06/10/2016

Omgevingsvergunning houdt grotendeels stand voor Grondwettelijk Hof

Met arrest nr. 125/2016 van 6 oktober 2016 verwerpt het Grondwettelijk Hof de vernietigingsberoepen van o.a. Natuurpunt  tegen talrijke bepalingen van het decreet van van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. Enige uitzondering is artikel 226 van het Omgevingsdecreet, dat als volgt luidde:

'In artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2002 en gewijzigd bij de decreten van 27 april 2007 en 8 mei 2009, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:

“Voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning of omzetting krachtens artikel 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning moet geen passende beoordeling uitgevoerd worden, tenzij deze loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu vereisen.
In afwijking van het tweede lid, moet wel een passende beoordeling uitgevoerd worden indien de administratie bevoegd voor natuurbehoud in het kader van een omzetting krachtens artikel 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van het betrokken publiek, oordeelt dat er geen passende beoordeling werd uitgevoerd en dat het betrokken project een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken. Indien in het kader van de milieuvergunning waarvan de omzetting krachtens artikel 390 van het voormeld decreet wordt gevraagd, een passende beoordeling werd uitgevoerd of een advies van de administratie bevoegd voor natuurbehoud is verleend waaruit blijkt dat het uitvoeren van een passende beoordeling niet vereist was, is voldaan aan de verplichtingen van artikel 36ter, § 3".'


Het Hof overweegt:

'B.54.3.1. Voor wat de hernieuwing van een omgevingsvergunning of van een gedeelte ervan, betreft, die voor een bepaalde duur is verleend, kan worden aangenomen dat de uitvoering van een passende beoordeling in voorkomend geval, namelijk wanneer het project in kwestie, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een speciale beschermingszone, nodig is teneinde aan de
vergunningverlenende overheid de zekerheid te verschaffen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten, dan wel of voldaan zal kunnen worden aan de vereisten van artikel 6, lid 4, van de Habitatrichtlijn.

Immers, de procedure voor het hernieuwen van een omgevingsvergunning voor bepaalde duur (artikel 70 van het Omgevingsvergunningsdecreet), betreft omgevingsvergunningen die, hoewel zij niet voorkomen in de in het Omgevingsvergunningsdecreet vervatte limitatieve lijst, heel uitzonderlijk slechts voor een bepaalde duur kunnen worden verleend, om diverse redenen (artikel 68, tweede lid, van het Omgevingsvergunningsdecreet).
Hoewel in het door het bestreden artikel 226 gewijzigde artikel 36ter, § 3, tweede lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu uitdrukkelijk wordt bepaald dat het uitvoeren van een passende beoordeling wel verplicht is indien de loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting van een milieuvergunning naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur, betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben, is die bepaling niet voldoende om tegemoet te komen aan de bovenvermelde eisen die door de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn gesteld.

B.54.3.2. Nog specifiek voor wat de omzetting betreft, dient te worden opgemerkt dat de praktijk tot opmaak van de passende beoordelingen gaandeweg is gegroeid, waarbij zowel de kwantiteit als de kwaliteit doorheen de jaren zijn veranderd. Bovendien zijn de passende beoordelingen opgemaakt vanuit de optiek dat een milieuvergunning slechts twintig jaar geldig is en niet voor onbepaalde duur, zoals dat in de regel het geval zal zijn voor de omgevingsvergunning.

Bijgevolg is het niet redelijk verantwoord de scharnierdatum van 10 september 2002 in aanmerking te nemen als datum vanaf wanneer een milieuvergunning als bedoeld in artikel 390 van het Omgevingsvergunningsdecreet en artikel 36ter, § 3, tweede lid, van het decreet van 21 oktober 1997, gewijzigd bij het bestreden decreet, wordt beschouwd als zijnde verleend voor onbepaalde duur, zonder op enige manier in een actualisatie te voorzien.

B.54.3.3. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie komt het aan de nationale rechter toe om, op basis van de gegevens waarover hij beschikt en die hij alleen kan beoordelen, na te gaan of een nieuwe beoordeling van een plan of een project dat gevolgen kan hebben voor een gebied van communautair belang de enige passende maatregel is in de zin van artikel 6, lid 2, van de Habitatrichtlijn, ter voorkoming van de waarschijnlijkheid of het gevaar van een verslechtering van de kwaliteit van habitats of van verstoringen van soorten, die, gelet op de doelstellingen van die richtlijn, een significant effect kunnen hebben (HvJ, 14 januari 2016, C-399/14, Grüne Liga Sachsen e.a., punt 45).

B.54.3.4. Aangezien een passende beoordeling overeenkomstig het Omgevingsvergunningsdecreet niet meer nodig is bij een loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning of een omzetting krachtens artikel 390, die geen betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu vereisen, is artikel 36ter, § 3, tweede lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, zoals vervangen bij artikel 226 van het bestreden decreet, niet bestaanbaar met het recht van de Europese Unie'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Omgevingsvergunning, Passende beoordeling
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
12/04/2019

Schadevergoedingsaanspraak verworpen doordat eiser niet heeft ingeschreven op de nieuwe overheidsopdracht na het door eiser uitgelokt vernietigingsarrest van de Raad van State

In een boeiend vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde van 15 maart 2019, werd de schadeaanspraak van een niet gekozen inschrijver die succesvol de gunningsbeslissing aan een derde had aangevochten voor de Raad van State, verworpen.

De rechtbank argumenteert

‘Op dit punt oordeelt de rechtbank dat de causaliteit tussen de onbetwiste fout van I. en de door V. geldend gemaakt schade verbroken is door de houding van V. zelf.
In de eerste plaats is V. gehouden aan een schadebeperkingsplicht, tweedes is schadeherstel in natura de primaire herstelvorm, financiële schadevergoeding slechts een subsidiaire herstelvorm wanneer herstel in natura onmogelijk of onwenselijk is. Door de heropening van de openbare opdracht heeft I. aan V. – en de andere inschrijvers – herstel in natura geboden en de kans alsnog de opdracht toegewezen te krijgen.
Het is de keuze van V. geweest hierop niet in te gaan, welke reden zij hiertoe ook gehad moge hebben. Deze keuze doorbreekt de causaliteit tussen de ingeroepen fout en de beweerde schade’.

Referentie: Rb. Dendermonde, 15 maart 2019, nr. 2019/3359 (pub505211-2).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsaansprakelijkheid, Rechtsbescherming overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
12/04/2019

Publius wordt aanbevolen door Legal 500 2019!

Publius wordt aanbevolen door Legal 500 2019 in de categorie ‘Environment’. Voor het eerst worden alle Publius vennoten bij naam genoemd!

Dit jaar luidt de commentaar als volgt: ‘Specialist public law firm Publius has a sizeable client roster of public authorities - including federal, regional and local authorities - and it is also highly active in private company engagements as well. Its team undertakes a mix of standalone advisory work, environmental due diligence and litigation. Illustrative of the firm's profile in contentious matters, Steve Ronse and recently promoted partner Meindert Gees are acting for the Flemish government in the national airport noise case, which concerns noise pollution at Zaventem Airport. Other key clients include the City of Kortrijk, Decathlon and Ethias Insurance. Dirk Van Heuven, Günther L’heureux, Jan Beleyn and Sofie Logie are other notable partners.’

Blog Publius Nieuws
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/04/2019

Onverdoofd slachten naar Hof van Justitie

In de zaak over het Vlaamse decreet dat het verbod op onverdoofd slachten invoert, stelt het Grondwettelijk Hof 3 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, vooraleer het zich uitspreekt over de grond van de zaak. Het Grondwettelijk Hof ziet zich daartoe verplicht, aangezien er twijfel is over de interpretatie en de geldigheid van de Europese verordening uit 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden.

Het Grondwettelijk Hof licht het arrest nr. 53/2019 van 4 april 2019 als volgt toe in zijn persnota:

'Bij zijn arrest 53/2019 over het Vlaamse decreet beslist het Hof om drie prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, vooraleer zich uit te spreken over de grond van de zaak. Het Hof is daartoe verplicht wanneer er twijfel is over de interpretatie of de geldigheid van een bepaling van het recht van de Europese Unie die van belang is voor de oplossing van een geschil.

Verschillende verzoekers werpen op dat het verbod op onverdoofd slachten een schending zou inhouden van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in samenhang gelezen met de bepalingen van de Europese verordening nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. Die verordening verplicht in de regel verdoving bij het slachten van dieren. Ritueel slachten zonder voorafgaande verdoving wordt bij wijze van uitzondering toegestaan. Die uitzondering is ingegeven omwille van de vrijheid van godsdienst, die wordt gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De grote kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft dit bevestigd bij zijn arrest van 29 mei 2018 in de zaak C-426/16, waar het zich heeft uitgesproken over de vereiste dat rituele slachtingen zonder verdoving enkel mogen plaatsvinden in een erkend slachthuis. Het Hof stelt vervolgens vast dat de Europese verordening de lidstaten uitdrukkelijk toelaat om nationale voorschriften aan te nemen die de bescherming van dieren bij het doden uitgebreider beschermen dan de verordening zelf voorschrijft.

Het Hof wenst dan ook van het Hof van Justitie te vernemen of die toelating zo kan worden geïnterpreteerd dat de lidstaten een algemeen verbod op onverdoofd slachten, zoals vervat in het Vlaamse decreet, mogen invoeren (eerste prejudiciële vraag). Indien dit volgens het Hof van Justitie het geval zou zijn, vraagt het Hof aan het Hof van Justitie of de verordening in overeenstemming is met de vrijheid van godsdienst, gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (tweede prejudiciële vraag). Tot slot stelt het Hof op verzoek van verscheidene partijen een derde vraag aan het Hof van Justitie, indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord. Het Hof wenst te vernemen of de verordening geen discriminatie veroorzaakt doordat de lidstaten de uitzondering voor religieuze slachtingen kunnen inperken, terwijl het doden van dieren zonder verdoving wel wordt toegelaten bij de jacht, de visvangst en sportieve of culturele evenementen (derde prejudiciële vraag)'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht