29/09/2016

Raad van State legt bom onder stilzwijgende handelsvestigingsvergunning

In een arrest nr. 235.278 van 30 juni 2016 komt de vraag aan bod of de Dienstenrichtlijn de bevoegdheid van de Raad van State tegen een stilzwijgende handelsvestigingsvergunning uitsluit.

De Raad van State antwoordt als volgt:

Artikel 13, derde en vierde lid, van de Dienstenrichtlijn luidt:

‘Vergunningsprocedures en –formaliteiten bieden de aanvragers de garantie dat hun aanvraag zo snel mogelijk en in elk geval binnen een redelijke, vooraf vastgestelde en bekend gemaakte termijn wordt behandeld. Deze termijn gaat pas in op het tijdstip waarop alle documenten zijn ingediend. Indien gerechtvaardigd door de complexiteit van het onderwerp mag de termijn éénmaal voor een beperkte duur door de bevoegde instantie worden verlengd. De verlenging en de duur ervan worden met redenen omkleed en worden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht.

Bij het uitblijven van een antwoord binnen de overeenkomstig lid 3 vastgestelde of verlengde termijn wordt de vergunning geacht te zijn verleend. Andere regelingen kunnen niettemin worden vastgesteld, wanneer dat gerechtvaardigd is om dwingende redenen van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.’

Noch artikel 13, vierde lid, eerste volzin, van de Dienstenrichtlijn, aangenomen dat deze laatste te dezen toepassing vindt, noch artikel 8, §3 van de handelsvestigingenwet, sluiten op enige wijze de toegang van derden tot de rechter tegen een stilzwijgend verleend vergunning uit, of blijken de bevoegdheid van de Raad van State om de interne en externe wettigheid van dergelijke vergunning te controleren, op enige wijze te beperken.

Uit deze bepalingen volgt geenszins een ‘subjectief recht’ op een vergunning in hoofde van de tussenkomende partij, bij ontstentenis van een tijdige betekening van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen over haar aanvraag.’

Verder onderzoekt de Raad van State de exceptie van de houder van de stilzwijgende vergunning dat de Dienstenrichtlijn zich verzet tegen het vergunningstelsel van de ‘sociaal-economische vergunningen’. Het blijkt volgens tussenkomende partij niet dat er dwingende redenen van algemeen belang bestaan die een vergunningenstelsel verantwoorden én dat het doel van het stelsel niet door een minder beperkte maatregel kan worden bereikt, zoals vereist door artikel 9 van de Dienstenrichtlijn'.

De Raad gaat uitvoerig in op deze exceptie, zonder standpunt in te nemen of de Dienstenrichtlijn nu wel of niet van toepassing is op handelsvestigingen. Eerder had de Nederlandse Raad van State geoordeeld dat dit niet het geval is.

De Raad van State antwoordt als volgt op de exceptie:

‘Hierna wordt in dit arrest uitgegaan van de hypothese dat de dienstenrichtlijn te dezen daadwerkelijk van toepassing is, evenwel zonder dat over de juistheid van dat uitgangspunt uitspraak wordt gedaan. 8.3. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State vormt een potentiële nadelige invloed op de eigen markt- en concurrentiepositie een voldoende en geldig belang om een aan een concurrent verleende socioeconomische vergunning in rechte te bestrijden. 8.4. Luidens artikel 14, 5), van de dienstenrichtlijn “[stellen] [d]e lidstaten […] de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de volgende eisen: […] de toepassing per geval van economische criteria, waarbij de verlening van de vergunning afhankelijk wordt gesteld van het bewijs dat er een economische behoefte of marktvraag bestaat, van een beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van de activiteit of van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteit in relatie tot de door de bevoegde instantie vastgestelde doelen van economische planning; dit verbod heeft geen betrekking op planningseisen waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang”.

Dat de Raad van State een concurrentieel nadeel als een afdoende belang bij het bestrijden van een handelsvestigingsvergunning aanneemt, is één zaak, dat de onder randnummer 8.4 vermelde bepaling van de dienstenrichtlijn economische criteria bij het beoordelen van een vergunningsaanvraag tot toegang tot of tot uitoefening van een dienstenactiviteit verbiedt, een andere, waarbij het laatste het eerste niet verhindert. De door de tussenkomende partij onder randnummer 7.2.3 gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, die in wezen een kritiek inhoudt op de jurisprudentiële invulling van het bij de Raad van State vereiste belang, wordt niet gesteld.

De bestreden handelsvestigingsvergunning betreft een supermarkt van A.H.. De eerste verzoekende partij en de tweede verzoekende partij baten evenzeer een supermarkt uit, respectievelijk een G. en een E.. Voorts blijken de onderscheiden activiteiten van de tussenkomende partij, enerzijds, en van de verzoekende partijen, anderzijds, zich beide op het grondgebied van de gemeente Ham, op een relatief beperkte afstand – de eerste verzoekende partij op ongeveer 1100 m, de tweede verzoekende partij op ongeveer 400 m – van elkaar te situeren. De handelszaken van de tussenkomende en de verzoekende partijen bevinden zich derhalve in elkaars commerciële invloedssfeer.

De potentiële nadelige invloed van de bestreden beslissing op verzoekers‟ handelspositie, zoals die uit de gegevens van het dossier afdoende blijkt, maakt verzoekers‟ belang bij het beroep tegen de eerste bestreden beslissing voldoende aannemelijk.

Het standpunt van de tussenkomende partij, als zou haar vestiging “niet afhankelijk [kunnen] worden gesteld van een vergunning”, gelet op het niet voldaan zijn van de artikelen 9 en 10 van de dienstenrichtlijn, opnieuw aangenomen dat deze laatste in casu toepassing vindt, kan niet worden bijgetreden, gelet op wat volgt.

Luidens artikel 9, eerste lid, van de dienstenrichtlijn “[stellen] [d]e lidstaten […] de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk van een vergunningstelsel, tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) het vergunningstelsel heeft geen discriminerende werking jegens de betrokken dienstverrichter; b) de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c) het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn”.

Luidens artikel 10, eerste lid, van de dienstenrichtlijn, “[…] zijn [v]ergunningstelsels […] gebaseerd op criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen”. Overeenkomstig het tweede lid van dit artikel zijn de voormelde criteria: a) nietdiscriminatoir; b) gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c) evenredig met die reden van algemeen belang; d) duidelijk en ondubbelzinnig; e) objectief; f) vooraf openbaar bekendgemaakt; g) transparant en toegankelijk. Luidens artikel 7, § 2, eerste en tweede volzin, van de handelsvestigingenwet moet bij het opstellen van het advies van het NSECD “de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging, de bescherming van het stedelijk milieu en de bescherming van de consument, alsook het respect voor de sociale wetgeving en het arbeidsrecht in aanmerking worden genomen”. “De Koning kan deze criteria aanvullen of verduidelijken door een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad”. Het koninklijk besluit van 22 februari 2005 „tot verduidelijking van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van ontwerpen van handelsvestiging en de samenstelling van het sociaal-economisch dossier‟ (hierna: het koninklijk besluit van 22 februari 2005) verduidelijkt de voormelde criteria in zijn artikelen 2 tot en met 5 als volgt:  “Art. 2. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de ruimtelijke ligging zoals bepaald in artikel 7, § 2, eerste lid van de wet worden volgende elementen in overweging genomen […] : 1° de inpassing van de handelsvestiging in de plaatselijke ontwikkelingsprojecten of binnen het kader van het stedenpatroon; 2° de bereikbaarheid van de nieuwe vestiging via het openbaar vervoer en via individuele transportmiddelen. Art. 3. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de bescherming van het stedelijk milieu zoals bepaald in artikel 7, § 2, eerste lid van de wet worden volgende elementen in overweging genomen: 1° het effect van de inplanting inzake duurzame mobiliteit, meer bepaald het gebruik van de ruimte en de verkeersveiligheid; 2° Het effect van de inplanting van de handelsvestiging op de stadskern in het kader van de planologische vereisten. Art. 4. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de consumentenbescherming zoals bepaald in artikel 7, § 2, eerste lid van de wet worden volgende elementen in overweging genomen: 1° de naleving van de vigerende wetgeving inzake consumentenbescherming. Art. 5. Ter verduidelijking van het criterium met betrekking tot de sociale en arbeidswetgeving zoals bepaald in artikel 7, § 2, lid 1 van de wet worden volgende elementen in overweging genomen : 1° de naleving van de sociale wetgeving; 2° de naleving van de arbeidswetgeving.”

Het loutere betoog van de tussenkomende partij dat er geen dwingende redenen van algemeen belang bestaan die een vergunningsstelsel verantwoorden, zoals vereist door artikel 9, eerste lid, b), van de dienstenrichtlijn, wordt noch aangetoond, noch aannemelijk gemaakt. Deze partij gaat eraan voorbij dat in de voorbereidende werkzaamheden van de handelsvestigingenwet wordt bepaald dat “[d]e doelstelling van het ontwerp [...] niet [is] de basisprincipes [...] te wijzigen” van de wet van 29 juni 1975 „betreffende de handelsvestigingen‟. Luidens de voorbereidende werken van deze laatste wet verantwoorden “[d]e omvang en de verscheidenheid” van onder meer de volgende “invloeden”, “de tussenkomst van de wetgever”: “de tewerkstelling van arbeiders en zelfstandigen” en “de ruimtelijke ordening en de hiërarchie der steden” (Parl. St. Senaat, 1974-1975, 584/1, 1). De voorbereidende werken van de huidige handelsvestigingenwet noemen verder onder meer “de leefbaarheid van de handelscentra in de steden [...] waarborgen”, “een beperking van een te grote mobiliteit” en het “waken over de ontwikkeling van de tewerkstelling” als doelstellingen” (Parl. St. Kamer, 2003-2004, Doc 51, 1035/001, 3).

De handelsvestigingenwet blijkt aldus afdoende redenen te reveleren die een vergunningsstelsel verantwoorden. Minstens toont de tussenkomende partij het tegendeel niet aan. Van dit tegendeel overtuigt ook haar betoog niet dat de handelsvestigingenwet geen vergunningsvoorwaarden vastlegt ter beoordeling van de aanvraag van een handelsvestiging met een netto winkeloppervlakte kleiner dan 1.000 m², en de wettelijke criteria enkel relevant zijn voor het advies van het NSECD. Blijkens de voorbereidende werkzaamheden zag de wetgever het immers als een evidentie dat het college de aanvraag aan de hand van de bedoelde criteria zou onderzoeken, waar, ook in verband met “de commerciële projecten waarvan de netto handelsoppervlakte tussen 400 m² en 1.000 m² is begrepen”, wordt gesteld dat “[d]e beslissing van het College […] uiteraard [wordt] gemotiveerd ten aanzien van de voornoemde criteria” (Parl. St. Kamer, 2003-2004, Doc 51, 1035/001, 5). In verband met het sociaal-economisch dossier dat luidens artikel 5 van de handelsvestigingenwet bij de aanvraag moet worden gevoegd, wordt zonder meer gesteld dat dit de nodige elementen dient te bevatten opdat het NSECD een gemotiveerd advies zou kunnen uitbrengen “en opdat de gemeente een gemotiveerde beslissing zou kunnen nemen ten aanzien van de criteria, ingeschreven in de wet (artikel 7, § 2)” (Parl. St. Kamer, 2003- 2004, Doc 51, 1035/001, 10). “Om te antwoorden op de bemerking van de Raad van State wat betreft de toepassing van de wet van 29 juli 1991 met betrekking tot de formele motiveringsplicht”, luidt het, in verband met de projecten met een netto handelsoppervlakte tussen 400 m² en 1.000 m², dat “de beslissing, zoals elke gemeentelijke beslissing [is] gemotiveerd” en dat “[d]eze motivatie moet gebeuren ten aanzien van de criteria van artikel 7, § 2” (Parl. St. Kamer, 2003- 2004, Doc 51, 1035/001, 12). Opgemerkt dient ook dat de tussenkomende partij in haar aanvraag van de bedoelde criteria is uitgegaan, en dat deze criteria door de eerste verwerende partij bij haar onderzoek werden betrokken, zoals blijkt uit haar beslissing van 16 juni 2014 (zie randnummer 3.4).

De tussenkomende partij blijkt in haar laatste memorie voor te houden dat de kwestieuze criteria, zoals omschreven in artikel 7, § 2, van de handelsvestigingenwet en verduidelijkt in de artikelen 2 tot en met 5 van het koninklijk besluit van 22 februari 2005, discriminatoir, niet gerechtvaardigd, niet evenredig, niet duidelijk en ondubbelzinnig, niet objectief, niet kenbaar, transparant en toegankelijk, zijn, maar toont dit niet aan. Er dient in dit verband op gewezen dat artikel 6 van het koninklijk besluit van 22 februari 2005 uitdrukkelijk vermeldt dat het sociaal-economisch dossier, zoals dit aan het college van burgemeester en schepenen moet worden gericht, “wordt samengesteld op basis van de criteria zoals gestipuleerd in het artikel 7, § 2 van de wet”. Herhaald dient ook dat de aanvraag van de tussenkomende partij aan de hand van de kwestieuze criteria is opgesteld.

Evenmin wordt aangenomen dat het doel van het vergunningsstelsel, zoals vereist door artikel 9, eerste lid, c, van de dienstenrichtlijn, door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt, mede in acht genomen de omstandigheid dat, blijkens de voorbereidende werken, de handelsvestigingenwet speciaal aan de belangen van de vergunningsaanvrager heeft willen tegemoetkomen bij het invoeren van dit stelsel. Gesteld wordt meer bepaald dat “[d]e algemene opzet van het wetsontwerp […] een belangrijke verbetering [beoogt] door een eenvoudiger en meer doorzichtige procedure voor toekenning van de socio-economische vergunning en door de instelling van strikte termijnen die voordelig zijn voor de aanvrager. Er wordt eveneens voorzien in een unieke beroepsprocedure” (Parl. St. Kamer, 2003-2004, Doc 51, 1035/001, 3). 8.9. Gelet op het voorgaande, inbegrepen randnummer 6.3, kan het betoog van de tussenkomende partij dat zij een subjectief recht op een handelsvestigingsvergunning zou bezitten, niet worden bijgetreden. In zoverre de tussenkomende partij verzoekers‟ belang op grond van deze premisse betwist, dient haar exceptie verworpen te worden. 8.10. Eveneens in het licht van het voorgaande, dient de door de tussenkomende partij in haar memorie tot tussenkomst gesuggereerde prejudiciële vraag (randnummer 7.2.1) en in haar laatste memorie gesuggereerde prejudiciële vraag daargelaten nog de vraag naar de tijdigheid van deze laatste, niet te worden gesteld.

Aldus is de 'oude' Handelsvestigingenwet geerd.

De Raad van State gaat vervolgens over tot vernietiging van de stilzwijgende handelsvestigingsvergunning wegens strijdigheid met de motiveringsplicht:

‘De bestreden beslissing betreft een impliciete beslissing, die zelf geen enkel formeel motief bevat dat de inwilliging van de aanvraag zou kunnen schragen. Integendeel blijkt de impliciete beslissing enkel het gevolg van het verstrijken van de in artikel 8, § 3, van de handelsvestigingenwet bedoelde betekeningstermijn. Dat die impliciete beslissing daarvan het resultaat is, reveleert, anders dan de tussenkomende partij dit ziet, nog geen inhoudelijk, afdoend materieel, motief om de kwestieuze aanvraag in te willigen.

Het administratief dossier blijkt evenmin enig stuk of gegeven te bevatten dat het verlenen van de vergunning voor het project kan schragen, integendeel.

Gelet op wat voorafgaat, moet een schending van het materiëlemotiveringsbeginsel door de bestreden beslissing worden aangenomen.’

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Stilzwijgende beslissingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/12/2018

Ontwikkelingsmogelijkheden voor woonreservegebieden: voorontwerp wijzigingsdecreet Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

In een eerdere blog werd reeds aangegeven dat de Vlaamse Regering werkt aan een nieuwe regelgeving over de woonreservegebieden. De inhoud van het eerste ontwerp werd in die blog ook reeds kort toegelicht. 

De Vlaamse Regering hechtte, na advies van de SARO, de Minaraad en de SERV, op 14 december 2018 opnieuw haar principiële goedkeuring aan het voorontwerp van decreet dat de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wijzigt, wat betreft de ontwikkelingsmogelijkheden voor woonreservegebieden.

De regeling helpt de lokale besturen en de Vlaamse Regering de doelstelling realiseren om slecht gelegen juridisch woonaanbod te neutraliseren en zo het ritme van bijkomend ruimtebeslag af te remmen.

De adviezen vindt u hier

Het decreet wordt andermaal gevoegd. De bijhorende memorie vindt u dan weer hier

Over dit voorontwerp van wijzigingsdecreet wordt nu het advies ingewonnen van de Raad van State.

Wij houden u op de hoogte. 

14/12/2018

Thomas Quintens schrijft noot over de rechtsplegingsvergoeding in onteigeningsprocedures (RABG 2018, 1302-1306)

Thomas bespreekt het vonnis van het Vredegerecht Harelbeke van 26 mei 2016 en van het Vredegerecht Ieper II Poperinge van 14 april 2017. Beide geannoteerde vonnissen hadden betrekking op een onteigening bij toepassing van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte. Er wordt geconcludeerd dat de rechtsplegingsvergoeding terecht wordt toegekend aan de onteigende partij aangezien deze noodgedwongen wordt betrokken in een gerechtelijke procedure. Hoewel de rechtspraak ter zake wispelturig is, valt te verdedigen dat de hoogte van de rechtsplegingsvergoeding wordt berekend op basis van het bedrag van de toegekende onteigeningsvergoeding.

Blog Publius Nieuws
Tags Onteigeningen, Thomas Quintens
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/12/2018

Binnenkort ook digitale indiening van omgevingsvergunning voor kleinhandelsvestigingen

Op 7 december 2018 werd het Ministerieel besluit van 23 november 2018 tot uitvoering van artikel 153/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. 

In dit MB staat te lezen:

"De datum vanaf wanneer aanvragen die louter betrekking hebben op kleinhandelsactiviteiten of vegetatiewijzigingen digitaal ingediend kunnen worden en vervolgens digitaal behandeld worden, wordt bepaald op 15 januari 2019."

Het omgevingsloket zal dus vanaf 15 januari 2019 ook gebruikt kunnen worden voor omgevingsvergunning voor enkel kleinhandelsactiviteiten.

 

01/12/2018

Beroepstermijn voor Interministerieel Comité begint te lopen vanaf de ontvangst, niet vanaf de verzending van de beroepen beslissing (regime oude Handelsvestigingswet)

In de zaak nr. 242.757 van 23 oktober 2018 moest de Raad van State zich buigen over de vraag of de beroepstermijn van artikel 8 van de Federale Handelsvestigingwet begint te lopen vanaf de verzending, dan wel de ontvangst van de beroepen beslissing.

Artikel 11 van de oude Handelsvestigingenwet bepaalde dat het beroep wordt ingesteld ‘binnen 20 dagen die volgen op de kennisgeving van de beslissing’.

De Raad van State beslist:

‘Redelijkerwijze dient het begrip ‘kennisgeving’, zoals bedoeld in artikel 11 §3 van de Handelsvestigingenwet, begrepen te worden als de ontvangst en niet de verzending van de beslissing. De bestemmeling die tegen deze beslissing een administratief beroep kan indienen, moet immers tijdens de volledige duur van de eerder korte beroepstermijn daadwerkelijk van die beslissing kennis kunnen nemen’.

Referentie: Pub507519

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/11/2018

Worden lopende vernietigingsprocedures geïmpacteerd door de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten?

Op  1 augustus 2018 is de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten in werking getreden. Er verandert op het eerste gezicht weinig aan de vergunningsplicht voor grootschalige winkels. Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning kleinhandelsactiviteiten uitvoeren in een kleinhandelsbedrijf of handelsgeheel met een nettohandelsoppervlakte van meer dan 400 m² in een nieuw op te richten, niet van vergunning vrijgestelde constructie, dan wel in een bestaand, vergund of hoofdzakelijk vergund gebouw. Nochtans brengt de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviten een sterk verminderde vergunningsplicht met zich mee en dit lijkt ook zijn gevolgen te (kunnen) hebben voor lopende vernietigingsprocedures bij de Raad van State

Alvorens dieper ingegaan wordt op de vraag of een concurrerende handelszaak zijn belang kan verliezen bij lopende vernietigingsprocedures bij de Raad van State gelet op de verminderde vergunningsplicht, alsook om onderstaand arrest beter te begrijpen, wordt kort de (impact van de) categorisering van kleinhandelsactiviteiten en het verdwijnen van de meldingsplicht bij een beperkte uitbreiding van de netto handelsoppervlakte toegelicht. 

Over de categorisering van kleinhandelsactiviteiten.
Sinds de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten op 1 augustus 2018 zijn alle bestaande, niet-vervallen sociaal-economische vergunningen van rechtswege geherkwalificeerd tot een omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten van een welbepaalde categorie.

Artikel 3 Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid verdeelt de kleinhandelsactiviteiten in 4 categorieën:

  • eerste categorie: verkoop van voeding
  • tweede categorie: verkoop van goederen voor persoonsuitrusting
  • derde categorie: verkoop van planten, bloemen en goederen voor land- en tuinbouw
  • vierde categorie: verkoop van andere producten

Enkel een belangrijke wijziging van categorieën van kleinhandelsactiviteiten is op vandaag nog vergunningsplichtig. Onder een belangrijke wijziging wordt begrepen elke wijziging waarbij een categorie van kleinhandelsactiviteiten het vergunde aantal vierkante meter netto handelsoppervlakte overschrijdt met ofwel 10% van de totale vergunde netto handelsoppervlakte ofwel 300 m². Een wijziging in de categorieën van kleinhandelsactiviteiten onder deze drempels is niet vergunningsplichtig.

Deze nieuwe regelgeving staat in schril contract met de vroegere praktijk onder de Handelsvestigingswet. Immers was voor 1 augustus 2018 elke belangrijke assortimentswijziging - en niet categoriewijziging - aan de vergunningsplicht onderworpen.

Over het verdwijnen van de meldingsplicht bij een beperkte uitbreiding van de netto handelsoppervlakte.
Ten tijde van de oudeHandelsvestigingswet kon een vergunde handelsvestiging zonder bijkomende vergunning uitbreiden mits deze uitbreiding niet meer bedroeg dan dan 20 % van de nettohandelsoppervlakte, met een maximumplafond van 300 m² netto handelsoppervlakte. Het uitbreidingsproject diende wél gemeld te worden aan het college van burgemeester en schepenen waar het uitbreidingsproject plaatsvond en dit middels een voorafgaande verklaring.

Het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid, dat wat betreft het vergunningenbeleid op 1 augustus ll. in werking is getreden, behoudt de van de vergunning vrijgestelde beperkte uitbreiding, maar schrapt de meldingsplicht. Met andere woorden, sinds 1 augustus 2018 dient een uitbreiding van de netto handelsoppervlakte van 20%, met evenwel een maximum van 300 m², per handelsvestiging- of geheel niet langer gemeld te worden bij het college van burgemeester en schepenen van de stad waar het uitbreidingsproject plaatsvindt.

Let wel, in beide gevallen - zowel onder de Handelsvestigingswet als nu onder het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid - kan slechts eenmalig gebruik gemaakt worden van de van de vergunning vrijgestelde beperkte uitbreiding. In het bijzonder wat een handelsgeheel betreft, betekent dit dat van zodra op het niveau van het handelsgeheel deze 20% of 300 m² uitgeput is door één of meerdere individuele handelsvestigingen, geen andere handelsvestiging hiervan nog kan profiteren.
 
Verliest een concurrent haar belang bij een vernietigingsberoep indien de assortimentswijziging sinds 1 augustus 2018 niet langer vergunningsplichtig is?
De Raad van State lijkt dit in haar arrest nr. 242.417 van 25 september 2018 op het eerste zicht te suggereren van wél, zij het dat zij expliciet verwijst naar het standpunt van verzoekende partij ter zitting. Zij overwoog aangaande het actueel belang van verzoekende partij, die als concurrerende handelszaak beroep aantekende tegen een vergunde assortimentswijziging, het volgende:

'4.1. De tussenkomende partij werpt in haar laatste memorie de onontvankelijkheid van het beroep wegens gemis aan belang op. Zij steunt haar exceptie op het gegeven dat inmiddels het decreet van 15 juli 2016 „betreffende het integraal handelsvestingsbeleid‟ in werking is getreden. Zij betoogt dat artikel 3 van dit decreet thans in vier categorieën van kleinhandelsactiviteiten voorziet en dat het oude assortiment (meubelen) en het nieuwe assortiment (sportgoederen) beide tot de vierde categorie behoren, waardoor de assortimentswijziging niet langer vergunningsplichtig is. Evenmin is er onder het nieuwe decreet een vergunning nodig voor de beperkte uitbreiding van de netto handelsoppervlakte tot 20 % of maximum 300 m².

4.2. De verzoekende partij repliceert in haar laatste memorie dat het feit dat de tussenkomende partij geen vergunning zou nodig hebben niet ter zake doet. Integendeel zou dit volgens haar betekenen dat “een socio-economische vergunning zou volstaan om de exploitatie van het concurrerend bedrijf mogelijk te maken ten nadele van de belangen van [v]erzoekster wat het belang van [v]erzoekster alleszins niet zou verkleinen”. “Anderzijds” acht zij “de stelling van [de tussenkomende partij] onjuist nu duidelijk [is] gebleken dat [de tussenkomende partij] wel degelijk een stedenbouwkundige vergunning nodig heeft voor de door haar noodzakelijke parking”.

4.3. Het voormelde verweer in de laatste memorie van de verzoekende partij gaat ervan uit dat een socio-economische vergunning zou volstaan en valt niet te begrijpen. Ter terechtzitting nader ondervraagd over haar standpunt aangaande de onder randnummer 4.1 vermelde exceptie, antwoordt de verzoekende partij dat voor de kwestieuze aanvraag inderdaad “geen socioeconomische vergunning nodig is”.

4.4. In het licht van het voormelde ter terechtzitting ingenomen standpunt, komt de exceptie gegrond voor en ontbeert de verzoekende partij het vereiste actueel belang bij haar beroep.'

De Raad van State besluit aldus dat verzoekende partij niet langer over het rechtens vereiste actueel belang beschikt, nu zij ter zitting erkende dat voor het aangevraagde - zijnde de assortimentswijziging en een uitbreiding van de netto handelsoppervlakte - niet langer een vergunning noodzakelijk was. 

Bedenking bij het arrest.
De vraag die men zich kan stellen is of verzoekende partij gelijk had om zichzelf zonder belang te bestempelen wetende dat er benevens de niet langer verplichte assortimentswijziging ook een uitbreiding van de netto handelsoppervlakte met 269 m² (uitbreiding van het handelsgeheel van 8.147 m² tot 8.416 m²)? Wij denken dat het niet evident was voor verzoekende partij om nog een belang te doen gelden, nu zij als concurrerende handelszaak ons inziens niet ernstig kon beweren dat er significante commerciële impact in haar hoofde zou bestaan bij de beperkte uitbreiding van de 975 m² naar 1244 m²,  te meer nu de vergunningshouder ook zonder een vergunningsaanvraag hoe dan ook en zonder vergunningsaanvraag gerechtigd is om uit te breiden naar 1275 m² (= beperkte uitbreiding).  

Referentie: PUB505994-1