29/09/2016

Raad van State legt bom onder stilzwijgende handelsvestigingsvergunning

In een arrest nr. 235.278 van 30 juni 2016 komt de vraag aan bod of de Dienstenrichtlijn de bevoegdheid van de Raad van State tegen een stilzwijgende handelsvestigingsvergunning uitsluit.

De Raad van State antwoordt als volgt:

Artikel 13, derde en vierde lid, van de Dienstenrichtlijn luidt:

‘Vergunningsprocedures en –formaliteiten bieden de aanvragers de garantie dat hun aanvraag zo snel mogelijk en in elk geval binnen een redelijke, vooraf vastgestelde en bekend gemaakte termijn wordt behandeld. Deze termijn gaat pas in op het tijdstip waarop alle documenten zijn ingediend. Indien gerechtvaardigd door de complexiteit van het onderwerp mag de termijn éénmaal voor een beperkte duur door de bevoegde instantie worden verlengd. De verlenging en de duur ervan worden met redenen omkleed en worden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht.

Bij het uitblijven van een antwoord binnen de overeenkomstig lid 3 vastgestelde of verlengde termijn wordt de vergunning geacht te zijn verleend. Andere regelingen kunnen niettemin worden vastgesteld, wanneer dat gerechtvaardigd is om dwingende redenen van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.’

Noch artikel 13, vierde lid, eerste volzin, van de Dienstenrichtlijn, aangenomen dat deze laatste te dezen toepassing vindt, noch artikel 8, §3 van de handelsvestigingenwet, sluiten op enige wijze de toegang van derden tot de rechter tegen een stilzwijgend verleend vergunning uit, of blijken de bevoegdheid van de Raad van State om de interne en externe wettigheid van dergelijke vergunning te controleren, op enige wijze te beperken.

Uit deze bepalingen volgt geenszins een ‘subjectief recht’ op een vergunning in hoofde van de tussenkomende partij, bij ontstentenis van een tijdige betekening van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen over haar aanvraag.’

Verder onderzoekt de Raad van State de exceptie van de houder van de stilzwijgende vergunning dat de Dienstenrichtlijn zich verzet tegen het vergunningstelsel van de ‘sociaal-economische vergunningen’. Het blijkt volgens tussenkomende partij niet dat er dwingende redenen van algemeen belang bestaan die een vergunningenstelsel verantwoorden én dat het doel van het stelsel niet door een minder beperkte maatregel kan worden bereikt, zoals vereist door artikel 9 van de Dienstenrichtlijn'.

De Raad gaat uitvoerig in op deze exceptie, zonder standpunt in te nemen of de Dienstenrichtlijn nu wel of niet van toepassing is op handelsvestigingen. Eerder had de Nederlandse Raad van State geoordeeld dat dit niet het geval is.

De Raad van State antwoordt als volgt op de exceptie:

‘Hierna wordt in dit arrest uitgegaan van de hypothese dat de dienstenrichtlijn te dezen daadwerkelijk van toepassing is, evenwel zonder dat over de juistheid van dat uitgangspunt uitspraak wordt gedaan. 8.3. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State vormt een potentiële nadelige invloed op de eigen markt- en concurrentiepositie een voldoende en geldig belang om een aan een concurrent verleende socioeconomische vergunning in rechte te bestrijden. 8.4. Luidens artikel 14, 5), van de dienstenrichtlijn “[stellen] [d]e lidstaten […] de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de volgende eisen: […] de toepassing per geval van economische criteria, waarbij de verlening van de vergunning afhankelijk wordt gesteld van het bewijs dat er een economische behoefte of marktvraag bestaat, van een beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van de activiteit of van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteit in relatie tot de door de bevoegde instantie vastgestelde doelen van economische planning; dit verbod heeft geen betrekking op planningseisen waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang”.

Dat de Raad van State een concurrentieel nadeel als een afdoende belang bij het bestrijden van een handelsvestigingsvergunning aanneemt, is één zaak, dat de onder randnummer 8.4 vermelde bepaling van de dienstenrichtlijn economische criteria bij het beoordelen van een vergunningsaanvraag tot toegang tot of tot uitoefening van een dienstenactiviteit verbiedt, een andere, waarbij het laatste het eerste niet verhindert. De door de tussenkomende partij onder randnummer 7.2.3 gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, die in wezen een kritiek inhoudt op de jurisprudentiële invulling van het bij de Raad van State vereiste belang, wordt niet gesteld.

De bestreden handelsvestigingsvergunning betreft een supermarkt van A.H.. De eerste verzoekende partij en de tweede verzoekende partij baten evenzeer een supermarkt uit, respectievelijk een G. en een E.. Voorts blijken de onderscheiden activiteiten van de tussenkomende partij, enerzijds, en van de verzoekende partijen, anderzijds, zich beide op het grondgebied van de gemeente Ham, op een relatief beperkte afstand – de eerste verzoekende partij op ongeveer 1100 m, de tweede verzoekende partij op ongeveer 400 m – van elkaar te situeren. De handelszaken van de tussenkomende en de verzoekende partijen bevinden zich derhalve in elkaars commerciële invloedssfeer.

De potentiële nadelige invloed van de bestreden beslissing op verzoekers‟ handelspositie, zoals die uit de gegevens van het dossier afdoende blijkt, maakt verzoekers‟ belang bij het beroep tegen de eerste bestreden beslissing voldoende aannemelijk.

Het standpunt van de tussenkomende partij, als zou haar vestiging “niet afhankelijk [kunnen] worden gesteld van een vergunning”, gelet op het niet voldaan zijn van de artikelen 9 en 10 van de dienstenrichtlijn, opnieuw aangenomen dat deze laatste in casu toepassing vindt, kan niet worden bijgetreden, gelet op wat volgt.

Luidens artikel 9, eerste lid, van de dienstenrichtlijn “[stellen] [d]e lidstaten […] de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk van een vergunningstelsel, tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) het vergunningstelsel heeft geen discriminerende werking jegens de betrokken dienstverrichter; b) de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c) het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn”.

Luidens artikel 10, eerste lid, van de dienstenrichtlijn, “[…] zijn [v]ergunningstelsels […] gebaseerd op criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen”. Overeenkomstig het tweede lid van dit artikel zijn de voormelde criteria: a) nietdiscriminatoir; b) gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c) evenredig met die reden van algemeen belang; d) duidelijk en ondubbelzinnig; e) objectief; f) vooraf openbaar bekendgemaakt; g) transparant en toegankelijk. Luidens artikel 7, § 2, eerste en tweede volzin, van de handelsvestigingenwet moet bij het opstellen van het advies van het NSECD “de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging, de bescherming van het stedelijk milieu en de bescherming van de consument, alsook het respect voor de sociale wetgeving en het arbeidsrecht in aanmerking worden genomen”. “De Koning kan deze criteria aanvullen of verduidelijken door een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad”. Het koninklijk besluit van 22 februari 2005 „tot verduidelijking van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van ontwerpen van handelsvestiging en de samenstelling van het sociaal-economisch dossier‟ (hierna: het koninklijk besluit van 22 februari 2005) verduidelijkt de voormelde criteria in zijn artikelen 2 tot en met 5 als volgt:  “Art. 2. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de ruimtelijke ligging zoals bepaald in artikel 7, § 2, eerste lid van de wet worden volgende elementen in overweging genomen […] : 1° de inpassing van de handelsvestiging in de plaatselijke ontwikkelingsprojecten of binnen het kader van het stedenpatroon; 2° de bereikbaarheid van de nieuwe vestiging via het openbaar vervoer en via individuele transportmiddelen. Art. 3. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de bescherming van het stedelijk milieu zoals bepaald in artikel 7, § 2, eerste lid van de wet worden volgende elementen in overweging genomen: 1° het effect van de inplanting inzake duurzame mobiliteit, meer bepaald het gebruik van de ruimte en de verkeersveiligheid; 2° Het effect van de inplanting van de handelsvestiging op de stadskern in het kader van de planologische vereisten. Art. 4. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de consumentenbescherming zoals bepaald in artikel 7, § 2, eerste lid van de wet worden volgende elementen in overweging genomen: 1° de naleving van de vigerende wetgeving inzake consumentenbescherming. Art. 5. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de sociale en arbeidswetgeving zoals bepaald in artikel 7, § 2, lid 1 van de wet worden volgende elementen in overweging genomen : 1° de naleving van de sociale wetgeving; 2° de naleving van de arbeidswetgeving.”

Het loutere betoog van de tussenkomende partij dat er geen dwingende redenen van algemeen belang bestaan die een vergunningsstelsel verantwoorden, zoals vereist door artikel 9, eerste lid, b), van de dienstenrichtlijn, wordt noch aangetoond, noch aannemelijk gemaakt. Deze partij gaat eraan voorbij dat in de voorbereidende werkzaamheden van de handelsvestigingenwet wordt bepaald dat “[d]e doelstelling van het ontwerp [...] niet [is] de basisprincipes [...] te wijzigen” van de wet van 29 juni 1975 „betreffende de handelsvestigingen‟. Luidens de voorbereidende werken van deze laatste wet verantwoorden “[d]e omvang en de verscheidenheid” van onder meer de volgende “invloeden”, “de tussenkomst van de wetgever”: “de tewerkstelling van arbeiders en zelfstandigen” en “de ruimtelijke ordening en de hiërarchie der steden” (Parl. St. Senaat, 1974-1975, 584/1, 1). De voorbereidende werken van de huidige handelsvestigingenwet noemen verder onder meer “de leefbaarheid van de handelscentra in de steden [...] waarborgen”, “een beperking van een te grote mobiliteit” en het “waken over de ontwikkeling van de tewerkstelling” als doelstellingen” (Parl. St. Kamer, 2003-2004, Doc 51, 1035/001, 3).

De handelsvestigingenwet blijkt aldus afdoende redenen te reveleren die een vergunningsstelsel verantwoorden. Minstens toont de tussenkomende partij het tegendeel niet aan. Van dit tegendeel overtuigt ook haar betoog niet dat de handelsvestigingenwet geen vergunningsvoorwaarden vastlegt ter beoordeling van de aanvraag van een handelsvestiging met een netto winkeloppervlakte kleiner dan 1.000 m², en de wettelijke criteria enkel relevant zijn voor het advies van het NSECD. Blijkens de voorbereidende werkzaamheden zag de wetgever het immers als een evidentie dat het college de aanvraag aan de hand van de bedoelde criteria zou onderzoeken, waar, ook in verband met “de commerciële projecten waarvan de netto handelsoppervlakte tussen 400 m² en 1.000 m² is begrepen”, wordt gesteld dat “[d]e beslissing van het College […] uiteraard [wordt] gemotiveerd ten aanzien van de voornoemde criteria” (Parl. St. Kamer, 2003-2004, Doc 51, 1035/001, 5). In verband met het sociaal-economisch dossier dat luidens artikel 5 van de handelsvestigingenwet bij de aanvraag moet worden gevoegd, wordt zonder meer gesteld dat dit de nodige elementen dient te bevatten opdat het NSECD een gemotiveerd advies zou kunnen uitbrengen “en opdat de gemeente een gemotiveerde beslissing zou kunnen nemen ten aanzien van de criteria, ingeschreven in de wet (artikel 7, § 2)” (Parl. St. Kamer, 2003- 2004, Doc 51, 1035/001, 10). “Om te antwoorden op de bemerking van de Raad van State wat betreft de toepassing van de wet van 29 juli 1991 met betrekking tot de formele motiveringsplicht”, luidt het, in verband met de projecten met een netto handelsoppervlakte tussen 400 m² en 1.000 m², dat “de beslissing, zoals elke gemeentelijke beslissing [is] gemotiveerd” en dat “[d]eze motivatie moet gebeuren ten aanzien van de criteria van artikel 7, § 2” (Parl. St. Kamer, 2003- 2004, Doc 51, 1035/001, 12). Opgemerkt dient ook dat de tussenkomende partij in haar aanvraag van de bedoelde criteria is uitgegaan, en dat deze criteria door de eerste verwerende partij bij haar onderzoek werden betrokken, zoals blijkt uit haar beslissing van 16 juni 2014 (zie randnummer 3.4).

De tussenkomende partij blijkt in haar laatste memorie voor te houden dat de kwestieuze criteria, zoals omschreven in artikel 7, § 2, van de handelsvestigingenwet en verduidelijkt in de artikelen 2 tot en met 5 van het koninklijk besluit van 22 februari 2005, discriminatoir, niet gerechtvaardigd, niet evenredig, niet duidelijk en ondubbelzinnig, niet objectief, niet kenbaar, transparant en toegankelijk, zijn, maar toont dit niet aan. Er dient in dit verband op gewezen dat artikel 6 van het koninklijk besluit van 22 februari 2005 uitdrukkelijk vermeldt dat het sociaal-economisch dossier, zoals dit aan het college van burgemeester en schepenen moet worden gericht, “wordt samengesteld op basis van de criteria zoals gestipuleerd in het artikel 7, § 2 van de wet”. Herhaald dient ook dat de aanvraag van de tussenkomende partij aan de hand van de kwestieuze criteria is opgesteld.

Evenmin wordt aangenomen dat het doel van het vergunningsstelsel, zoals vereist door artikel 9, eerste lid, c, van de dienstenrichtlijn, door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt, mede in acht genomen de omstandigheid dat, blijkens de voorbereidende werken, de handelsvestigingenwet speciaal aan de belangen van de vergunningsaanvrager heeft willen tegemoetkomen bij het invoeren van dit stelsel. Gesteld wordt meer bepaald dat “[d]e algemene opzet van het wetsontwerp […] een belangrijke verbetering [beoogt] door een eenvoudiger en meer doorzichtige procedure voor toekenning van de socio-economische vergunning en door de instelling van strikte termijnen die voordelig zijn voor de aanvrager. Er wordt eveneens voorzien in een unieke beroepsprocedure” (Parl. St. Kamer, 2003-2004, Doc 51, 1035/001, 3). 8.9. Gelet op het voorgaande, inbegrepen randnummer 6.3, kan het betoog van de tussenkomende partij dat zij een subjectief recht op een handelsvestigingsvergunning zou bezitten, niet worden bijgetreden. In zoverre de tussenkomende partij verzoekers‟ belang op grond van deze premisse betwist, dient haar exceptie verworpen te worden. 8.10. Eveneens in het licht van het voorgaande, dient de door de tussenkomende partij in haar memorie tot tussenkomst gesuggereerde prejudiciële vraag (randnummer 7.2.1) en in haar laatste memorie gesuggereerde prejudiciële vraag daargelaten nog de vraag naar de tijdigheid van deze laatste, niet te worden gesteld.

Aldus is de 'oude' Handelsvestigingenwet geerd.

De Raad van State gaat vervolgens over tot vernietiging van de stilzwijgende handelsvestigingsvergunning wegens strijdigheid met de motiveringsplicht:

‘De bestreden beslissing betreft een impliciete beslissing, die zelf geen enkel formeel motief bevat dat de inwilliging van de aanvraag zou kunnen schragen. Integendeel blijkt de impliciete beslissing enkel het gevolg van het verstrijken van de in artikel 8, § 3, van de handelsvestigingenwet bedoelde betekeningstermijn. Dat die impliciete beslissing daarvan het resultaat is, reveleert, anders dan de tussenkomende partij dit ziet, nog geen inhoudelijk, afdoend materieel, motief om de kwestieuze aanvraag in te willigen.

Het administratief dossier blijkt evenmin enig stuk of gegeven te bevatten dat het verlenen van de vergunning voor het project kan schragen, integendeel.

Gelet op wat voorafgaat, moet een schending van het materiëlemotiveringsbeginsel door de bestreden beslissing worden aangenomen.’

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Stilzwijgende beslissingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/05/2019

Kansspelcommissie - Raamovereenkomst juridische adviesverlening en bijstand binnen en buiten het kader van de vertegenwoordiging in rechte (2019).

Publius staat de Kansspelcommissie al geruime tijd bij. Recent werd Publius opnieuw aangesteld door de Kansspelcommissie om haar bij te staan en haar belangen te behartigen. Publius kreeg in het kader van een overheidsopdrachtenprocedure zowel het perceel 3 (burgerlijk recht) als het perceel 4 (publiek recht) toegewezen en dit voor een periode van 4 jaar.

Blog Publius Nieuws
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/05/2019

Decreet houdende de gemeentewegen in aantocht

Op 24 april 2019 werd het Decreet houdende de gemeentewegen aangenomen door het Vlaams Parlement. Inmiddels werd dit decreet ook bekrachtigd en afgekondigd door de Vlaamse Regering.

Het decreet voert een uniform statuut in voor alle gemeentewegen. Het onderscheid tussen gewone gemeentewegen en buurtwegen komt zo te vervallen. Zodoende worden de Buurtwegenwet en de bepalingen in verband met gemeentewegen uit het Rooilijnendecreet opgeheven.

Vooreerst worden verschillende doelstellingen en principes ingeschreven waarmee rekening moet worden gehouden bij de beslissing over een gemeenteweg. De gemeente kan die decretale doelstellingen en principes verder verfijnen en concretiseren in een gemeentelijk beleidskader.

Verder voert het decreet een uniforme procedure in voor de aanleg, de wijziging, de verplaatsing of de opheffing van een gemeenteweg. De beslissingsbevoegdheid wordt volledig in handen van de gemeenteraad gelegd.

Er is tevens in een geïntegreerde procedure voorzien om de wijziging van een gemeenteweg samen te behandelen met de opmaak van een RUP of met een omgevingsvergunningsaanvraag.

Daarnaast wordt een georganiseerd administratief beroep ingevoerd bij de Vlaamse Regering tegen de definitieve vaststelling van een gemeentelijk rooilijnplan en tegen de beslissing tot opheffing van een gemeenteweg.

Het decreet voert ook enkele wijzigingen door aan het Omgevingsvergunningsdecreet. Zo wordt bepaald dat wanneer de omgevingsvergunningsaanvraag de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg omvat, het college van burgemeester en schepenen - in voorkomend geval op verzoek van de bevoegde overheid - de gemeenteraad samenroept om te beslissen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg. Het gaat dus niet alleen over de aanleg van nieuwe wegen in een verkavelingsproject, maar ook over projecten waarbij de wijziging van een gemeenteweg wordt voorzien. Tegen deze beslissing voorziet het decreet eveneens een georganiseerd administratief beroep bij de Vlaamse Regering. Dit beroep kan slechts ingesteld worden wanneer ook administratief beroep wordt aangetekend tegen de omgevingsvergunningsbeslissing zelf.

Het decreet verduidelijkt nu dat gemeentewegen niet kunnen teniet gaan door verjaring. Alleen een uitdrukkelijke opheffingsbeslissing kan de gemeenteweg doen verdwijnen.

Tot slot bevat het decreet onder meer een handhavingsluik en enkele bepalingen inzake het beheer van gemeentewegen.

Normaliter treedt het decreet in werking op 1 september 2019.

De tekst zoals aangenomen door het Vlaams Parlement kan u hier terugvinden.

Gepost door Celine Van De Velde

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht, Wegen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/05/2019

Geen rechtsplegingsvergoeding voor of tegen tussenkomende partij voor Raad van State. En dat is OK volgens het Grondwettelijk Hof

'In het arrest nr. 58/2019 van 8 mei 2019 werd het Grondwettelijk Hof geconfronteerd met volgende prejudiciële vraag:

'Is artikel 30 [lees : 30/1], § 2, vierde lid, in fine, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat stelt dat de tussenkomende partij voor dat rechtscollege niet kan worden gehouden tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding, in overeenstemming met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met artikel 9, lid 4, van het Verdrag van Aarhus, wanneer de genoemde (tussenkomende) partij in de loop van de vernietigingsprocedure afstand doet van haar vergunning, nadat die door de Raad van State werd geschorst?'

Na het schorsingsarrest had tussenkomende partij, titularis van de geschorste stedenbouwkundige vergunning (het betrof een Waalse zaak, dus de Raad van State is bevoegd), de aanvraag ingetrokken waardoor de vernietigingsprocedure zonder voorwerp werd. De Raad van State veroordeelde noch verzoekende, noch verwerende partij tot de rechtsplegingsvergoeding omdat geen enkele partij in het gelijk was gesteld. Ook de tussenkomende partij ging 'vrijuit'.  

Het Grondwettelijk Hof ziet geen probleem:

'Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 96/2012 van 19 juli 2012 staat het aan de wetgever te beoordelen of het opportuun is een regeling voor de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van de advocaat in te voeren die van toepassing is op de rechtsplegingen voor de Raad van State.

Bij zijn arrest nr. 48/2015 van 30 april 2015 heeft het Hof geoordeeld dat, indien de wetgever ervoor opteert een systeem van rechtsplegingvergoeding in te voeren voor de rechtsplegingen voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het hem toekomt bij de uitwerking van een dergelijk systeem niet alleen rekening te houden met de verschillen tussen de rechtsplegingen voor de Raad van State en de rechtsplegingen voor de burgerlijke rechter, maar ook met de vele andere aanwezige en soms tegenstrijdige belangen en beginselen.

Het feit dat de tussenkomende partijen zijn uitgesloten van de rechtsplegingsvergoeding voor de Raad van State kan weliswaar in uitzonderlijke gevallen ertoe leiden dat een verzoekende partij geen rechtsplegingsvergoeding kan verkrijgen ten laste van een tussenkomende partij, noch ten laste van een tegenpartij. Dat gevolg wordt echter gecompenseerd door de waarborg waarover de verzoekende partij beschikt dat zij nooit een rechtsplegingsvergoeding zal moeten betalen ten gunste van een tussenkomende partij. Immers, zoals voortvloeit uit paragraaf 1 van de in het geding zijnde bepaling, die rechtstreeks is overgenomen van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, is een rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van een advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Hieruit vloeit voort dat de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van een advocaat geen mechanisme is dat het een partij mogelijk zou maken een rechtsplegingsvergoeding te verkrijgen wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, zonder te kunnen worden veroordeeld tot de betaling ervan indien zij in het ongelijk wordt gesteld.

Een uitbreiding van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van een advocaat tot de tussenkomende partijen zou aldus niet alleen tot gevolg hebben dat die partijen kunnen worden veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding, maar ook dat zij in voorkomend geval een dergelijke vergoeding kunnen vorderen van de verzoekende partij.

Wanneer de wetgever alle in het geding zijnde belangen heeft afgewogen, heeft hij echter precies willen voorkomen dat de rechtspleging te duur zou worden voor de verzoekende partijen en tegenpartijen wegens de tussenkomst van een derde, hetgeen de toegang tot de rechter kan bemoeilijken en de kosten van een rechtspleging weinig voorzienbaar kan maken.

In zoverre daarbij het financiële risico van de rechtspleging voor de verzoekende partij in het algemeen wordt beperkt, draagt de keuze van de wetgever om de tussenkomende partijen uit te sluiten van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van een advocaat, zelfs voor de rechtsplegingen waarin zij afstand doen van de bestreden stedenbouwkundige vergunning na een schorsingsarrest, bijgevolg ertoe bij het recht op toegang tot de rechter te waarborgen'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtskosten, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/05/2019

Decretale planschaderegeling doorstaat toets van het Grondwettelijk Hof nogmaals

Het Grondwettelijk Hof heeft in het arrest nr. 57/2019 van 8 mei 2019 hiernavolgende prejudiciële vraag ontkennend beantwoord:

'Schendt artikel 35 van het decreet van het Vlaams Parlement van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening artikel 16 Grondwet en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM genomen in samenhang met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel uit de artikelen 10 en 11 Grondwet, in de mate dat deze bepaling een forfaitaire berekening oplegt van de planschadevergoeding, die geen of onvoldoende rekening houdt met het reële waardeverlies van het onroerend goed ingevolge de inwerkingtreding van het plan waaruit het bouwverbod voortvloeit onder meer omdat de verwervingswaarde enkel wordt geactualiseerd aan de hand van de index der consumptieprijzen, en waarbij bovendien een aftrek van 20 procent van de planschadevergoeding wordt gehanteerd ? '

Het Grondwettelijk Hof bevestigt zijn eerdere uitspraak nr. 66/2018, van 7 juni 2018 en dus ook volgende 'relativerende' overweging:

'Het valt evenwel niet uit te sluiten dat de decretale berekeningswijze in bepaalde gevallen afbreuk doet aan de rechten van de betrokken eigenaars. Dat kan met name het geval zijn wanneer de overheid reeds een vergunning heeft uitgereikt en aldus een gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat het betrokken perceel mocht worden bebouwd of verkaveld. Dat kan eveneens het geval zijn indien de nieuwe bestemming van de percelen geen enkele ontwikkeling ervan meer toelaat en hen zo goed als onverkoopbaar maakt, of nog indien de eigenaars voor de betrokken percelen successierechten hebben betaald die niet in de planschadevergoeding worden verrekend'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Planschade
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/05/2019

Over de hoegrootheid van de rechtsplegingsvergoeding bij een slechts gedeeltelijk toegekende schadevordering in overheidsopdrachten

Het hof van beroep te Antwerpen besliste in een arrest van 24 april 2019 over de gevolgen van een verbreking ex artikel 1794 BW door de aanbestedende overheid van een overheidsopdracht. Aan de aanbesteder werd zowel een verbrekingsvergoeding (wegens verbreking van het contract) als een onderbrekingsvergoeding (wegens het aan de verbreking voorafgaandelijk uitstellen van de werken) toegekend, ook al werd er daadwerkelijk nooit een aanvang gemaakt van de werkzaamheden. Cijfermatig werd ongeveer de helft van de schadevordering toegekend.

Het hof van beroep veroordeelt beide partijen tot ieder de helft van de rechtsplegingsvergoeding en de dagvaardingskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, omdat beide partijen deels in het ongelijk werden gesteld.

Referentie: Antwerpen, 24 april 2019, nr. 2019/3600, ng. (Pub505918)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Schadevergoeding overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht