20/11/2019

(Nogmaals) De watertoets mag bij het verkavelen niet worden doorgeschoven naar de beoordeling inzake de bouwvergunning

In een blogbericht uit 2011 wezen we al eerder op de verplichting van de vergunningverlenende overheid om zich bij een verkavelingsvergunning op een afdoende gemotiveerde wijze over de watertoets uit te spreken. De zaken zonder meer doorschuiven naar een later tijdstip, bij de beoordeling inzake het daadwerkelijke vergunnen van het effectief bouwen, volstaat niet.

Deze insteek is - na al die jaren - niet gewijzigd en blijft zelfs zeer belangrijk.

Zo werd de Raad van State, in zijn hoedanigheid als cassatierechter, recent geconfronteerd met een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat abstractie lijk te te willen maken van voorgaand principe.

In een cassatiearrest van 16 november 2019 zet de Raad van State (nogmaals) de spreekwoordelijke puntjes op de 'i':

'7. De RvVb verwerpt het middel van de verzoekende partij waarin zij heeft aangevoerd “dat de watertoets gebrekkig is uitgevoerd” en “dat uit de waterparagraaf niet af te leiden valt welke elementen van de verkavelingsaanvraag concreet werden getoetst als ook het onderzoek naar de schade aan het watersysteem van de te verkavelen grond ontbreekt en de gebeurlijke compensatiemaatregelen” op volgende gronden:
- uit de aangehaalde waterparagraaf blijkt dat er een behoorlijke watertoets voorhanden is in de bestreden vergunningsbeslissing;
- de deputatie en de waterbeheerder stellen “dat de bepalingen van de stedenbouwkundige verordeningen inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater dienen nageleefd te worden opdat schadelijke effecten vermeden zouden kunnen worden”;
- de deputatie oordeelt “dat maatregelen voor het opvangen van regenwater zullen genomen moeten worden op het niveau van de stedenbouwkundige vergunning”.

8. Het bestreden arrest dat toestaat dat het onderzoeken van het causaal verband tussen de gevraagde vergunning en de schadelijke effecten wordt uitgesteld “op het niveau van de stedenbouwkundige vergunning” en in die omstandigheden aanneemt dat de waterparagraaf volstaat met de voorwaarde van naleving van voormelde stedenbouwkundige verordeningen “opdat schadelijke effecten vermeden zouden kunnen worden”, schendt het voormelde artikel 8 DIWB.

9. Het eerste middel is gegrond.'
(eigen aanduiding)

Het zonder meer vooruitschuiven van de beoordeling inzake de watertoets bij de beoordeling van de omgevingsvergunnning voor het verkavelen van gronden naar het momentum van de beoordeling van de watertoets bij de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen kon aldus voorheen niet en blijft ook nu niet kunnen.

Er zijn daarbij geen redenen om aan te nemen waarom dit wel plotsklaps wel zou moeten kunnen in het kader van de watertoets uit het Waterwetboek.

05/12/2019

Over intolerantie tot verdoken wraak : stadsinwoonster botst met RvVb en Raad van State

Na talloze procedures tegen een specifieke projectontwikkelaar, besliste een stadsinwoonster om een nieuw veraf gelegen woonproject van dezelfde ontwikkelaar te bestrijden. De deputatie kwam redelijkerwijze tot de vaststelling dat dergelijk beroep onontvankelijk is, de meer dan geruime afstand tussen haar woonplaats en het project indachtig. Zij kon immers onmogelijk de beperkt aangevoerde hinder ondervinden.

Een ontketende leeuw valt niet te temmen en aldus trok de stadsbewoonster naar de Raad voor Vergunningsbetwistingen, alwaar zij per 12 juni 2018 het deksel op de neus kreeg. De Raad oordeelde dat haar belang niet te onderscheiden viel van dat van elke bewoner van het centrum van de stad. Zij woont immers niet in de onmiddellijke nabijheid van het project.

De Raad poneerde verder op adequate wijze:

De stelling dat de parkeerproblematiek zich zal verplaatsen naar de straat [van de stadsinwoonster], is een blote bewering, die nergens concreet wordt onderbouwd en evenmin waarschijnlijk is, gelet op de ruime afstand via de verkeerswegen tussen de straat en het vergunde bouwperceel, waarbij het station bovendien nog een buffer vormt.

En:

De verzoekende partij focust zich in essentie op het volgens haar verzadigd verkeer in de ruime omgeving doch stelt zich in dat opzicht op als behoeder van het algemeen belang, wat de facto neerkomt op een niet-toelaatbare actio popularis.

De stadsinwoonster kon zich opnieuw niet verzoenen met het voor haar nadelig arrest, waarna zij (onbegrijpelijkerwijze) cassatieberoep instelde. In het navolgend arrest van de Raad van State van 10 juli 2019 werd de deur voor de stadsbewoonster definitief gesloten.

Wie wraak zoekt, maakt best twee graven klaar.

Gepost door Isabelle Verhelle

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Isabelle Verhelle
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
03/12/2019

Guillaume Vyncke schrijft noot over de verantwoordelijkheid van een eigenaar bij het doorbreken van een stakingsbevel (RABG 2019-15, 1339-1345)

Guillaume bespreekt het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Dendermonde van 22 februari 2019.

In het geannoteerde vonnis gaat de rechtbank in op de vraag in welke mate een eigenaar van een verhuurd onroerend goed (nog) kan worden aangesproken voor de betaling van een administratieve geldboete bij het doorbreken van een eerder verleend bevel tot staken. In casu resideerde de eigenaar van de grond voor het overgrote deel van het jaar in het buitenland en voerde deze aan dat niet hijzélf, maar zijn huurder, het stakingsbevel had doorbroken. De rechtbank concludeerde dat de eigenaar - eisende partij in de procedure - in zijn beperkte mogelijkheden het nodige had gedaan om zijn huurder aan te sporen de doorbreking van het stakingsbevel stop te zetten, waardoor de administratieve geldboete hem niet ten laste kon worden gelegd.

Blog Publius Nieuws
Tags Guillaume Vyncke, Handhaving stedenbouw, VCRO, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/12/2019

Verzoek tot behoud gevolgen vernietigingsarrest: streng en uitzonderlijk

Artikel 14, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State biedt aan een procespartij de mogelijkheid om de vordering tot behoud van de gevolgen van de bestreden akte uiterlijk in de laatste memorie te formuleren.

Er moet bewezen worden dat de vernietiging, specifiek vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid, onaanvaardbare gevolgen zal hebben en dat, om uitzonderlijke redenen, weliswaar een tempering kan worden gerechtvaardigd van een onvoorwaardelijke nietigverklaring door de uitwerking ervan in de tijd te moduleren. Het kan niet worden aanvaard dat via dit artikel de gevolgen van de nietigverklaring volledig teniet worden gedaan en het arrest dat de nietigverklaring uitspreekt, wordt uitgehold.

In een zaak die geleid heeft tot een arrest van de Raad van State van 21 november 2019 wordt het ingeroepen artikel 14ter afgewezen met navolgende motivering:

In dit geval maken de tussenkomende partijen slechts in algemene bewoordingen gewag van onredelijke nadelen op economisch, sociaal en financieel vlak. De precieze omvang van die nadelen wordt echter niet behoorlijk gestaafd noch toegelicht. Daarom bestaat er geen dwingende reden om aan te nemen dat de gevolgen van de vernietiging van de bestreden beslissing zo uitzonderlijk zijn dat ze moeten worden getemperd met toepassing van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Een nauwkeurige en concrete aanduiding van de nadelige gevolgen, gestaafd met onbetwistbare documenten én in relatie tot de rechtszekerheid, is aldus het minimum minimorum teneinde artikel 14ter RvS-wet succesvol te kunnen inroepen.

Gepost door Isabelle Verhelle

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Isabelle Verhelle
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/11/2019

Beleidsplan Vlaams-Brabant ligt ter inzage

Zoals in een eerder blogbericht reeds aangekondigd http://www.publius.be/nl/wat/publius-blogs/provinciale-beleidsplannen-belangrijk-voor-retailsector/ ligt thans ook de conceptnota ‘Provinciaal Beleidsplan Vlaams-Brabant’ ter inzage. Meer informatie kan teruggevonden worden op https://www.vlaamsbrabant.be/wonen-milieu/wonen-en-ruimtelijke-ordening/structuurplan-uitvoeringsplannen/beleidsplan-ruimte-vlaams-brabant/index.jsp. Input op de conceptnota kan geformuleerd worden van 1 december 2019 tot en met 14 februari 2020. Opmerkingen bij de kennisgevingsnota kunnen geformuleerd worden binnen 60 dagen vanaf 1 december 2019.

Gepost door Günther L'heureux

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Günther L'heureux, RUP, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
28/11/2019

Bezint eer ge begint: als aanvrager heeft een UDN-procedure tegen een vergunningsweigering zo goed als geen slaagkans

Geheel terecht heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen op 10 juli 2019 een schorsingsvordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid afgewezen wegens het gebrek aan enig nuttig effect wanneer een vergunningsweigering in laatste administratieve aanleg voorligt. De RvVb overwoog dienaangaande op pertinente wijze:

De schorsing (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) van de tenuitvoerlegging van de in laatste administratieve aanleg genomen weigeringsbeslissing heeft in beginsel geen nuttig effect voor verzoekende partij als aanvrager van de vergunning, gezien een schorsing niet noodzakelijk tot gevolg heeft dat zij de uitbating van de groothandel op wettige wijze kan verderzetten. Zij beschikt alsdan nog steeds niet over de met haar aanvraag beoogde omgevingsvergunning voor onder meer de functiewijziging. Een eventuele schorsing impliceert evenmin dat verwerende partij er principieel toe is gehouden om de geschorste weigeringsbeslissing (in te trekken en) te heroverwegen, laat staan dat zij alsdan een nieuwe positieve beslissing moet nemen, en met name een (regularisatie)vergunning moet verlenen aan verzoekende partij.

De bedoeling van verzoekende partij om verwerende partij ertoe aan te zetten om de bestreden beslissing te heroverwegen met inachtneming van het gezag van gewijsde van het schorsingsarrest miskent overigens de finaliteit van de (uitzonderlijke) procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, terwijl de beweerde onwettigheid van de bestreden beslissing in beginsel op zich geen element vormt waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering kan worden gesteund.

Ook een gewone schorsing zal in dezelfde omstandigheden (zijnde een vergunningsweigering in laatste administratieve aanleg als aanvrager) weinig soelaas brengen. Een verwittigd man is er twee waard.

Gepost door Isabelle Verhelle

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Isabelle Verhelle
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags