01/06/2018

Niet de formele, maar wel de materiële motiveringsplicht geldt voor stilzwijgende weigeringsbeslissingen

Zo blijkt uit het arrest nr. RvVb/A/1718/0863 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 15 mei 2018:

‘De Raad merkt op dat de verzoekende partij in haar betoog de schending opwerpt van artikel 2 en 3 van de Motiveringswet. Anders dan wat verzoekende partij poneert, is deze wet echter niet van toepassing op stilzwijgende beslissingen en kan er bijgevolg geen sprake zijn van de schending van de formele motiveringsplicht.

Op een stilzwijgende beslissing is wel de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van toepassing samen met het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als onderdeel van de materiële motiveringsplicht. Het beginsel van de materiële motiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan, wat ondermeer betekent dat die motieven moeten steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld.’.

Vervolgens stelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen vast dat ‘verwerende partij, door haar stilzwijgende weigeringsbeslissing,  zonder enige motivering de beroepsargumenten van verzoekende partij en de administratieve procedure heeft afgewezen.
Bovendien wordt de stilzwijgende weigeringsbeslissing van verwerende partij gekenmerkt door een kennelijk onzorgvuldigheid van de toetsing van het aangevraagde project aan de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening. Elke toets van de verenigbaarheid van het aangevraagde project met de stedenbouwkundige voorschriften en met de goede ruimtelijke ordening zoals voorgeschreven in artikel 4.3.1, §1 VCRO en een onderzoek van de argumentatie van de verzoekende partij hierover ontbreekt immers in de beslissing.

Het gegeven dat de provinciale stedenbouwkundig ambtenaar in een gemotiveerd verslag voorstelde om het beroep af te wijzen en de gevraagde stedenbouwkundige vergunning te weigeren, kan aan de voormelde gebreken in de bestreden beslissing niet verhelpen. De verzoekende partij heeft in haar replieknota overigens uitgebreid geantwoord op het verslag van de provinciale stedenbouwkundig ambtenaar. De Raad kan niet beoordelen in welke mate de vergunningverlenende overheid het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar is bijgetreden en in welke mate rekening is gehouden met de tegenargumentatie van verzoekende partij. Dit blijkt immers nergens uit de stilzwijgende beslissing.’.

Referentie: Pub1601-11

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Motivering, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/10/2018

Habitattoets ook bij 'natuurparkings' vereist!

De Raad van State vernietigt met zijn arrest nr. 242.577 van 9 oktober 2018 het besluit van 25 juli 2016 van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kemmelberg’. De Raad van State stelt in dit arrest vast dat het plan in de ontwikkeling van een parkeerzone van maximaal 2750m² verharde oppervlakte voor 60 voertuigen voorziet, in een gebied dat met het besluit van de Vlaamse regering van 23 april 2014 als een speciale beschermingszone “BE2500003 West-Vlaams Heuvelland” is afgebakend. De Raad is van oordeel dat de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid en de provincie er niet mochten van uitgaan dat er geen risico op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze zone is:

'5.3. Een ruimtelijk uitvoeringsplan is, zoals elke bestuurshandeling, onderworpen aan de materiëlemotiveringsverplichting, hetgeen inhoudt dat het moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die blijken, hetzij uit het ruimtelijk uitvoeringsplan zelf, hetzij uit de stukken van het dossier.

5.4. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens en de op het spel staande belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen in het licht van het doel van het besluit.

(...)

5.7. Verzoeker betoogt, zoals ook aangevoerd in zijn bezwaarschrift,  dat de aanleg van een parking voor 60 voertuigen de toekomstige invulling van het habitatrichtlijngebied hypothekeert.

5.8. Terecht stelt verzoeker dat het argument van de Procoro dat zich op de kwestieuze locatie momenteel geen habitat zou bevinden, zijn voormelde kritiek niet weerlegt, nu de instandhoudingsdoelstellingen een “stijging” van de natuurwaarden beogen. Het argument van de Procoro dat volgens het advies van de afdeling Natuur en Bos geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur “in het VEN” zal worden veroorzaakt, toont voorts evenmin aan dat de aanleg van de kwestieuze parking de toekomstige invulling van het “habitatrichtlijngebied” niet vermag te hypothekeren.

Dat de aanleg van de kwestieuze parking in habitatgebied toelaat om elders bestaande parkings te “supprimeren” en het vervangen van die parkings door één grote groene parking ten voordele komt van het gehele habitatrichtlijngebied, komt de Raad van State dan weer voor als een “compenserende maatregel” in de zin van artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn, waarvoor de bij deze bepaling gestelde voorwaarden niet blijken
te zijn vervuld.

5.9. De door de verwerende partij aangevoerde omstandigheid dat de instandhoudingsdoelstellingen gerealiseerd zullen worden “in het natuurgebied” van het PRUP, dat zij het initiatief zal nemen om dit zoveel als mogelijk op haar gronden te realiseren, en dat in de “creatie van ca. 170 ha extra natuurgebied” wordt voorzien, overtuigen er voorts evenmin van dat de toekomstige invulling van het habitatrichtlijngebied door de kwestieuze parkeerlocatie niet kan gehypothekeerd worden.

5.10. Gelet op het voormelde, vermocht de dienst Mer, daarin bijgetreden door de plannende overheid, er niet met goed gevolg van uitgaan dat er geen risico op een betekenisvolle aantasting van de actuele “en potentieel te realiseren” habitats bestaat en dat “een passende beoordeling [dus] niet nodig is”.'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags MER, Meindert Gees, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/10/2018

Kunnen oude constructies nog geviseerd worden in het kader van een herstelvordering voor nieuwe constructies?

Het antwoord op deze vraag is bevestigend als er gewaagd kan worden van eenzelfde eenheid van opzet en/of er sprake is van een zgn. voortgezet misdrijf.

Minister Schauvliege werd recent door Vlaams parlementslid Lode Ceyssens in dit opzicht bevraagd over de verjaring van de herstelvordering.

De vraag betrof het geval waarin er zich diverse onvergunde constructies op een site bevinden, waarbij er zich een geruime tijd bevindt tussen de oprichting van de oude constructies en de oprichting van de nieuwe:

‘Stel dat er na het verstrijken van de verjaringstermijn van de op het terrein aanwezige constructies, constructies worden bijgeplaatst, bijvoorbeeld een afzonderlijk bijgebouw.

Indien de herstelvorderende overheid in zo’n geval zou ageren naar aanleiding van de recente misdrijven, beschikt zij dan over de mogelijkheid om de oude misdrijven mee te nemen, en ook hiervan herstel te vragen?’

De minister antwoordde op 2 oktober 2018 het volgende :

‘Artikel 6.3.1, tweede lid VCRO stelt dat het bevolen herstel steeds de volledige illegaliteit ter plaatse dekt, ook al werd die mee veroorzaakt door stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken die niet bij de rechter aanhangig zijn. Dit is eigenlijk een letterlijke overname van wat het Hof van Cassatie heeft uitgesproken in een arrest van 24 april 2012 (P11.1061N). Het ging over in de tijd opeenvolgende verbouwingen zonder vergunning door verschillende opeenvolgende eigenaars aan dezelfde constructie. De laatste werd veroordeeld tot het integrale herstel, ook al had hij de eerste aanpassingen niet zelf uitgevoerd. Ervan uitgaande dat er geen eenheid van opzet speelt zoals bedoeld in artikel 65 van het Strafwetboek, zal een tijdig ingestelde en ontvankelijke herstelvordering met betrekking tot de oprichting van een constructie niet tot gevolg hebben dat een herroepelijk verjaarde herstelvordering, met betrekking tot eerder opgerichte andere constructies, alsnog herleeft. Er zal dus moeten nagegaan worden tot hoe ver “het geheel” zich strekt en meer in concreto vanaf wanneer iets niet tot dezelfde schade behoort en afsplitsbaar is.’

[eigen aanduiding]

Er zal zodus in ieder afzonderlijk dossier moeten worden onderzocht of er nu sprake is van eenzelfde opzet tussen de misdrijven. Dit betreft aldus een feitenappreciatie die moet worden gemaakt.

Enkel in de veronderstelling dat het eenheid van opzet niet voorhanden is, zou de hierboven aangehaalde verjaring kunnen intreden.

De minister werd in dit opzicht ook bevraagd over de impact van de notie van het voortgezet misdrijf  in de adviespraktijk van de Hoge Raad van de Handhavingsuitvoering (sinds 1 maart 2018 de opvolger van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid) in de gemaakte dergelijke veronderstelling met oude en nieuwe constructies..

De minister antwoordde dat het aan het Openbaar Ministerie en desgevallend de rechtbank toekomt om een uitspraak te doen over de aanwezigheid van een voortzettingsmisdrijf en de evt. aanwezige verjaring:

‘Het is inderdaad zo dat zolang de strafvordering niet verjaard is, de herstelvordering in principe volgens artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering niet kan verjaren. Het al dan niet kunnen kwalificeren van verschillende feiten als een voortgezet misdrijf wordt soeverein door de feitenrechter geapprecieerd. Op uw vraag over hoe de Hoge Raad hiermee omgaat in haar adviespraktijk, geeft de Hoge Raad aan dat het Openbaar Ministerie en, indien de zaak voor de rechter wordt gebracht, de rechter met voldoende kennis van zaken kunnen oordelen over de verjaring van zowel de strafvordering als de herstelvordering. Hoewel de Hoge Raad bij het verlenen van advies onder andere rekening houdt met het tijdsverloop sinds de bouwovertreding werd begaan, spreekt de Hoge Raad zich nooit uit over de mogelijke verjaring. Zo is het principieel niet uitgesloten dat de Hoge Raad een positief advies verleent over een herstelvordering waarbij de rechter later vaststelt dat de feiten verjaard zijn.’

[eigen aanduiding]

De volledige vraagstelling en antwoord vindt u hier.

Gepost door Meindert Gees

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Handhaving stedenbouw, Meindert Gees, Omgevingsvergunning, Verjaring, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/10/2018

HR update: 20 Publius-advocaten!

Publius heeft het nieuw gerechtelijk jaar goed ingezet met de komst van 4 nieuwe stagiairs.

Celine Van De Velde versterkt het Kortrijkse team en is de nieuwe stagiaire van Jan Beleyn. Zij zal zich hoofdzakelijk toespitsen op het omgevingsrecht, vastgoed en aannemingsrecht.

Achille Hannoset en Astrid Versmissen zorgen voor versterking in Antwerpen en worden de nieuwe stagiairs van Dirk Van Heuven. Achille zal zich voornamelijk focussen op het omgevingsrecht. Astrid verdiept zich vooral in het overheidsopdrachtenrecht en het ambtenarenrecht.

Brussel krijgt er ook een extra kracht bij. De tweetalige Marie-Louise Ricker wordt de nieuwe stagiaire van Günther L’heureux. Zij zal zich kunnen bekwamen in het algemeen administratief recht met de nadruk op omgevingsrecht en overheidsopdrachtenrecht.

Hiermee wordt de kaap van 20 Publius-advocaten bereikt. Sinds 2007 is het aantal advocaten verviervoudigd en het aantal kantoren verdrievoudigd. Publius legt zich toe op het publiek recht en de publieke sector en is een van de grootste spelers binnen zijn niche. Het spreekt voor zich dat we deze groei willen voortzetten.

Blog Publius Nieuws
Tags Celine Van De Velde, Marie-Louise Ricker
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/10/2018

Wijzigingsbesluit RO definitief goedgekeurd

Vrijdag 28 september 2018 keurde de Vlaamse Regering het verzamelbesluit ruimtelijke ordening definitief goed (het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake ruimtelijke ordening, ruimtelijke veiligheidsrapportage en milieueffectrapportage). 

Dit besluit wijzigt onder meer de vrijgestelde handelingen, de handelingen die als handeling van algemeen belang beschouwd worden, de vergunningsplichtige functiewijzigingen en de handelingen waarvoor de medewerking van een architect vereist is. 

Daarnaast voert dit besluit ook nog enkele technische aanpassingen en correcties door.

Klik hier voor meer info, het wijzigingsbesluit en het bijhorende verslag vindt u op de website van de Vlaamse Regering. 

Deze wijzigingen treden in werking 10 dagen na de publicatie van het wijzigingsbesluit in het Belgisch Staatsblad

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Merlijn De Rechter, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/09/2018

Overheid niet langer strafrechtelijk immuun

Met de wet van 11 juli 2018 tot wijziging van een strafwetboek is de strafrechtelijke immuniteit van publiekrechtelijke rechtspersonen opgeheven.

Artikel 7 bis van het Strafwetboek luidt thans als volgt:

‘De straffen toepasselijk op misdrijven gepleegd door rechtspersonen, met uitsluiting van publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in het derde lid, zijn:

In criminele zaken, in correctionele zaken en in politiezaken:
1° geldboete;
2° bijzondere verbeurdverklaring; de bijzondere verbeurdverklaring, bepaald in artikel 42, 1°, uitgesproken ten aanzien van publiekrechtelijke rechtspersonen kan enkel betrekking hebben op goederen die vatbaar zijn voor burgerlijk beslag.

In criminele en correctionele zaken:
1° ontbinding; deze kan niet worden uitgesproken ten aanzien van de publiekrechtelijke rechtspersoon;
2° verbod een werkzaamheid die deel uitmaakt van het maatschappelijk doel te verrichten, met uitzondering van werkzaamheden die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening;
3° sluiting van een of meer inrichtingen, met uitzondering van de inrichtingen waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening;
4° bekendmaking of verspreiding van de beslissing.]1

Ten aanzien van de Federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kan enkel, met uitsluiting van elke andere straf, de eenvoudige schuldigverklaring worden uitgesproken.’

De wetgever hoopt dat dankzij de (beperkte) strafrechtelijke aansprakelijkheid van overheden, pijnlijke processen tegen in het bijzonder gemeentemandatarissen kunnen vermeden worden. Bekend is het geval van de burgemeester van de stad Damme die na een dodelijk verkeersongeval op een onveilig kruispunt zich moest verantwoorden voor de strafrechter.

Let wel: de overheid kan hoogstens veroordeeld worden tot een eenvoudige schuldigverklaring. Voor de burgerlijke partijen wordt het evewnwel eenvoudiger om schadevergoeding van de betrokken overheid te bekomen, omdat zij niet langer de bewijslast moeten dragen van de fout van de publiekelijke rechtspersoon.

Referentie: S. Keunen, ‘Publiekrechtelijke rechtspersonen genieten niet langer strafrechtelijke immuniteit’, De Juristenkrant, 12 september 2018, 9.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsaansprakelijkheid, Strafrecht & strafvordering
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags