20/07/2015

Ook bestuurlijke lus van Raad van State moet eraan geloven

In het arrest nr. 103/2015 van 16 juli 2015 gaat het Grondwettlijk Hof kritisch door een aantal vernieuwingen in de reglementering van de Raad van State.  Ziehier het persbericht van het Grondwettelijk Hof zelf:

'Met uitzondering van de bestuurlijke lus is de wet over de hervorming van de Raad van State grondwettig 

In zijn arrest nr. 103/2015 van 16 juli 2015 heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over de wet van 20 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State. Die wet omvat allerlei maatregelen om de rechtspleging voor de Raad van State doeltreffender te maken. Het Grondwettelijk Hof vernietigt enkel de bepaling over de bestuurlijke lus; nog twee andere bepalingen zijn enkel grondwettig indien ze worden toegepast zoals bepaald door het Grondwettelijk Hof. De Raad van State vernietigt in principe een bestuurshandeling wanneer hij vaststelt dat die onregelmatig is. De bestuurlijke lus laat daarentegen toe dat het bestuur een kleine onregelmatigheid nog tijdens de administratieve procedure rechtzet. Zoals het Grondwettelijk Hof eerder deed met de bestuurlijke lus in de Vlaamse regelgeving over ruimtelijke ordening, vernietigt het ook de bestuurlijke lus in de wet over de hervorming van de Raad van State. De bestuurlijke lus is om drie redenen ongrondwettig. Allereerst maakt de Raad van State bij het voorstellen van de toepassing van de bestuurlijke lus zijn standpunt over de uitkomst van het geschil kenbaar. Dit doet afbreuk aan het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bovendien wordt het recht op toegang tot de rechter beperkt omdat belanghebbenden geen beroep kunnen instellen tegen de beslissing die met toepassing van de bestuurlijke lus wordt genomen. Ten slotte maakt de bestuurlijke lus het mogelijk dat de bestuurde de motivering van de beslissing pas te weten komt nadat hij reeds een beroep heeft ingesteld. Dit is niet verzoenbaar met de motiveringsplicht van overheden, die de bestuurde net in staat moet stellen om te beoordelen of er aanleiding bestaat om in beroep te gaan tegen een bestuurshandeling. 

De bestreden wet verankert ook de rechtspraak van de Raad van State over het belang bij het middel waardoor de aangevoerde onregelmatigheid in een middel een invloed moet kunnen hebben op de bestreden beslissing. De verzoeker moet dit niet zelf bewijzen. Het is de Raad van State die tot de vaststelling moet komen dat de bestreden bestuurshandeling zonder de aangevoerde procedurefout niet anders had geluid. Volgens het Hof kan deze regeling niet zo worden geïnterpreteerd dat een vereniging die een collectief belang nastreeft, enkel middelen zou kunnen aanvoeren waarbij de vereniging een persoonlijk belang heeft. Tot slot kan deze regeling alleen worden toegepast met eerbiediging van het Europese Unierecht. De eerbiediging van het Europese Unierecht is ook een voorwaarde voor de grondwettigheid van de wetsbepaling die de mogelijkheid voor de Raad van State aanpast 2 om de gevolgen van een vernietigde bestuurshandeling te handhaven. Volgens het Hof van Justitie kan het handhaven van de gevolgen worden belemmerd door het Europese Unierecht. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het handhaven van de gevolgen van een nationale handeling die wegens schending van het Europese Unierecht vernietigd is, enkel door het Hof van Justitie kan worden toegestaan. Indien de Raad van State een handeling of een reglement nietigverklaart wegens schending van het Unierecht, kan hij de gevolgen van die bestuurshandeling dus in beginsel niet handhaven, tenzij bij uitzondering bepaalde restrictieve voorwaarden zijn vervuld, zoals uiteengezet door het Hof van Justitie. Daarenboven moet met het Europese Unierecht ook rekening worden gehouden wanneer de Raad van State een handeling of een reglement nietigverklaart om een andere reden dan een schending van het Europese Unierecht en de gevolgen van die bestuurshandeling handhaaft voor een bepaalde duur. Wanneer een ander rechtscollege niettemin een schending van het Unierecht vaststelt, zal het de bestuurshandeling in principe toch buiten toepassing moeten laten, ondanks het feit dat op dat ogenblik de bestuurshandeling nog bindende kracht heeft wegens de handhaving van de gevolgen van een nietigverklaring door de Raad van State. 

De bestreden bepalingen over de opschorting van de beroepstermijn, de vordering tot schorsing, het mandaat ad litem, het verlies van belang, de termijnverlening, het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding zijn grondwettig volgens het Grondwettelijk Hof'.

Referentie: http://www.const-court.be/public/n/2015/2015-103n.pdf
Zie ook ons eerder blogbericht over de vernietiging van de bestuurlijke lus bij de Raad voor Vergunningsbetwistingfen

Lees hier het bericht op onze blog Grondwettelijk recht.
19/07/2019

Onteigeningen, de Raad voor Vergunningsbetwistingen en Publius

Deze week vernamen we bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat er al 5 onteigeningsdossiers werden gepleit voor de  Raad… en dat ons kantoor in alle 5 betrokken is. :) 

De Raad voor Vergunningsbetwistingen is sedert 1 januari 2019 bevoegd voor de administratieve beroepen tegen definitieve onteigeningsbesluiten.  De Raad van State, die voorheen bevoegd was inzake onteigeningen, behandelt  enkel nog de cassatieberoepen tegen de uitspraken van de RvVb.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Leandra Decuyper, Onteigeningen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/07/2019

Uitzonderingen op de omgevingsvergunningsplicht zijn strikt te interpreteren (2). Over artikel 2 §3 van het Functiewijzigingenbesluit

Het hof van beroep te Antwerpen heeft zich in het arrest van 26 juni 2019 (zie ook vorig blogbericht) uitgesproken over artikel 2, §3 van het besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen, dat bepaalt:

‘Vrijgesteld van deze omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is het in een woongebouw uitoefenen van functies, complementair aan het wonen, zoals kantoorfunctie, dienstverlening en vrije beroepen, verblijfsrecreatie, detailhandel, restaurant, café en bedrijvigheid, mits aan alle van de volgende vereisten voldaan is:

1° het woongebouw is gelegen in een woongebied of in een daarmee vergelijkbaar gebied
2° de woonfunctie blijft behouden als hoofdfunctie
3° de complementaire functie bestaat uit een geringere oppervlakte dan de woonfunctie met een totale maximale vloeroppervlakte van 100 m²
4° de complementaire functie is niet strijdig met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, bouwverordeningen, verkavelingsverordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden’.

Het hof van beroep te Antwerpen spreekt tegen dat in het aan haar voorgelegde geval sprake was van ‘een woongebouw’:

Ook al gaat het met zekerheid over één gebouw, even zeker is, zoals uit de foto’s blijkt, nochtans dat de schuur fysiek afscheidbaar is van het woongedeelte van hetzelfde gebouw en is omgevormd tot feestzaal. De schuur is nooit voor wonen bestemd of gebruikt geweest, nu zij als opslagplaats en garage is gebruikt’.

De uitzonderingsregel kan dus niet gebruikt worden om in een schuur, aansluitend van het woongedeelte, een feestzaal in te richten.

Boeiend is ook de uitspraak van het hof in verband met de berekening van de oppervlakte van 100 m². De exploitant van de feestzaal had een landmeter uitgenodigd om oppervlakkige metingen te doen en als bij toeval bedroeg de feestzaal 99 m².

Het hof stelt zich vragen over het gedeelte van de schuur dat met een houten wand werd dichtgemaakt. Uit de foto’s kan niet met zekerheid worden afgeleid dat deze houten wand kan opengemaakt worden. In ieder geval stelt het hof dat de landmeter ten onrechte de inkomsas met een oppervlakte van 1,7 m² heeft uitgesloten van zijn berekening, ‘terwijl de inkom van de feestzaal zonder twijfel wel deel uitmaakt van de feestzaal’.

Nog frappanter is dat het hof opmerkt dat uit niets blijkt ‘dat de opmetingen van de landmeter rekening hebben gehouden met het terras’. Hieruit kan afgeleid worden dat bij de berekening van de 100 m²-drempel niet enkel rekening moet gehouden worden met de functiewijziging binnen in als met de functiewijziging in open lucht. Het terras werd immers ook door de feestzaal gebruikt.

Referentie: Antwerpen, 26 juni 2019, nr. 2019/6383, ng. (Pub506703-1)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/07/2019

Uitzonderingen op de omgevingsvergunningsplicht zijn strikt te interpreteren (1): Over artikel 7.3 van het Vrijstellingenbesluit

Het hof van beroep te Antwerpen heeft zich in een arrest van 26 juni 2019 uitgesproken over artikel 7.3 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 tot bepaling van de stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is:

‘Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor een tijdelijke wijziging van de hoofdfunctie van een bestaand, hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw, als de tijdelijke functiewijziging een maximale duur van 4 periodes van 30 aaneen gesloten dagen per kalenderjaar niet overschrijdt. Op de eerste dag van de functiewijziging begint de periode van 30 dagen te lopen ongeacht of de functiewijziging de volle 30 dagen gebeurt. De periodes van 30 dagen kunnen aaneengesloten zijn, maar overlappen elkaar niet’.

Het hof van beroep besliste:

‘Uit de stukken, foto’s en aanvragen tot het bekomen van een vergunning uitgaande van mevrouw M. zelf, blijkt dat er van enige tijdelijkheid geen sprake is. De omvorming van de schuur naar feestzaal is definitief en de uitbating van de feestzaal is meer dan tijdelijk, namelijk niet slechts voor 4 maal 30 dagen per jaar. Deze uitzondering op de vergunningsplicht is aldus niet van toepassing’.

De uitspraak van het hof is meer dan interessant. Het blijkt dat artikel 7.3 van het Vrijstellingenbesluit niet kan gebruikt worden om een constructie duurzaam in te richten voor een bepaalde stedenbouwkundige functie, zelfs niet indien de uitbating minder bedraagt dan 4 maal 30 dagen per jaar.

Referentie: Antwerpen, 26 juni 2019, nr. 2019/6383, ng. (Pub506703-1).

 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
05/07/2019

Substituerende milieustakingsvorderingen die werden ingeleid vóór 1 januari 2019 moeten verder behandeld worden

Met blogbericht van 11 september 2019 lieten we u weten:

'Een van de vele innovaties van het Decreet over het lokaal bestuur is dat artikel 194 Gemeentedecreet zondermeer wordt geschrapt. Dit artikel liet toe dat als het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad nalaat in rechte op te treden, een of meer inwoners in rechte kunnen optreden namens de gemeente, mits zij de zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken.  Zowel natuurlijke personen als milieuverenigingen maakten gretig gebruik van dit substituerend vorderingsrecht, in het bijzonder bij de zogenaamde milieustakingsvorderingen.

Artikel 577,50° DLB heft artikel 194 van het Gemeentedecreet op, hetgeen ook meteen het einde inluidt van de substituerende milieustakingsvordering. Deze opheffing treedt in werking op 1 januari 2019. Alle lopende milieustakingsprocedures worden gewoon verder afgehandeld'.

De afschaffing van de zgn. substituerende milieustakingsvordering werd aanbgevochten voor het Grondwettelijk Hof. Er is nog geen uitspraak.

In een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 juni 2019 wordt bevestigd dat de lopende milieustakingsprocedures niet komen te vervallen. Het Antwerpse hof was gevat door een aantal buurtbewoners die namens hun gemeente de sluiting van een onvergunde feestzaal vorderden.  De exploitant van de feestzaal wierp tegen dat het substituerende vorderingsrecht was vervallen. Het hof antwoordt dat niet wordt aangetoond dat de opheffing van artikel 194 Nieuwe Gemeentewet terugwerkende kracht heeft. Doordat de dagvaarding werd ingeleid voor 1 januari 2019, werd de vordering ontvankelijk bevonden.

Het is de inleidende dagvaarding die telt. Na 1 januari 2019 is het (vooralsnog) onmogelijk om een nieuwe substituerende milieustakingsvordering in te leiden.Er is o.i. dus geen beletsel dat na 1 januari 2019 nog beroep wordt aangetekend tegen de uitspraak in eerste aanleg. .  

Referentie: Antwerpen 26 juni 2019, nr. 2019/6383, ng. (PUB506703-1)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Milieustaking
Stel hier je vraag bij dit blogbericht