29/09/2016

Raad van State legt bom onder stilzwijgende handelsvestigingsvergunning

In een arrest nr. 235.278 van 30 juni 2016 komt de vraag aan bod of de Dienstenrichtlijn de bevoegdheid van de Raad van State tegen een stilzwijgende handelsvestigingsvergunning uitsluit.

De Raad van State antwoordt als volgt:

Artikel 13, derde en vierde lid, van de Dienstenrichtlijn luidt:

‘Vergunningsprocedures en –formaliteiten bieden de aanvragers de garantie dat hun aanvraag zo snel mogelijk en in elk geval binnen een redelijke, vooraf vastgestelde en bekend gemaakte termijn wordt behandeld. Deze termijn gaat pas in op het tijdstip waarop alle documenten zijn ingediend. Indien gerechtvaardigd door de complexiteit van het onderwerp mag de termijn éénmaal voor een beperkte duur door de bevoegde instantie worden verlengd. De verlenging en de duur ervan worden met redenen omkleed en worden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht.

Bij het uitblijven van een antwoord binnen de overeenkomstig lid 3 vastgestelde of verlengde termijn wordt de vergunning geacht te zijn verleend. Andere regelingen kunnen niettemin worden vastgesteld, wanneer dat gerechtvaardigd is om dwingende redenen van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.’

Noch artikel 13, vierde lid, eerste volzin, van de Dienstenrichtlijn, aangenomen dat deze laatste te dezen toepassing vindt, noch artikel 8, §3 van de handelsvestigingenwet, sluiten op enige wijze de toegang van derden tot de rechter tegen een stilzwijgend verleend vergunning uit, of blijken de bevoegdheid van de Raad van State om de interne en externe wettigheid van dergelijke vergunning te controleren, op enige wijze te beperken.

Uit deze bepalingen volgt geenszins een ‘subjectief recht’ op een vergunning in hoofde van de tussenkomende partij, bij ontstentenis van een tijdige betekening van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen over haar aanvraag.’

Verder onderzoekt de Raad van State de exceptie van de houder van de stilzwijgende vergunning dat de Dienstenrichtlijn zich verzet tegen het vergunningstelsel van de ‘sociaal-economische vergunningen’. Het blijkt volgens tussenkomende partij niet dat er dwingende redenen van algemeen belang bestaan die een vergunningenstelsel verantwoorden én dat het doel van het stelsel niet door een minder beperkte maatregel kan worden bereikt, zoals vereist door artikel 9 van de Dienstenrichtlijn'.

De Raad gaat uitvoerig in op deze exceptie, zonder standpunt in te nemen of de Dienstenrichtlijn nu wel of niet van toepassing is op handelsvestigingen. Eerder had de Nederlandse Raad van State geoordeeld dat dit niet het geval is.

De Raad van State antwoordt als volgt op de exceptie:

‘Hierna wordt in dit arrest uitgegaan van de hypothese dat de dienstenrichtlijn te dezen daadwerkelijk van toepassing is, evenwel zonder dat over de juistheid van dat uitgangspunt uitspraak wordt gedaan. 8.3. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State vormt een potentiële nadelige invloed op de eigen markt- en concurrentiepositie een voldoende en geldig belang om een aan een concurrent verleende socioeconomische vergunning in rechte te bestrijden. 8.4. Luidens artikel 14, 5), van de dienstenrichtlijn “[stellen] [d]e lidstaten […] de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de volgende eisen: […] de toepassing per geval van economische criteria, waarbij de verlening van de vergunning afhankelijk wordt gesteld van het bewijs dat er een economische behoefte of marktvraag bestaat, van een beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van de activiteit of van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteit in relatie tot de door de bevoegde instantie vastgestelde doelen van economische planning; dit verbod heeft geen betrekking op planningseisen waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang”.

Dat de Raad van State een concurrentieel nadeel als een afdoende belang bij het bestrijden van een handelsvestigingsvergunning aanneemt, is één zaak, dat de onder randnummer 8.4 vermelde bepaling van de dienstenrichtlijn economische criteria bij het beoordelen van een vergunningsaanvraag tot toegang tot of tot uitoefening van een dienstenactiviteit verbiedt, een andere, waarbij het laatste het eerste niet verhindert. De door de tussenkomende partij onder randnummer 7.2.3 gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, die in wezen een kritiek inhoudt op de jurisprudentiële invulling van het bij de Raad van State vereiste belang, wordt niet gesteld.

De bestreden handelsvestigingsvergunning betreft een supermarkt van A.H.. De eerste verzoekende partij en de tweede verzoekende partij baten evenzeer een supermarkt uit, respectievelijk een G. en een E.. Voorts blijken de onderscheiden activiteiten van de tussenkomende partij, enerzijds, en van de verzoekende partijen, anderzijds, zich beide op het grondgebied van de gemeente Ham, op een relatief beperkte afstand – de eerste verzoekende partij op ongeveer 1100 m, de tweede verzoekende partij op ongeveer 400 m – van elkaar te situeren. De handelszaken van de tussenkomende en de verzoekende partijen bevinden zich derhalve in elkaars commerciële invloedssfeer.

De potentiële nadelige invloed van de bestreden beslissing op verzoekers‟ handelspositie, zoals die uit de gegevens van het dossier afdoende blijkt, maakt verzoekers‟ belang bij het beroep tegen de eerste bestreden beslissing voldoende aannemelijk.

Het standpunt van de tussenkomende partij, als zou haar vestiging “niet afhankelijk [kunnen] worden gesteld van een vergunning”, gelet op het niet voldaan zijn van de artikelen 9 en 10 van de dienstenrichtlijn, opnieuw aangenomen dat deze laatste in casu toepassing vindt, kan niet worden bijgetreden, gelet op wat volgt.

Luidens artikel 9, eerste lid, van de dienstenrichtlijn “[stellen] [d]e lidstaten […] de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk van een vergunningstelsel, tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) het vergunningstelsel heeft geen discriminerende werking jegens de betrokken dienstverrichter; b) de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c) het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn”.

Luidens artikel 10, eerste lid, van de dienstenrichtlijn, “[…] zijn [v]ergunningstelsels […] gebaseerd op criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen”. Overeenkomstig het tweede lid van dit artikel zijn de voormelde criteria: a) nietdiscriminatoir; b) gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c) evenredig met die reden van algemeen belang; d) duidelijk en ondubbelzinnig; e) objectief; f) vooraf openbaar bekendgemaakt; g) transparant en toegankelijk. Luidens artikel 7, § 2, eerste en tweede volzin, van de handelsvestigingenwet moet bij het opstellen van het advies van het NSECD “de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging, de bescherming van het stedelijk milieu en de bescherming van de consument, alsook het respect voor de sociale wetgeving en het arbeidsrecht in aanmerking worden genomen”. “De Koning kan deze criteria aanvullen of verduidelijken door een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad”. Het koninklijk besluit van 22 februari 2005 „tot verduidelijking van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van ontwerpen van handelsvestiging en de samenstelling van het sociaal-economisch dossier‟ (hierna: het koninklijk besluit van 22 februari 2005) verduidelijkt de voormelde criteria in zijn artikelen 2 tot en met 5 als volgt:  “Art. 2. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de ruimtelijke ligging zoals bepaald in artikel 7, § 2, eerste lid van de wet worden volgende elementen in overweging genomen […] : 1° de inpassing van de handelsvestiging in de plaatselijke ontwikkelingsprojecten of binnen het kader van het stedenpatroon; 2° de bereikbaarheid van de nieuwe vestiging via het openbaar vervoer en via individuele transportmiddelen. Art. 3. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de bescherming van het stedelijk milieu zoals bepaald in artikel 7, § 2, eerste lid van de wet worden volgende elementen in overweging genomen: 1° het effect van de inplanting inzake duurzame mobiliteit, meer bepaald het gebruik van de ruimte en de verkeersveiligheid; 2° Het effect van de inplanting van de handelsvestiging op de stadskern in het kader van de planologische vereisten. Art. 4. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de consumentenbescherming zoals bepaald in artikel 7, § 2, eerste lid van de wet worden volgende elementen in overweging genomen: 1° de naleving van de vigerende wetgeving inzake consumentenbescherming. Art. 5. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de sociale en arbeidswetgeving zoals bepaald in artikel 7, § 2, lid 1 van de wet worden volgende elementen in overweging genomen : 1° de naleving van de sociale wetgeving; 2° de naleving van de arbeidswetgeving.”

Het loutere betoog van de tussenkomende partij dat er geen dwingende redenen van algemeen belang bestaan die een vergunningsstelsel verantwoorden, zoals vereist door artikel 9, eerste lid, b), van de dienstenrichtlijn, wordt noch aangetoond, noch aannemelijk gemaakt. Deze partij gaat eraan voorbij dat in de voorbereidende werkzaamheden van de handelsvestigingenwet wordt bepaald dat “[d]e doelstelling van het ontwerp [...] niet [is] de basisprincipes [...] te wijzigen” van de wet van 29 juni 1975 „betreffende de handelsvestigingen‟. Luidens de voorbereidende werken van deze laatste wet verantwoorden “[d]e omvang en de verscheidenheid” van onder meer de volgende “invloeden”, “de tussenkomst van de wetgever”: “de tewerkstelling van arbeiders en zelfstandigen” en “de ruimtelijke ordening en de hiërarchie der steden” (Parl. St. Senaat, 1974-1975, 584/1, 1). De voorbereidende werken van de huidige handelsvestigingenwet noemen verder onder meer “de leefbaarheid van de handelscentra in de steden [...] waarborgen”, “een beperking van een te grote mobiliteit” en het “waken over de ontwikkeling van de tewerkstelling” als doelstellingen” (Parl. St. Kamer, 2003-2004, Doc 51, 1035/001, 3).

De handelsvestigingenwet blijkt aldus afdoende redenen te reveleren die een vergunningsstelsel verantwoorden. Minstens toont de tussenkomende partij het tegendeel niet aan. Van dit tegendeel overtuigt ook haar betoog niet dat de handelsvestigingenwet geen vergunningsvoorwaarden vastlegt ter beoordeling van de aanvraag van een handelsvestiging met een netto winkeloppervlakte kleiner dan 1.000 m², en de wettelijke criteria enkel relevant zijn voor het advies van het NSECD. Blijkens de voorbereidende werkzaamheden zag de wetgever het immers als een evidentie dat het college de aanvraag aan de hand van de bedoelde criteria zou onderzoeken, waar, ook in verband met “de commerciële projecten waarvan de netto handelsoppervlakte tussen 400 m² en 1.000 m² is begrepen”, wordt gesteld dat “[d]e beslissing van het College […] uiteraard [wordt] gemotiveerd ten aanzien van de voornoemde criteria” (Parl. St. Kamer, 2003-2004, Doc 51, 1035/001, 5). In verband met het sociaal-economisch dossier dat luidens artikel 5 van de handelsvestigingenwet bij de aanvraag moet worden gevoegd, wordt zonder meer gesteld dat dit de nodige elementen dient te bevatten opdat het NSECD een gemotiveerd advies zou kunnen uitbrengen “en opdat de gemeente een gemotiveerde beslissing zou kunnen nemen ten aanzien van de criteria, ingeschreven in de wet (artikel 7, § 2)” (Parl. St. Kamer, 2003- 2004, Doc 51, 1035/001, 10). “Om te antwoorden op de bemerking van de Raad van State wat betreft de toepassing van de wet van 29 juli 1991 met betrekking tot de formele motiveringsplicht”, luidt het, in verband met de projecten met een netto handelsoppervlakte tussen 400 m² en 1.000 m², dat “de beslissing, zoals elke gemeentelijke beslissing [is] gemotiveerd” en dat “[d]eze motivatie moet gebeuren ten aanzien van de criteria van artikel 7, § 2” (Parl. St. Kamer, 2003- 2004, Doc 51, 1035/001, 12). Opgemerkt dient ook dat de tussenkomende partij in haar aanvraag van de bedoelde criteria is uitgegaan, en dat deze criteria door de eerste verwerende partij bij haar onderzoek werden betrokken, zoals blijkt uit haar beslissing van 16 juni 2014 (zie randnummer 3.4).

De tussenkomende partij blijkt in haar laatste memorie voor te houden dat de kwestieuze criteria, zoals omschreven in artikel 7, § 2, van de handelsvestigingenwet en verduidelijkt in de artikelen 2 tot en met 5 van het koninklijk besluit van 22 februari 2005, discriminatoir, niet gerechtvaardigd, niet evenredig, niet duidelijk en ondubbelzinnig, niet objectief, niet kenbaar, transparant en toegankelijk, zijn, maar toont dit niet aan. Er dient in dit verband op gewezen dat artikel 6 van het koninklijk besluit van 22 februari 2005 uitdrukkelijk vermeldt dat het sociaal-economisch dossier, zoals dit aan het college van burgemeester en schepenen moet worden gericht, “wordt samengesteld op basis van de criteria zoals gestipuleerd in het artikel 7, § 2 van de wet”. Herhaald dient ook dat de aanvraag van de tussenkomende partij aan de hand van de kwestieuze criteria is opgesteld.

Evenmin wordt aangenomen dat het doel van het vergunningsstelsel, zoals vereist door artikel 9, eerste lid, c, van de dienstenrichtlijn, door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt, mede in acht genomen de omstandigheid dat, blijkens de voorbereidende werken, de handelsvestigingenwet speciaal aan de belangen van de vergunningsaanvrager heeft willen tegemoetkomen bij het invoeren van dit stelsel. Gesteld wordt meer bepaald dat “[d]e algemene opzet van het wetsontwerp […] een belangrijke verbetering [beoogt] door een eenvoudiger en meer doorzichtige procedure voor toekenning van de socio-economische vergunning en door de instelling van strikte termijnen die voordelig zijn voor de aanvrager. Er wordt eveneens voorzien in een unieke beroepsprocedure” (Parl. St. Kamer, 2003-2004, Doc 51, 1035/001, 3). 8.9. Gelet op het voorgaande, inbegrepen randnummer 6.3, kan het betoog van de tussenkomende partij dat zij een subjectief recht op een handelsvestigingsvergunning zou bezitten, niet worden bijgetreden. In zoverre de tussenkomende partij verzoekers‟ belang op grond van deze premisse betwist, dient haar exceptie verworpen te worden. 8.10. Eveneens in het licht van het voorgaande, dient de door de tussenkomende partij in haar memorie tot tussenkomst gesuggereerde prejudiciële vraag (randnummer 7.2.1) en in haar laatste memorie gesuggereerde prejudiciële vraag daargelaten nog de vraag naar de tijdigheid van deze laatste, niet te worden gesteld.

Aldus is de 'oude' Handelsvestigingenwet geerd.

De Raad van State gaat vervolgens over tot vernietiging van de stilzwijgende handelsvestigingsvergunning wegens strijdigheid met de motiveringsplicht:

‘De bestreden beslissing betreft een impliciete beslissing, die zelf geen enkel formeel motief bevat dat de inwilliging van de aanvraag zou kunnen schragen. Integendeel blijkt de impliciete beslissing enkel het gevolg van het verstrijken van de in artikel 8, § 3, van de handelsvestigingenwet bedoelde betekeningstermijn. Dat die impliciete beslissing daarvan het resultaat is, reveleert, anders dan de tussenkomende partij dit ziet, nog geen inhoudelijk, afdoend materieel, motief om de kwestieuze aanvraag in te willigen.

Het administratief dossier blijkt evenmin enig stuk of gegeven te bevatten dat het verlenen van de vergunning voor het project kan schragen, integendeel.

Gelet op wat voorafgaat, moet een schending van het materiëlemotiveringsbeginsel door de bestreden beslissing worden aangenomen.’

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Stilzwijgende beslissingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/02/2019

Bewijs in tuchtzaken

De Raad van State heeft zich in het belangwekkende arrest nr. 243.163 van 6 december 2018 in zeer duidelijke bewoordingen uitgesproken over het bewijs in tuchtzaken en over de rol van de Beroepscommissie voor Tuchtzaken in de controle van de bewijsvoering.

De Beroepscommissie voor Tuchtzaken had een beslissing van de gemeenteraad houdende ontslag van een ambtenaar van ambtswege vernietigd omdat de bewijsvoering ontoereikend zou zijn. De Raad van State vernietigt op zijn beurt de vernietigingsuitspraak van de Beroepscommissie op grond van volgende argumentatie:

De bestreden beslissing vernietigt de gemeenteraadsbeslissing van 5 mei 2015 omdat ze onwettig is en namelijk gebaseerd is op een tenlastelegging die ten onrechte voor bewezen wordt gehouden.

Opdat een tuchtfeit rechtmatig als bewezen kan worden beschouwd, moeten voldoende gegevens voorhanden zijn om naar recht, inbegrepen naar redelijkheid, te mogen aannemen dat het personeelslid het tuchtfeit heeft gepleegd. Ook vermoedens, waarbij gevolgtrekkingen worden afgeleid uit een bekend feit om tot een onbekend feit te besluiten, kunnen het bestaan van een tuchtfeit staven.

Te dezen heeft de verzoekende partij gemeend de bestelling door de tussenkomende partij op 13 augustus 2014, 19 juli 2010 en 30 juli 2012, op kosten van de stad W., van meerdere paren veiligheidsschoenen die in werkelijkheid voor privégebruik bestemd zijn, als bewezen in aanmerking te mogen nemen op grond van een zeer uitvoerige redengeving, hiervóór sub randnummer 3 weergegeven.

Daarin wordt onder meer rekening gehouden met het feit dat de bestellingen werden geplaatst op een ogenblik dat de controle geringer was, tijdens de grote vakantie en de vakantie van de financieel beheerder, met het abnormale aantal aangekochte veiligheidsschoenen, met de bestelling van meerdere paren tegelijk terwijl dat niet door de functie van de tussenkomende partij verantwoord wordt en de levensduur van een veiligheidsschoen voor een hogere functie twee tot drie jaar of langer is, met het feit dat het om lage veiligheidsschoenen gaat die het uitzicht van gewone schoenen benaderen, met de eigen verklaringen van de tussenkomende partij die onjuist zijn of ongeloofwaardig.

Dat de Beroepscommissie na alle feiten en feitelijkheden in het administratief dossier te hebben afgewogen, meent naar recht en redelijkheid tot het besluit te moeten komen dat er geen tuchtstraf kan worden opgelegd bij gebrek aan bewijs, doet niet ter zake. De wettigheid van het oordeel van de tuchtoverheid over het bewezen zijn van de tuchtfeiten, hangt niet af van wat de Beroepscommissie zelf in redelijkheid over het bestaan van de tuchtfeiten meent.

Of de voorhanden zijnde gegevens volstaan om de tenlasteleggingen bewezen te achten, is een aangelegenheid waarover soms verschillende meningen denkbaar zijn die niettemin élk voor wettig te houden zijn ingeval ze binnen de grenzen van het recht, inbegrepen de redelijkheid, bleven. Wat telt is dus niet of de Beroepscommissie rechtmatig kan menen dat de tuchtfeiten niet bewezen zijn, maar of verzoekster, door te oordelen dat ze wél bewezen zijn, onredelijk of anderszins onwettig heeft gehandeld.

In de bestreden beslissing is de motivering van de onwettigheid van verzoeksters oordeel over het bewezen-zijn van de aankoop van de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden, wezenlijk beperkt tot een ontkenning van dat bewezen-zijn. Geponeerd wordt, zonder meer, dat het "niet bewezen voorkomt" dat de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden gekocht zijn, dat de tenlasteleggingen "in de feiten, onvoldoende aan[getoond]" worden, en dat de feiten "niet onderbouwd [worden] met bewijskrachtige stukken".

Dat de Beroepscommissie zou hebben verkozen dat door verzoekster een klacht was neergelegd bij politie, parket of onderzoeksrechter, met eventueel huiszoekingen en verhoren tot gevolg, verklaart nog geenszins waarom verzoekster, door dat niet te hebben gedaan maar door zich integendeel te hebben gebaseerd op de elementen die zij in haar uitvoerige motivering deed gelden, een onwettigheid heeft begaan.

Precies vanwege die elementen, waaraan in de bestreden beslissing geen enkele concrete aandacht wordt besteed, kan de Beroepscommissie er niet van overtuigen op een zorgvuldige en terechte wijze tot de conclusie te zijn gekomen dat "het woord tegen woord [is]". Evenmin wordt zij gevolgd waar zij voor de wettigheid van verzoeksters oordeel niet slechts vereist dat verzoekster de feiten naar recht, inbegrepen redelijkheid, als vaststaand mocht beschouwen, maar dat ze worden gestaafd door zogenaamde "harde bewijzen", aldus klaarblijkelijk vermoedens uitsluitend.

Resumerend, mag de Beroepscommissie dan wel beweren dat zij tot haar opvatting is gekomen "na grondige studie van het dossier", de bestreden beslissing laat de Raad van State niet toe dat bij te vallen.

Het besproken middelonderdeel is gegrond.’

Referentie: PUB504971-2

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Tucht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/02/2019

Hoe de complexe bevoegdheidsverdeling in België de onderscheiden behandeling van publieke en private herstelvorderingen verantwoordt

Met arrest nr. 14/2019 van 31 januari 2019 antwoordt het Grondwettelijk Hof ontkennend op volgende prejudiciële vraag:

‘Schendt artikel 6.2.1. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, in zoverre het bepaalt of in die zin geïnterpreteerd wordt dat de private herstelvordering – in tegenstelling tot de publieke herstelvordering – niet moet worden overgeschreven op het hypotheekkantoor en al dan niet in samenhang gelezen met artikel 3 van de Hypotheekwet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet?’.

De overschrijving op het hypotheekkantoor heeft tot doel om te vermijden dat een koper een kat in een zak koopt, te weten een onroerend goed waarop een herstelvordering rust. Men kan veronderstellen dat kandidaat-kopers evenzeer geïnteresseerd zijn in de publieke afbraakvordering die uitgaat van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur of de burgemeester, als in de private afbraakvordering die dan uitgaat van bijvoorbeeld een gebuur of een milieuvereniging.

Het antwoord van het Grondwettelijk Hof verrast. Waar de publieke herstelvordering het herstel van de goede ruimtelijke ordening beoogt, hetgeen een gewestelijke aangelegenheid is, is de private herstelvordering gegrond op artikel 1382 BW. Dat de private herstelvordering niet moet worden overgeschreven in het hypotheekkantoor, vloeit voort uit het feit dat het herstel in natura in de zin van artikel 1382 BW niet onder de bevoegdheid van de gewesten, maar onder die van de federale wetgever valt. Alsdan kan er geen sprake zijn van een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het betreft, aldus het Grondwettelijk Hof, immers het loutere gevolg van de autonomie die door of krachtens de Grondwet aan de respectieve overheden is toegekend.

07/02/2019

Wat is een ‘overeenkomstige onderneming' van een sociaaleconomieonderneming bij voorbehouden opdrachten of concessies?

In het arrest nr. 244.568 van 31 januari 2019, uitgesproken bij uiterst dringende noodzakelijkheid, wordt door de Raad van State alvast aangegeven wie niet kan beschouwd worden als een ‘overeenkomstige onderneming’:

'Wat het tweede middelonderdeel betreft, lijkt, voor de beoordeling ervan, vooralsnog niet vereist na te gaan of het bestek, al dan niet met toepassing van artikel 33 van de concessiewet, in die zin dient te worden begrepen dat slechts de in dit bestek vermelde drie categorieën van erkende sociale economieondernemingen in aanmerking mogen komen voor het voorbehouden perceel; de verzoekende partij beantwoordt naar eigen zeggen niet aan één van die categorieën.

De verzoekende partij lijkt immers niet aan te tonen dat zij zich hier nuttig beroept op de volgende besteksbepalingen, mocht zij er al een beroep mogen op doen:

     “Overeenkomstige ondernemingen kunnen aan de plaatsingsprocedure voor het perceel 2 van deze concessie deelnemen op voorwaarde dat zij aantonen dat zij aan gelijkwaardige voorwaarden voldoen.”

     en

     “Overeenkomstige ondernemingen kunnen met de geijkte documenten aantonen dat ze aan gelijkwaardige voorwaarden voldoen.”

De verzoekende partij toont immers op het eerste gezicht niet aan dat zij aan “gelijkwaardige voorwaarden” voldoet als de voorwaarden die worden gesteld in de regelgevingen voor erkende ondernemingen waarnaar in het bestek wordt verwezen. Met de verwerende partij mag worden aangenomen dat daartoe de loutere opname door de verzoekende partij in haar statuten van het hoofddoel, namelijk de maatschappelijke, sociale en professionele integratie en/of re-integratie van gehandicapten en/of kansarmen zoals onder meer bepaalde soorten werklozen, leden van achtergestelde minderheden of andere maatschappelijk gemarginaliseerde groepen, op het eerste gezicht niet volstaat. Evenmin lijkt daartoe te volstaan dat in die statuten is opgenomen dat zij activeringsmogelijkheden zal aanbieden aan gehandicapten of kansarmen, noch het feit dat zij de rechtsvorm heeft aangenomen van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid met een sociaal oogmerk. Minstens toont de verzoekende partij dit niet met de in het kader van deze procedure vereiste klaarblijkelijkheid aan'.

Referentie: pub7669

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Concessies, Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
05/02/2019

Vlaams Regering keurt het ontwerp van het Kaderdecreet Bestuurlijke Handhaving definitief goed

Na advies van de Raad van State, keurde de Vlaamse Regering op vrijdag 25 januari het ontwerp van decreet bestuurlijke handhaving goed.

Een en ander werd al aangekondigd in onze eerdere blog

Het kaderdecreet bouwt de bestuurlijke handhaving uit als veralgemeend en volwaardig alternatief voor de strafrechtelijke handhaving, met een evenwaardige focus op de rechtsbescherming van de burger, en, waar nodig, een functioneel onderscheid tussen toezicht, opsporing, vervolging en sanctionering. Het vormt de eerste stap tot stroomlijning van het bestuurlijke handhavingsrecht op Vlaams niveau, en behandelt onder andere het bestuurlijk toezicht, het strafrechtelijk en het bestuurlijk opsporingsonderzoek, de onmiddellijke inning, consignatie en inhouding, de bestuurlijke vervolging, het bestuurlijk beslag, protocolakkoorden met het Openbaar Ministerie, het voorstel tot betaling van een geldsom en de sanctieprocedure. 

Het initiële ontwerp werd slechts in beperkte mate n.a.v. het advies van de Raad van State gewijzigd. 

Het ontwerpdecreet wordt nu ingediend bij het Vlaams Parlement. 

Het ontwerpdecreet vindt u hier. De memorie van toelichting hier

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Bestuurlijke handhaving, Lokale besturen, Merlijn De Rechter, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
01/02/2019

Wanneer is er sprake van achtereenvolgens uitgevaardigde onteigeningen voor eenzelfde doel?

Artikel 2 van de Onteigeningswet van 26 juni 1962 bepaalde het volgende: 'De achtereenvolgens uitgevaardigde onteigeningen voor eenzelfde doel worden als één geheel beschouwd bij de schatting van de waarde van de onteigende goederen'.

Zulks staat ten andere nog steeds in artikel 62, 2e lid van het Onteigeningsdecreet.

In een arrest van het hof van beroep van Gent van 29 januari 2019 was er een niet-benaarstigde onteigeningsmachtiging in uitvoering van het oorsronkelijke ruimtelijk uitvoeringsplan van 2006 en een tweede, wél benaarstigde onteigeningsmachtiging na het herziene RUP van 2013. Het hof gaat op originele wijze in op de vraag of en wanneer er sprake is van achtereenvolgende onteigeningen:

Er is geen betwisting over het feit dat het GRUP van 2003 waarbij de onteigende grond en bestemmingswijziging onderging van agrarisch gebied naar bedrijvenzone nooit een uitvoering heeft gekend. Het onteigeningsbesluit dat daartoe in 2006 werd opgesteld, werd nooit tot uitvoering gebracht. Om die reden is hier niet de situatie voorhanden van opeenvolgende onteigeningen, ongeacht het doel van de plannen (‘GRUPS’). De betrokken onteigende gronden hebben in werkelijkheid nooit hun formele bestemming gekregen. Het is niet redelijk van de geïntimeerden om een waardering te vorderen van de onteigende gronden voor een statuut dat nooit tot uitvoering gebracht is. De gehele zone is tussen 2003 en 2013 agrarisch gebleven. Voor zover de geïntimeerden er eigenaar van waren, hebben ze er al die tijd hun land en tuinbouwbedrijf kunnen op uitbaten. Et gebeurden geen ontsluiting, verkavelingen, infrastructuurwerken of enige aanleg van nutsvoorzieningen. De vraag of de onteigeningen al dan niet gebeurden ter verwezenlijking van hetzelfde doel is van geen belang aangezien er geen opeenvolgende onteigeningen waren. De door de vrederechter aangestelde schatter omschreef dat de onteigende grond enkel toegankelijk was via een buurtweg van 3 meter breed. De onteigende grond was zo goed als ingesloten, waardoor deze na de bestemmingswijziging ook geen werkelijke waardevermeerdering kon ondergaan zonder de aanleg van zeer ingrijpende voorzieningen en ontsluitingen.

Die concrete feitelijke situatie verantwoordt dat de toepassing van het beginsel van de planologische neutraliteit betekent dat voor de waardering van de onteigende gronden moet gekeken worden naar de bestemming vóór het GRUP van 2003, namelijk agrarisch gebied, zijnde hun werkelijke bestemming op het moment van de onteigening. De interpretatie door de geïntimeerden van de planologische neutraliteit is in deze zaak niet toepasselijk omdat nooit uitvoering is gegeven aan de bestemmingswijziging naar bedrijventerreinen.’

Referentie: Gent, 29 januari 2019, nr. 2017/AR/2258 (pub506879)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Onteigeningen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht