de Distributie.  Er wordt een motiveringsgebrek weerhouden door de Raad van State:

'9.1. Anders dan de tussenkomende partijen dit zien, dient het comité een eigen toetsing van de aanvraag aan de stedenbouwkundige voorschriften van het BGB uit te voeren. De excepties van de tussenkomende partijen desbetreffend zijn ongegrond.

9.2. Ten gronde moet verzoeker worden bijgetreden, waar hij stelt dat het bestreden besluit op het punt van de planologische toetsing van de aanvraag niet eenduidig en duidelijk is. Weliswaar worden in dit besluit de standpunten van de aanvrager en van het NSECD weergegeven, maar vervolgens ontbreekt elke ernstige afweging en toetsing van het gevraagde aan de stedenbouwkundige voorschriften van het BGB (Brusselse Gewestelijk Bestemmingsplan) en de formulering van een gemotiveerd standpunt van het comité zelf. In essentie beperkt het comité zich te dezen tot een verwijzing naar de voor het complex verleende stedenbouwkundige vergunning en certificaat en het arrest van de Raad van State nr. 193.653 van 29 mei 2009 in de zaak Basilix met betrekking tot de inhoud van het begrip winkelcentrum.

9.3. Bij gebrek aan een eigen gemotiveerd standpunt omtrent de planologische verenigbaarheid van het gevraagde met het BGB, schendt het comité de formelemotiveringsplicht.

9.4. Het middel is in de aangegeven mate gegrond.

(...)

11.1. Zoals hoger gezien, vormt de mobiliteitsproblematiek, anders dan de tussenkomende partijen dit zien, wel degelijk een aspect dat bij de beoordeling van een socio-economische vergunningsaanvraag in overweging moet worden genomen. De excepties van deze partijen desbetreffend zijn ongegrond.

11.2. De omstandigheid dat voor de kwestieuze handelsvestiging een milieuvergunning en stedenbouwkundige vergunning is verleend, belet niet dat het comité zelf een afdoende gemotiveerde beoordeling moet geven met betrekking tot de mobiliteitsproblematiek, zoals die blijkt uit het dossier, inzonderheid de vergunningsaanvraag zelf en het negatief advies van het NSECD.

11.3. Met betrekking tot de mobiliteitsproblematiek stelt het bestreden besluit vast dat het project duidelijk in minder parkeergelegenheid voorziet dan andere shoppingcomplexen, maar dat dit een door de aanvrager gewild gegeven is om een beleid van multimodale mobiliteit te kunnen voeren. Vervolgens wordt gesteld dat de site voor iedereen (te voet, met het openbaar vervoer en middels alle andere individuele vervoersmiddelen) bereikbaar is en dat de aanvrager aanvoert dat een aantal ingrepen (de wijziging van twee tramhaltes, de verlenging van de tunnel onder het treinstation van Schaarbeek die ter studie ligt, de toekomstige ontwikkeling van het Gewestelijk expressnetwerk) voor een nog betere bereikbaarheid zullen zorgen. Besloten wordt dat het project aldus beantwoordt aan de vereisten van bereikbaarheid, zowel wat het private als het openbare transport betreft, en dat dit ook uit de verleende stedenbouwkundige en milieuvergunning voor het project blijkt. 

11.4. Verder wordt onder de hoofding “bescherming van het stedelijk milieu” van het bestreden besluit nog overwogen dat de aanvrager melding maakt van een stedenbouwkundige vergunning voor een nieuwe verkeersrotonde die de verkeerssituatie op de Lambermontlaan zal verbeteren, alsook dat de aanvrager de ambitie heeft om maximaal 50% van de bezoekers met de wagen te laten komen. Opnieuw wordt als besluit verwezen naar de stedenbouwkundige vergunningsprocedure in het kader waarvan zou zijn gebleken dat het project in de stedelijke omgeving inpasbaar is.

11.5. De voormelde overwegingen van het bestreden besluit kunnen niet als een afdoende motivering met betrekking tot de mobiliteitsproblematiek volstaan, noch bevat ten minste het administratief dossier een document waaruit mag blijken dat het comité zich op een ernstige wijze over dit aspect heeft gebogen. De verkeers- en parkeerproblematiek is blijkens de gegevens van het dossier voor het vergunde project essentieel, zodat het bestreden besluit niet kan volstaan met een aantal weinig overtuigende overwegingen betreffende de “voldoende” mogelijkheden om van het openbaar vervoer gebruik te maken, de “bewuste” optie om bezoekers naar deze openbare vervoersmodi te “sturen” door weinig parkeerruimte te voorzien, het “ambitieuze plan” van de aanvrager om het aantal bezoekers die met de auto zouden komen tot maximaal 50% van het totale aantal bezoekers terug te dringen, en de verwijzingen naar verschillende verkeers- en infrastructuuringrepen die nog in de toekomst zouden moeten worden beslist of uitgevoerd.

11.6. Gelet op het voormelde, geeft het comité geen voldoende rechtszeker antwoord op de uit het dossier blijkende mobiliteitsproblematiek. De a posteriori-motieven die de verwerende partij en de tussenkomende partijen over deze problematiek in hun procedurestukken verstrekken, vermogen dit niet te verhelpen.

Het middel is in de aangegeven mate gegrond'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, ICD, Mobiliteit, Motivering
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/06/2019

Afwijkingsmogelijkheden van 15 jaar oude BPA's en verkavelingen teruggeschroefd

Vandaag werd het Decreet van 26 april 2019 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw (of ook: het Verzameldecreet 2019) in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

Dit Verzameldecreet voert onder andere een aantal wijzigingen door aan de VCRO, het omgevingsvergunningendecreet en het DABM.

Met betrekking tot de versoeplingen die de Codextrein had ingevoerd inzake 15 jaar oude verkavelingen of Bijzondere Plannen van Aanleg, achtte de decreetgever deze iets te soepel en tracht zich hierbij kennelijk te herpakken.

Inzake verkavelingen maakt het nieuwe decreet het mogelijk dat de gemeenteraad kan beslissen, los van een concrete vergunningsaanvraag, de verkavelingsvoorschriften van verkavelingen ouder dan 15 jaar toch te behouden als weigeringsgrond. Bijkomend maakt het verzameldecreet het mogelijk dat in het kader van de beoordeling van een concrete vergunningsaanvraag, de vergunningverlenende overheid gemotiveerd kan verwijzen naar bepaalde voorschriften van een meer dan 15 jaar oude verkaveling, waarbij zij dan aangeeft dat die voorschriften nog steeds belangrijke actuele criteria omvatten om op die specifieke plaats de goede ruimtelijke ordening te motiveren.

Zo ook is het vanaf nu mogelijk dat constructies die gelegen zijn in meer dan 15 jaar oude zonevreemde verkavelingen als zonevreemde constructie kunnen worden beschouwd en bijgevolg in aanmerking komen voor toepassing van de zonevreemde basisrechten ingeval de onderliggende gewestplanbestemming als toetsingskader naar boven komt. Het verzameldecreet wijzigt namelijk de definitie van “zonevreemde constructie” in artikel 4.4.1, 17° van de VCRO.

Inzake BPA's wordt voorzien in het feit dat de gemeenteraad kan beslissen dat voor een BPA ouder dan 15 jaar de afwijkingsmogelijkheid in artikel 4.4.9/1 VCRO niet kan worden aangewend. Zo kan de gemeente gebiedsgericht een afweging maken in functie van de ligging van de percelen, de inhoud van de stedenbouwkundige voorschriften van elk BPA enz

Bijkomend kan het vergunningverlenende bestuursorgaan bij de behandeling van individuele vergunningsaanvragen, gemotiveerd beslissen om de afwijkingsmogelijkheid niet toe te passen indien het van oordeel is dat de stedenbouwkundige voorschriften nog steeds de criteria van een goede ruimtelijke ordening (bedoeld in artikel 4.3.1,§2 VCRO) weergeven.

Geen onbelangrijke wijzigingen voor de praktijk dus.

Daarenboven is er voor deze specifieke wijzigingen geen overgangsbepaling voorzien. Deze bepalingen treden dus in werking 10 dagen na publicatie in het staadsblad.

Bij vragen, kan u ons gerust contacteren.

Gepost door Meindert Gees

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags DABM, Meindert Gees, Omgevingsvergunning, VCRO, Verkavelingsvergunning, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/06/2019

Over de omvang van de bevoegdheid van de Raad van State als cassatierechter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen

In een interessant arrest nr. 244.783 van 13 juni 2019 licht de Raad van State toe wat zij wél en niet kan als cassatierechter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen:

'Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.

Het middel dat de schending aanvoert van artikel 4.8.11, § 1, eerste alinea, 3°, VCRO [= toegang tot de RvVb]  omdat het om de aangehaalde redenen niet vaststond dat L. rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kon ondervinden van de bestreden vergunning, noopt de Raad van State tot de beoordeling van de zaak zelf. Als cassatierechter is de Raad van State hiervoor niet bevoegd.

Het middel is niet ontvankelijk.

(...)

De aan de RvVb grondwettelijk en decretaal opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.

Het middel dat een niet afdoende motivering aanvoert, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Raad van State, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/06/2019

Thomas More Mechelen-Antwerpen (2019 – 2023)

Hogeschool Thomas More Mechelen-Antwerpen heeft recent een overheidsopdracht gegund aan 3 advocatenkantoren, waaronder aan de combinatie Geert/Denaeyer-Publius.

De raamovereenkomst heeft betrekking op de juridische ondersteuning voor dossiers onderworpen aan de wetgeving overheidsopdrachten en voor de geschillen in de uitvoeringsfase van werken. De raamovereenkomst heeft een looptijd van 4 jaar.

Blog Publius Nieuws
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/06/2019

Steeds belang bij een middel over bestemmingsstrijdigheid?

Klassiek luidt de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat, opdat een verzoekende partij belang zou hebben bij een middel, het noodzakelijk, doch voldoende is dat de vernietiging op grond van dit middel zou kunnen bijdragen tot het voordeel dat de verzoekende partij beoogt of, anders gezegd, dat dit middel het door haar geschetste nadeel zou kunnen weren.

In het eerder door ons gecommentarieerde arrest nr. RvVb/A/1718/0887 van 22 mei 2018 werd deze rechtspraak schijnbaar genuanceerd. Indien een middel strekt tot bescherming van belangen die geheel vreemd zijn aan het belang waarop de verzoekende partij zich voor de staving van de ontvankelijkheid van haar vordering beroept, dan is er geen belang bij het middel.

In het arrest nr. RvVb-A-1819-1000 van 21 mei 2019 werd aan verzoekende partijen tegengeworpen dat zij geen belang konden doen gelden tegen de ingeroepen bestemmingsstrijdigheid van een gedeelte van het bouwproject, omdat zij te ver af wonen van dit gedeelte. De Raad herhaalt haar klassieke rechtspraak, met name dat het bekomen van de nietigverklaring op zich een voldoende belang uitmaakt, en argumenteert bijkomend:

‘Bovendien zijn de stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP, waarvan de verzoekende partijen de toepassing benaarstigen, ingegeven vanuit het algemeen belang en de principiële vrijwaring van het gebied voor stedenbouwkundige handelingen en strekken deze aldus niet louter tot de bescherming van de eigenaar/bewoner van de aanpalende/vlakbij gelegen percelen/woningen, zodat de verwijzing in de exceptie naar de afstand ten aanzien van de woning van de verzoekende partijen in dat verband irrelevant is’.

Vrij vertaald hebben verzoekende partijen altijd belang bij een middel gestoeld op de bestemmingsstrijdigheid, onafgezien de impact daarvan op hun persoonlijk leven.

Referentie: RvVb, 21 mei 2019, nr. RvVb-A-1819-1000 (Pub507125)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Belang, Dirk Van Heuven, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht