26/04/2018

Overgangsregeling Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid vernietigd door Grondwettelijk Hof!

Op 29 juli 2016 werd het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid (DIH) gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Met verzoekschriften van 26 januari 2017 werd door de stad Vilvoorde en nv Alcovil een beroep tot vernietiging van de artikelen 52 en 59, 4° DIH aangetekend bij het Grondwettelijk Hof (rolnrs. 6603 en 6604).

Artikel 52 DIH voert een overgangsregeling in met betrekking tot de vervaltermijn van de op datum van de regionalisering van de handelsvestigingsmaterie (1 juli 2014) nog geldende handelsvestigingsvergunningen:

'De vervaltermijn voorzien in artikel 13 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen voor nog geldende vergunningen voor handelsvestigingen die verleend werden
met toepassing van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen en de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, wordt geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de vergunning aanhangig is bij de Raad van State en zolang een beroep tot vernietiging van eventuele andere vergunningen, machtigingen of toelatingen, benodigd voor het project, aanhangig is bij de Raad van State of de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Dezelfde vervaltermijn, wanneer van toepassing op een socioeconomische vergunning voor een handelsvestiging waarvoor eveneens een stedenbouwkundige of een milieuvergunning nodig is, wordt geschorst zolang de stedenbouwkundige vergunning of de milieuvergunning niet definitief werd verleend. In dat geval gaat de termijn bepaald in artikel 13 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen pas in op de dag dat de stedenbouwkundige vergunning en/of de milieuvergunning definitief wordt verleend.'

Artikel 59, 4° DIH regelt de inwerkingtreding van artikel 52 DIH. Het artikel heeft meer in het bijzonder een retroactieve uitwerking vanaf 1 juli 2014.

Verzoekende partijen voeren volgende grieven aan tegen de artikelen 52 en 59, 4° DIH:

  • Zij voeren beiden aan dat de verantwoording van artikel 59, 4°, DIHB die is opgenomen in de memorie van toelichting bij het ontwerp van het bestreden decreet niet volstaat om de terugwerkende kracht ervan te rechtvaardigen. Zij menen bovendien dat niet is aangetoond waarom de terugwerkende kracht onontbeerlijk zou zijn;
  • Volgens de stad Vilvoorde ligt er ook een schending voor van de bevoegdheidsverdelende regeling, in zoverre de terugwerkende kracht van artikel 52 DIHB tot gevolg heeft dat reeds vervallen socio-economische vergunningen zouden herleven. Zij meent dat de decreetgever op het ogenblik van het goedkeuren van de bestreden regeling op grond van artikel 6, §5bis, BWHI, de regeringen van de betrokken gewesten in kennis had moeten stellen van de ontwerpen van handelsvestiging die onder het toepassingsgebied van deze bepaling van de bijzondere wet vallen;
  • Volgens de stad Vilvoorde zou de terugwerkende kracht van artikel 52 DIHB bovendien niet in overeenstemming zijn met het Europees recht, aangezien dit volgens haar tot gevolg zou hebben dat reeds vervallen socio-economische vergunningen zouden herleven, zonder dat er bij de initiële vergunning een milieueffectbeoordeling werd uitgevoerd, en zonder dat bij het opnieuw goedkeuren, door middel van de bestreden bepaling, een milieueffectenbeoordeling heeft plaatsgevonden;
  • De NV Alcovil meent tot slot dat de precieze draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van artikel 52 DIHB niet duidelijk zijn, wat tot rechtszonzekerheid zou leiden.

Dit is het antwoord van het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 51/2018 van 26 april 2018:

'B.9.2. Krachtens artikel 59, 4°, van het decreet van 15 juli 2016 heeft artikel 52 van datzelfde decreet uitwerking vanaf 1 juli 2014. Het is bijgevolg duidelijk dat met de woorden « nog geldende vergunningen » in de laatstgenoemde bepaling, de vergunningen worden bedoeld die op die datum nog geldig waren. Die lezing werd bovendien uitdrukkelijk bevestigd tijdens de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Vlaams Parlement, 2015-2016, nr. 767/5, p. 22). Uit de uiteenzetting van het eerste middel in de samengevoegde zaken, waarin de retroactieve werking van artikel 52 van het decreet van 15 juli 2016 wordt bestreden, blijkt tot slot dat de verzoekende partijen de bestreden bepalingen in die zin hebben begrepen.

B.10. Vermits er aldus geen onduidelijkheid is over de draagwijdte van de bestreden bepalingen, wordt niet op discriminerende wijze afbreuk gedaan aan het rechtszekerheidsbeginsel.

B.11. Het tweede middel in de zaak nr. 6604 is niet gegrond'.

Maar ook:

'B.17.1. Zonder de terugwerkende kracht die door artikel 59, 4°, van het decreet van 15 juli 2016 wordt verleend aan artikel 52, zou de laatstvermelde bepaling overeenkomstig artikel 59 in werking zijn getreden op de datum van de bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad. Aldus zou artikel 52, door de onmiddellijke inwerkingtreding ervan, enkel van toepassing zijn op de houders van een handelsvestigingsvergunning die op die datum nog geldig was. Door aan die bepaling terugwerkende kracht te verlenen, beoogt artikel 59, 4°, van het decreet derhalve ten goede te komen aan de personen die op 1 juli 2014 over een geldige vergunning beschikten, doch wier vergunning op de datum van de bekendmaking van het bestreden decreet in het Belgisch Staatsblad op grond van de vroegere federale regeling reeds was vervallen.

De terugwerkende kracht van het bestreden artikel 52 kan immers tot gevolg hebben dat die vervallen handelsvestigingsvergunningen van rechtswege opnieuw geldig worden. Aldus beschermt die regeling voornamelijk private belangen. De personen van wie de handelsvestigingsvergunning was vervallen op grond van de vroegere federale wetgeving vóór de totstandkoming van het decreet van 15 juli 2016 konden geen gewettigde verwachting hebben dat die vergunning alsnog zou herleven door een optreden van de decreetgever met terugwerkende kracht.

B.17.2. Een dergelijke terugwerkende kracht heeft tot gevolg dat wordt ingegrepen in definitief voltrokken situaties en kan afbreuk doen aan het gewettigd vertrouwen en aan de rechtssituatie van andere personen dan de gewezen vergunninghouders. Het is immers mogelijk dat ingevolge het verval van een handelsvestigingsvergunning andere personen dan de oorspronkelijke vergunninghouder een handelsvestigingsvergunning hebben verkregen voor hetzelfde ruimtelijk gebied en reeds investeringen hebben gedaan om hun project te realiseren.

Voorts is het mogelijk dat de vergunningverlenende overheid, rekening houdend met het verval van een vergunning, haar beleid voor de betrokken locatie heeft herzien en haar handelen daarop heeft afgestemd. Ten slotte is het ook mogelijk dat andere derden zich op die situatie hebben gebaseerd om bepaalde rechtshandelingen te stellen.

B.17.3. In zoverre het van rechtswege opnieuw geldig worden van vervallen vergunningen aldus aanleiding kan geven tot het gelijktijdig bestaan van met elkaar onverzoenbare vergunnings- en beleidsbeslissingen of afbreuk kan doen aan het gewettigd vertrouwen van de burgers, brengen de bestreden bepalingen de rechtszekerheid in het gedrang voor derden die zich in hun handelen hebben laten leiden door het verval van de toegekende handelsvestigingsvergunningen. Het bestreden artikel 59, 4°, van het decreet van 15 juli 2016 brengt derhalve geen billijk evenwicht tot stand tussen, enerzijds, de private belangen van de gewezen vergunninghouders en, anderzijds, die van de overheden en andere derden die hun handelen op het verval van de bedoelde vergunningen hadden afgestemd.

B.17.4. Het verhelpen, met terugwerkende kracht, van de situatie van de personen die op 1 juli 2014 nog een geldige handelsvestigingsvergunning hadden, kan niet als noodzakelijk worden beschouwd voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang en is niet gerechtvaardigd door uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang. B.18. Het eerste middel in de zaak nr. 6603 en het eerste middel in de zaak nr. 6604 zijn gegrond. Artikel 59, 4°, van het decreet van 15 juli 2016 dient bijgevolg te worden vernietigd'.

Vervolgens vernietigt het Grondwettelijk Hof artikel 59, 4°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Integraal handelsvestigingenbeleid
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
05/07/2018

Over de opzettelijke fout, overheidsaansprakelijkheid en verzekeringsdekking

In een arrest van het hof van beroep te Gent van 28 juni 2018 wierp de verzekeringsmaatschappij tegen de verzekerde ambtenaar op dat er sprake was van opzet. Het hof van beroep te Gent wijst in het arrest nr. 2016/AR/949 van 28 juni 2018 deze aanspraak af: de verzekeraar die beweert van dekking bevrijd te zijn, moet bewijzen dat de verzekerde een opzettelijke daad heeft begaan waardoor hij het voordeel van de verzekering heeft verloren.

‘Opzettelijke schuld, die krachtens artikel 8, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst de dekking van de verzekeraar uitsluit, is die welke de wil inhoudt om schade te veroorzaken en niet gewoon de wil om het risico op schade te creëren; opdat de verzekeraar van dekking zou zijn bevrijd, volstaat het, maar is het wel noodzakelijk, dat de schade gewild was, vermits de schuld opzettelijk is, zelfs als de aard of de omvang van het schadegeval niet als dusdanig door de pleger was beoogd (Cass. AR P. 11.0561.F, 26 oktober 2011).

Een opzettelijke fout veronderstelt de wil om een schade te veroorzaken die voortvloeit uit de totstandkoming van een door verzekeringsovereenkomst gedekt risico (Cass. 23 februari 2017, R.W., 2017-18, afl. 17, 665).

Hier heeft [de ambtenaar] zware fouten begaan (in de zin van artikel 2 van de Wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen, … doch [de verzekeringsmaatschappij] toont niet aan dat hij de wil had om schade te veroorzaken, dat hij daadwerkelijk de intentie had om een schade te veroorzaken die voortvloeit uit de totstandkoming van een door de verzekeringsovereenkomst gedekt risico. Het loutere feit dat [de ambtenaar] wist dat hij (onvermijdelijk) schade zou berokkenen volstaat niet. De wil om schade te veroorzaken is niet bewezen.’.

Ref. Pub5206, Gent  28 juni 2018, nr. 2016/AR/949

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Lokale besturen, Overheidsaansprakelijkheid
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
05/07/2018

Grondwettelijk Hof bevestigt: ontslag contractueel ambtenaar NIET onderworpen aan formele motiveringsplicht

Eerder hebben we u bericht over het arrest het Hof van Cassatie in het arrest nr. S.13.0026 van 12 oktober 2015 dwaarin wordt gesteld dat het ontslag van een contractueel ambtenaar NIET onderworpen aan formele motiveringsplicht, noch aan hoorplicht.

Aan het Grondwettelijk Hof werd deze prejudiciële vraag gesteld:

'Schendt de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, eventueel in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing zou zijn op het ontslag van de contractuele personeelsleden van het openbaar ambt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de werknemer die krachtens een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld, niet de mogelijkheid zou bieden de redenen te kennen die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing tot ontslag die hem is opgelegd, terwijl de statutaire werknemer die met eenzelfde werkgever is verbonden, zijnerzijds kan eisen dat hij kennis kan nemen van de redenen die ten grondslag liggen aan de verbreking van de statutaire relatie die hem verbond met de overheid die eenzijdig heeft beslist die relatie te beëindigen ?'

Door ontkennend te antwoorden op deze vraag treedt het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 84/2018 van 5 juli 2018 de rechtspraak van het Hof van Cassatie bij:

B.5. De omstandigheid dat de door een overheid tewerkgestelde werknemers en de statutaire ambtenaren zich in verschillende juridische situaties zouden bevinden die bestaan uit de arbeidsovereenkomst en het statuut, volstaat niet, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, om te kunnen oordelen dat die categorieën van personen niet met elkaar zouden kunnen worden vergeleken : in beide gevallen gaat het immers erom de voorwaarden te bepalen waaronder voor die personen op geldige wijze een einde kan worden gemaakt aan hun betrekking.

B.6. In de interpretatie van de prejudiciële vraag, die door de verwijzende rechter in aanmerking is genomen, kan een overheid een werknemer met wie zij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, ontslaan zonder dat zij onderworpen is aan de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Het komt in de regel aan de verwijzende rechter toe de bepalingen die hij toepast te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen, hetgeen te dezen niet het geval is. Het Hof van Cassatie heeft trouwens geoordeeld : « 1. Krachtens artikel 2 Wet Motivering Bestuurshandelingen moeten de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

Artikel 1 van die wet definieert een bestuurshandeling als de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur en de besturen als de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 2. Zoals de wetsgeschiedenis aangeeft, volgt uit deze bepalingen niet dat een administratieve overheid die een werknemer ervan in kennis stelt dat zij de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst beëindigt, verplicht is dit ontslag uitdrukkelijk te motiveren. 3. Het arrest dat oordeelt dat de ontslagbrief waarmee de eiseres aan de verweerder ter kennis bracht dat zij besloten had de arbeidsovereenkomst te beëindigen, niet voldoet aan de door de Wet Motivering Bestuurshandelingen opgelegde motiveringsplicht en op die grond beslist tot het bestaan van een fout in hoofde van de eiseres, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond » (Cass., 12 oktober 2015, Arr. Cass., 2015, nr. 595). Het Hof onderzoekt bijgevolg het verschil in behandeling in de interpretatie van de verwijzende rechter.

B.7. Door een overheid toe te staan een werknemer met wie zij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, te ontslaan, zonder die overheid ertoe te verplichten het ontslag uitdrukkelijk te motiveren, doen de artikelen 1 tot 7 van de wet van 29 juli 1991 een verschil in behandeling ontstaan tussen die werknemers en de statutaire ambtenaren, die het recht hebben de redenen te kennen die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing tot ontslag.

B.8. De statutaire personeelsleden zijn in beginsel niet vergelijkbaar met contractuele personeelsleden, aangezien ze zich in een grondig verschillende rechtspositie bevinden. De verschillende rechtsregels die de arbeidsverhouding van beide categorieën van personeelsleden beheersen, verhinderen echter niet dat ze zich, ten aanzien van een in hun rechtsvordering voor een rechter gestelde rechtsvraag, in een vergelijkbare situatie bevinden.


B.9. De specifieke kenmerken die het statuut ten opzichte van de arbeidsovereenkomst vertoont, kunnen naar gelang van het geval worden geanalyseerd als voordelen (dat is met name het geval voor de grotere vastheid van betrekking of de pensioenregeling, die voordeliger is), of als nadelen (zoals het veranderlijkheidsbeginsel, de discretie- en neutraliteitsplicht of de regeling inzake de cumulatie of de onverenigbaarheden).

Die specifieke kenmerken dienen evenwel alleen in aanmerking te worden genomen in het licht van het onderwerp en de finaliteit van de in het geding zijnde bepalingen. De statutaire ambtenaar die het voorwerp uitmaakt van een ambtsbeëindiging en het contractuele personeelslid dat zijn opzegging krijgt, bevinden zich ten aanzien van de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen in een verschillende situatie. De eerste ziet zijn betrekking gewaarborgd door het feit dat zijn ambt slechts kan worden beëindigd op grond van redenen die uitdrukkelijk in zijn statuut zijn opgesomd. Het vaste karakter van de betrekking vormt aldus een substantieel kenmerk van het statutair ambt. Daaruit volgt voor de overheid die een einde maakt aan een statutaire relatie een verplichting om de bij het statuut bepaalde reden van ontslag afdoende te identificeren en voor de statutaire ambtenaar een recht om bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te stellen. Aangezien dat beroep binnen een termijn van zestig dagen moet worden ingesteld, moet die ambtenaar snel de redenen van de beslissing van de overheid kennen. Het contractuele personeelslid daarentegen is onderworpen aan de regels die van toepassing zijn op de arbeidsovereenkomst, volgens welke elke partij bij de overeenkomst eenzijdig een einde aan de overeenkomst kan maken om vrij gekozen redenen. Een contractuele werknemer beschikt over een termijn van een jaar na de beëindiging van de overeenkomst om bij de arbeidsrechtbank beroep in te stellen. Die termijn biedt hem de mogelijkheid om aan de werkgever te vragen om de redenen van zijn ontslag te kennen. Het Hof beklemtoont dat het bij zijn arrest nr. 101/2016 van 30 juni 2016 heeft gezegd voor recht dat artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, in samenhang gelezen met artikel 38, 2°, van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het van toepassing is op arbeiders in de publieke sector, wanneer het ontslag plaatsvindt na 31 maart 2014. In dat arrest heeft het ook geoordeeld dat « [het] in afwachting van het optreden van de wetgever […] aan de rechtscolleges [toekomt], met toepassing van het algemene verbintenissenrecht, de rechten van alle werknemers in de publieke sector bij een kennelijk onredelijk ontslag zonder discriminatie te vrijwaren, waarbij zij zich in voorkomend geval kunnen laten leiden door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 109 » (B.7.3).

B.10. Uit het voorgaande blijkt dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in de interpretatie volgens welke zij niet van toepassing zou zijn op het ontslag van contractuele personeelsleden van het openbaar ambt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen
Tags Ambtenarenrecht, Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/07/2018

Lage drempel bij Raad van State voor milieuverenigingen

Dit blijkt nogmaals uit het arrest nr. 242.009 van 28 juni 2018 waarbij de milieuvergunning van een crematorium werd aangevochten:

'De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, in rechte optreden ter verdediging
van het doel of de doeleinden waarvoor ze zijn opgericht. Wanneer een VZW, die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor de Raad van State optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en derhalve onderscheiden van het algemeen belang, dat zij optreedt ter verdediging van een collectief belang,dat haar maatschappelijk doel door de bestreden handeling kan worden geraakt, en dat niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

Anders dan de tussenkomende partij aanneemt is het niet vereist dat er daarenboven ook een band van evenredigheid zou bestaan tussen het actieterrein van de verzoekende partij en de territoriale draagwijdte van de aan de milieuvergunning verbonden milieueffecten.

Zowel het in de statuten van de verzoekende partijen opgenomen maatschappelijk doel, als de strekking van het annulatieberoep dat ze hebben ingediend, is ruimer dan de loutere bescherming van de open ruimte.

De vergunde inrichting is een als hinderlijk ingedeelde inrichting klasse 1 wat op zichzelf volstaat voor de verzoekende partijen die zich precies de bescherming van die leefomgeving tot doel hebben gesteld om het vereiste belang te hebben bij het indienen van een annulatieberoep ongeacht welke administratieve rechtshandelingen zij nog of niet bestrijden ter bevordering van hun maatschappelijk doel.

Het al of niet draagkrachtig karakter van de argumenten van de verzoekende partijen betreft de beoordeling van hun middelen.

De excepties worden verworpen.

Het annulatieberoep is ontvankelijk'.

Referentie: PUB5244-3

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Milieurecht, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht