12/11/2017

Raad van State beslecht discussie over artikel 8 aanvullend stedenbouwkundig voorschrift van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse

Artikel 8 luidt als volgt:

'Bijzondere bepalingen betreffende de woongebieden
Behoudens andersluidende bepalingen in dit besluit, in een door Ons reeds goedgekeurd en niet in herziening gesteld bijzonder plan van aanleg, in een behoorlijk toegekende en nog niet vervallen verkavelingsvergunning of in een bouwverordening, gelden voor het  bouwen van woningen in de door het gewestplan vastgestelde woongebieden volgende voorschriften:

1. binnen de in het gewestplan aangeduide grenzen van de stadscentra van Halle, Vilvoorde en Asse wordt het aantal bouwlagen van de woningen vastgesteld in functie van het bijzonder karakter van de wijk, van de breedte van de straat en van de vloer-grond index van het te bebouwen perceel; het maximum aantal woonlagen mag in geen geval vier woonlagen overtreffen;
2. elders in het gewest is het aantal woonlagen van de woningen ten hoogste twee.

In de aaneengebouwde gedeelten van steden en gemeenten mag, zonder dat vier woonlagen worden overschreden, van de in het eerste lid, 2, gestelde regel afgeweken worden:
a) door een door Ons goedgekeurd bijzonder plan van aanleg;
b) wanneer in een straat meer dan de helft van de na 1950 opgetrokken woningen meer dan twee woonlagen tellen; in dat geval wordt het maximum aantal woonlagen vastgesteld in functie van het aantal woonlagen van de omringende woningen aan dezelfde kant van de straat.

De in dit artikel gestelde voorschriften zijn niet van toepassing op gronden die vóór de inwerkingtreding van dit besluit gekocht werden als bouwgrond op basis van een stedenbouwkundig attest dat het aantal toegelaten bouw- of woonlagen aanduidt en waarvan de geldigheidsduur nog niet verstreken is. Het maximum aantal woonlagen mag evenwel in geen geval vier woonlagen overtreffen'.

Dé vraag was of de beperkingen ook gelden voor de vebouwing van bv. een handelsgebouw naar een woonfunctie?  In het arrest nr. 207.234 van 7 september 2010 meende de Raad van State van niet en de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het arrest nr. RvVb/A/1617/0548 van 7 februario 2017 dan weer wél.  Aldus moest de Raad van State als cassatierechter tussenkomen.

Dit gebeurt in het arrest nr. 239.569 van 26 oktober 2017.  Op andersluidend advies van de auditeur, verlaat de Raad van State de eerdere, eigen rechtspraak en sluit zich aan bij de zienswijze van de RvVb onder deze bewoordingen:

'Bouwen van woningen in het eerste lid van deze bepakling is - in de spraakgebruikelijke betekenis - het in meterialen en onderdelen tot woningen samenvoegen, construeren, optrekken, in elkaar zetten.  Het middel dat ervan uitgaat dat het verordenend aanvullend voorschrift van artikel 8 van het gewestplan niet geldt voor het verbouwen van constructies tot woningen binnen de woongebieden van het gewestplan, faalt naar recht'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
12/12/2017

Gunstregime voor de eigen gemeente-inwoners maakt lokaal belastingsreglement kwestbaar

Dit blijkt nogmaals uit het arrest nr. 240.035 van de Raad van State van 30 november 2017 met betrekking tot een gemeentelijke belasting op de economische bedrijvigheid:

‘Gewis is het een zaak van redelijk en goed bestuur om een billijke verdeling van de belastingdruk te betrachten. Eveneens ligt het in de rede dat wie een economische activiteit ontplooit in de gemeente en bijgevolg verondersteld mag worden voordeel te halen uit de gemeentelijke collectieve voorzieningen, aan de gemeente een belasting betaalt.

Een en ander rechtvaardigt evenwel nog niet dat in een belasting zou worden voorzien die strijdt met de fiscale gelijkheidsregel. Belet deze regel niet dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën, dat verschil moet wel op een objectief criterium berusten en redelijk verantwoord zijn. De verantwoording moet ondermeer redelijkerwijze relevant zijn in het licht van de aard en het doel van de belasting.

De aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting is een belasting die alleen wordt geheven van wie in de bevolkingsregisters van de gemeente is ingeschreven. Ze doet zich wezenlijk voor als een bijdrage in de gemeentelijke financieringsbehoeften, opgelegd vanwege het voordeel dat de belastingplichtige uit de gemeentelijke voorzieningen haalt doordat hij zijn hoofdverblijf in de gemeente heeft.

Het is in dit verband zonder belang of de belastingplichtige, naast het voordeel dat hij als een ingezetene van de gemeente geniet, ook nog een andere baat uit de gemeentelijke voorzieningen haalt doordat hij een economische bedrijvigheid op het grondgebied van de gemeente uitoefent en uit dien hoofde een bijkomend gebruik maakt van de gemeentelijke infrastructuur en dienstverlening.

Het tarief van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting is voor alle inwoners van de gemeente gelijk, ongeacht of zij er een economische bedrijvigheid uitoefenen. Voorts is het onverschillig voor het voordeel dat de exploitant van een economische activiteit wegens – specifiek – die exploitatie haalt uit de voorzieningen van de gemeente of hij er al dan niet in de bevolkingsregisters is ingeschreven.

Uit wat voorafgaat, volgt dat de bijdrage die een gemeentenaar levert wegens het nut dat hij van de gemeente diensten geniet als ingezetene, niets van doen heeft met een eventuele bijdrage vanwege het nut dat hij van die diensten heeft als exploitant van een economische activiteit. Dat dus, zoals in de bestreden beslissing wordt overwogen, de natuurlijke personen met woonplaats op het grondgebied van de gemeente ten gevolge van hun onderworpenheid aan de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting ‘veel meer bijdragen tot de gemeentelijke financiën’ is niet terzake dienend'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale belastingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/12/2017

Nogmaals over onverjaarbare (?) gewoonte- en bestemmingsmisdrijven

Lees hier het antwoord van minister Schauwvliege op de vraag nr. 92 van 27 oktober 2017 van Mercedes Van Volcem aangaande sommige 'onverjaarbare' stedenbouwmisdrijven en de verenigbaarheid daarvan met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel::

'1. In de voorliggende vraag worden verschillende kwalificaties naast en door elkaar geplaatst zoals gewoontemisdrijven, bestemmingsmisdrijven en aflopende misdrijven. Het lijkt mij eerst en vooral nuttig om klaarheid te scheppen over de aard van deze kwalificaties want de conclusie is niet helemaal correct. Er zijn immers geen nieuwe onverjaarbare stedenbouwschendingen bij gecreëerd.

In het Handhavingsdecreet van 4 juni 2003 en bij de decreetwijziging voorzien in het Aanpassings- en aanvullingsdecreet van 27 maart 2009, zijn er inderdaad ingrijpende wijzigingen gebeurd. Het was bij het opheffen van het instandhoudingsmisdrijf buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied de bedoeling van de decreetgever om van de stedenbouwkundige misdrijven buiten het ruimtelijk kwetsbaar gebied, aflopende misdrijven te maken. Dit wordt ook met zoveel woorden gezegd in de Memorie van Toelichting hierbij. Ook werden bijzondere verjaringstermijnen voor de herstelvorderingen ingevoerd. Deze wijzigingen hebben echter geen invloed gehad op mogelijke strafrechtelijke kwalificaties, voornamelijk wanneer het over het strafbaar gebruik gaat. Zo bij voorbeeld hebben de decretale aanpassingen de toepassing van artikel 65 van het Strafwetboek, m.n. de kwalificatie van het zogenaamde collectief of voortgezet misdrijf, door de rechtbanken niet kunnen uitsluiten. Dit geldt ook voor de berekening van de verjaringstermijnen en voor de koppeling van de verjaring van de herstelvordering aan deze van de strafvordering, wat in artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering  geregeld wordt. De Vlaamse decreetgever kan enkel het materieel strafrecht, met andere woorden de als misdrijf omschreven feiten en de sanctie daarop, nader regelen. Maar, het strafprocesrecht op zich is natuurlijk een voorbehouden federale materie en het is niet aan de Vlaamse decreetgever op dit vlak in te grijpen.

Dat bij een vergunningsplichtige functiewijziging - door de wijziging zelf - een aflopend misdrijf ontstaat als men dit doet zonder vergunning, zegt nog niets over het latere gebruik dat daarnaast ook op zichzelf een strafbaar feit kan uitmaken en buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied onder de kwalificatie van een voortgezet misdrijf kan vallen. Het zijn twee afzonderlijke misdrijven, die de decreetgever allebei strafbaar heeft gesteld. Op basis van de ene kwalificatie kan een feit verjaard zijn, terwijl hetzelfde feit op basis van een andere kwalificatie strafbaar blijft. Dit is een normale toepassing van het federale strafrecht en deze is niet strijdig met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel.

2. Of dit allemaal als problematisch of onbillijk wordt ervaren, is uiteraard een andere kwestie en deze vraag zal anders beantwoord worden naargelang aan wie men de vraag stelt. Zo bijvoorbeeld zal de omgeving en de maatschappij die wordt geconfronteerd met een gewoonlijk gebruik als stallingsplaats voor afgedankte voertuigen op een weiland waarvoor geen vergunning werd bekomen, deze vraag - doordat het gebruik zich dagdagelijks herhaalt en mogelijks hinder veroorzaakt - anders beantwoorden dan de gebruiker van het stuk grond zelf. Deze laatste zal zolang hij het gebruik niet staakt, immers niet in aanmerking komen voor verjaring van de strafvordering. Gezien de decreetgever het gewoonlijk gebruik in dit voorbeeld rechtstreeks vergunningsplichtig heeft gesteld in artikel 4.2.1,5° VCRO, blijft dit gewoonlijk gebruik zonder vergunning strafbaar van het eerste tot het laatste moment. De decreetgever heeft hierdoor immers zelf aangegeven dat het ruimtelijk relevant is. Moet de decreetgever deze vergunningsplicht van artikel 4.2.1, 5° VCRO dan opheffen ? Moet de decreetgever dit misdrijf depenaliseren en onder de bestuurlijke handhaving brengen zodat het strafprocesrecht niet meer speelt en dit op kortere termijn kan verjaren ook al loopt het gebruik van de weide als stallingsplaats voor afgedankte voertuigen onbeperkt verder ? Is dit allemaal wenselijk nu het om een expliciet  vergunningsplichtig gebruik gaat dat reeds van bij aanvang in de Stedenbouwwet is opgenomen ? Het debat daarover moet nog gevoerd worden.

Naast het voormelde gewoonlijk gebruik voorzien in artikel 4.2.1, 5° VCRO, is elk ander gebruik op zich in beginsel niet vergunningsplichtig. Zoals gezegd zal enkel de functiewijziging in sommige gevallen vergunningsplichtig zijn. Gebruik in een bepaalde functie kan wel verboden worden in stedenbouwkundige voorschriften van RUP’s, verordeningen etc. of in vergunningsvoorwaarden. Feiten die niet-vergunningsplichtig gebruik kunnen uitmaken in strijd met bestemmingsvoorschriften, zijn reeds tot een minimum beperkt door invoering van een derde lid in artikel 4.4.1 §3 VCRO. De aangehaalde rechtspraak in de vraagstelling dateert van voordien. Sedert de decreetwijziging van 18 december 2016 (IW 23 februari 2017) kan het niet-vergunningsplichtig gebruik niet meer strijdig geacht worden met voorschriften van het gewestplan, de algemene plannen van aanleg, gewestelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, noch met de voorschriften van bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingsvergunningen. Via de codextrein zal hieraan toegevoegd worden dat dit geldt “tenzij deze voorschriften deze handelingen uitdrukkelijk en specifiek beperken”. Alleszins zal ook hier steeds voorafgaand de vraag moeten worden gesteld of bepaalde specifieke feiten in de context van Ruimtelijke Ordening na verloop van tijd al niet nog als handelingen conform de VCRO zijn: m.n. werkzaamheden, wijzigingen of activiteiten met ruimtelijke implicaties. Het tijdsverloop is daarbij een beoordelingsfactor voor deze ruimtelijke implicaties. Met andere woorden ook hier wordt de ruimtelijk relevantie beoordeeld alvorens er van een misdrijf sprake kan zijn. Dit vergt een concrete appreciatie van de feiten en de invloed van het tijdsverloop daarop. In eerste lijn wordt onder meer dit reeds op gewestelijk niveau onderzocht en beoordeeld door de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid alvorens de herstelvorderingen bij de rechtbanken kunnen ingeleid worden. Het is een beoordeling geval per geval en het valt niet te vatten in een algemene regel. Ook in het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening zijn op gewestelijk niveau beleidsrichtlijnen opgenomen die de beslissingspraktijk van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid daarin volgen.

Samengevat kan worden gesteld dat er reeds is overgestapt van een systeem waarbij het strijdig zijn van handelingen met bestemmingsvoorschriften niet meer afhankelijk is van interpretatie, maar zuiver gelinkt is aan een duidelijk verbod of beperking. Het is logisch dat in die context bij overtreding van een uitdrukkelijk verbod of beperking om een bepaald gebruik uit oefenen, dit verbod er is voor de ganse lopende periode en niet voor een bepaalde tijd gelinkt aan één of andere verjaringstermijn. Immers waar een gebouw er fysiek “staat” en buiten volledige afbraak geen herstel naar de oorspronkelijke toestand kan uitmaken, kan een gebruik dat “loopt” veel makkelijker aangepast worden zonder desastreuze gevolgen'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags