19/02/2018

Hof van Justitie: detailhandel wordt gevat door de Dienstenrichtlijn

In onze eerdere blogberichten 'Zijn assortimentsbeperkingen voor detailhandel in ruimtelijke uitvoeringsplannen strijdig met de Dienstenrichtlijn?' en 'Advocaat-generaal bij het Hof van Justitie: detailhandel wordt wel degelijk gevat door de Dienstenrichtlijn' lichtten we reeds kort de feiten en de conclusie van de advocaat-generaal M. Spunar toe.

Nu heeft ook het Hof van Justitie in zijn arrest van 30 januari 2018 in het kader van de gevoegde prejudiciële zaken C-360/15 en C-31/16 bevestigd dat detailhandel wordt gevat door de Dienstenrichtlijn:

' 84    Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in essentie te vernemen of artikel 4, punt 1, van richtlijn 2006/123 aldus moet worden uitgelegd dat de activiteit bestaande in detailhandel in goederen als schoenen en kleding een „dienst” is waarop de bepalingen van die richtlijn van toepassing zijn

 85     Blijkens het verzoek om een prejudiciële beslissing houdt de twijfel van de verwijzende rechterlijke instantie dienaangaande hoofdzakelijk verband met de omstandigheid dat het Hof in het arrest van 26 mei 2005, Burmanjer e.a. (C‑20/03, EU:C:2005:307, punten 33‑35), heeft geoordeeld dat een nationale regeling voor ambulante verkoop die betrekking heeft op de voorwaarden voor het op de markt brengen van een bepaald soort goederen, onder de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van goederen, en niet onder die inzake het vrij verrichten van diensten valt.

 86     Zoals in punt 58 van het onderhavige arrest is opgemerkt, is richtlijn 2006/123 overeenkomstig artikel 2, lid 1, ervan van toepassing op de diensten van dienstverrichters die in een lidstaat zijn gevestigd, met uitsluiting van de in artikel 2, leden 2 en 3, ervan bedoelde activiteiten en aangelegenheden.

 87     Bovendien wordt overeenkomstig artikel 4, punt 1, van die richtlijn voor de toepassing van deze laatste onder „dienst” verstaan elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 57 VWEU.

 88     In het onderhavige geval lijdt het geen twijfel dat de activiteit van detailhandel in het hoofdgeding in de eerste plaats een economische activiteit anders dan in loondienst tegen vergoeding vormt en in de tweede plaats niet valt onder de uitsluitingen van de werkingssfeer van richtlijn 2006/123 bedoeld in artikel 2, leden 2 en 3, van deze laatste. Bovendien worden werkzaamheden van commerciële aard in artikel 57 VWEU uitdrukkelijk vermeld op de niet-uitputtende lijst van verrichtingen die dat artikel als diensten definieert.

 89     Voor het overige wordt in overweging 33 van richtlijn 2006/123 beklemtoond dat de diensten waarop deze richtlijn betrekking heeft, zeer diverse, voortdurend veranderende activiteiten betreffen, met de uitdrukkelijke vermelding dat tot die activiteiten diensten behoren die zowel aan bedrijven als aan particulieren worden verleend, zoals de distributiehandel.

 90     Aangezien in het hoofdgeding de handel in goederen aan de orde is, moet er nog op worden gewezen dat overweging 76 van richtlijn 2006/123, onder verwijzing naar de verhouding tussen deze richtlijn en de artikelen 34 tot en met 36 VWEU, betreffende het vrije verkeer van goederen, enkel preciseert dat de beperkingen waarop zij betrekking heeft eisen met betrekking tot de toegang tot of de uitoefening van dienstenactiviteiten en niet eisen ten aanzien van de goederen zelf betreffen. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, betreffen de voorschriften van het bestemmingsplan in het hoofdgeding niet de goederen zelf, maar de voorwaarden voor de geografische ligging van activiteiten in verband met de verkoop van bepaalde goederen, dus de voorwaarden voor toegang tot die activiteiten.

 91     In die omstandigheden moet de activiteit bestaande in de detailhandel in goederen als schoenen en kleding worden geacht onder het begrip „dienst” in de zin van artikel 4, punt 1, van die richtlijn te vallen.

 92     Aan die uitlegging kan niet afdoen de door de verwijzende rechterlijke instantie vermelde rechtspraak van het Hof aangaande de verhouding tussen enerzijds de bepalingen van het VWEU betreffende het vrij verrichten van diensten en anderzijds die betreffende de overige door dat Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden, die niet kan worden getransponeerd voor de bepaling van de werkingssfeer van richtlijn 2006/123.

 93     Wanneer in navolging van de Nederlandse regering werd aanvaard dat die richtlijn niet van toepassing is wanneer de omstandigheden van het betrokken geval verband houden met de vrijheid van vestiging, zou daarmee, zoals de advocaat-generaal in punt 76 van zijn conclusie opmerkt, aan hoofdstuk III van die richtlijn, betreffende de vrijheid van vestiging van dienstverrichters, zijn werkingssfeer en daarmee aan die richtlijn, die belemmeringen voor de uitoefening van de vrijheid van vestiging beoogt weg te nemen, haar nuttige werking kunnen worden ontnomen.

 94     Meer in het algemeen draagt het feit dat de toepasselijkheid van richtlijn 2006/123 niet afhangt van een voorafgaande analyse van het gewicht van het aspect betreffende het vrij verrichten van diensten gelet op de omstandigheden van iedere zaak, bij tot de verwezenlijking van de doelstelling van rechtszekerheid die die richtlijn beoogt te waarborgen, zoals uit overweging 5 ervan blijkt.

 95     Een dergelijke analyse zou bovendien een zeer bijzondere ingewikkeldheid meebrengen voor de detailhandel in goederen, die thans behalve de rechtshandeling verkoop een toenemend aantal nauw met elkaar verband houdende activiteiten of diensten omvat die tot doel hebben om de consument ertoe aan te zetten die handeling met een bepaalde marktdeelnemer en niet met een andere te verrichten, hem advies te geven en hem bij te staan bij het verrichten van die handeling alsook klantenservice aan te bieden, en die afhankelijk van de betrokken winkelier aanzienlijke verschillen kunnen vertonen.

 96     Bovendien zou, indien een nationale maatregel gelijktijdig aan de bepalingen van richtlijn 2006/123 en aan de bepalingen van het VWEU werd getoetst, voor het geval dat onmogelijk kan worden bepaald of de met het vrij verrichten van diensten verband houdende aspecten zwaarder wegen dan die verband houdend met andere fundamentele vrijheden, dat erop neerkomen dat een onderzoek van geval tot geval op grond van het primaire recht wordt ingevoerd, waarmee de door die richtlijn nagestreefde doelgerichte harmonisatie zou worden ondermijnd (zie in die zin arrest van 16 juni 2015, Rina Services e.a., C‑593/13, EU:C:2015:399, punten 37 en 38).

 97     Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 4, punt 1, van richtlijn 2006/123 aldus moet worden uitgelegd dat de activiteit bestaande in detailhandel in goederen, voor de toepassing van die richtlijn een „dienst” vormt.'

Verder in het arrest van het Hof van Justitie luidt het dat (a) er voor de toepasselijkheid van de Dienstnerichtlijn geen sprake hoeft te zijn van een internationale dimentsie en (b) assortimentsbeperkingen in bestemmingsplannen mogelijk zijn, maar moeten voldoen aan de eisen van artikel 15, 3de lid van de Europese Dienstenrichtlijn dat als volgt luidt:

'De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel;
b) noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
c) evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt.'

Het komt volgens het Hof van Justitie en conform artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn derhalve de lidstaten - en de nationale rechter - toe te toetsen of in geval van assortimentsbeperkingen in bestemmingsplannen aan de 3 voorwaarden van artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn voldaan is.

Het Hof van Justitie heeft wél in zoveel woorden gesteld dat indien de voorschriften in een bestemmingsplan de bedoeling hebben de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden of leegstand in binnenstedelijk gebied te voorkomen, dat er sprake kan zijn van een dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheidseis).

Ook in Vlaanderen bestaan er veel bestemmingsplannen die in assortimentsbeperkingen voorzien en vaak verantwoord worden vanuit het oogmerk om de leefbaarheid van het stadscentrum te beschermen. Ook in deze gevallen lijkt alvast aan de noodzakelijkheidsvereiste voldaan. Rest evident nog de toets aan de non-discriminatie-eis en de redelijkheidseis...

Mogelijks wringt het schoentje bij de toets aan de redelijkheidseis van artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn, nu zal moeten kunnen aangetoond worden dat het doel - zijnde de bescherming van de leefbaarheid van het stadscentrum - niet met andere, minder beperktende maatregelen kan worden bereikt.

We zijn alvast benieuwd hoe de Nederlandstalige Raad van State zal omgaan met het prejudicieel arrest en de evenredigheidstoets zal beoordelen.

Wij houden u evident verder op de hoogte!

 

 

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dienstenrichtlijn, Handelsvestigingen, Integraal handelsvestigingenbeleid, Leandra Decuyper
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
12/04/2019

Schadevergoedingsaanspraak verworpen doordat eiser niet heeft ingeschreven op de nieuwe overheidsopdracht na het door eiser uitgelokt vernietigingsarrest van de Raad van State

In een boeiend vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde van 15 maart 2019, werd de schadeaanspraak van een niet gekozen inschrijver die succesvol de gunningsbeslissing aan een derde had aangevochten voor de Raad van State, verworpen.

De rechtbank argumenteert

‘Op dit punt oordeelt de rechtbank dat de causaliteit tussen de onbetwiste fout van I. en de door V. geldend gemaakt schade verbroken is door de houding van V. zelf.
In de eerste plaats is V. gehouden aan een schadebeperkingsplicht, tweedes is schadeherstel in natura de primaire herstelvorm, financiële schadevergoeding slechts een subsidiaire herstelvorm wanneer herstel in natura onmogelijk of onwenselijk is. Door de heropening van de openbare opdracht heeft I. aan V. – en de andere inschrijvers – herstel in natura geboden en de kans alsnog de opdracht toegewezen te krijgen.
Het is de keuze van V. geweest hierop niet in te gaan, welke reden zij hiertoe ook gehad moge hebben. Deze keuze doorbreekt de causaliteit tussen de ingeroepen fout en de beweerde schade’.

Referentie: Rb. Dendermonde, 15 maart 2019, nr. 2019/3359 (pub505211-2).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsaansprakelijkheid, Rechtsbescherming overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
12/04/2019

Publius wordt aanbevolen door Legal 500 2019!

Publius wordt aanbevolen door Legal 500 2019 in de categorie ‘Environment’. Voor het eerst worden alle Publius vennoten bij naam genoemd!

Dit jaar luidt de commentaar als volgt: ‘Specialist public law firm Publius has a sizeable client roster of public authorities - including federal, regional and local authorities - and it is also highly active in private company engagements as well. Its team undertakes a mix of standalone advisory work, environmental due diligence and litigation. Illustrative of the firm's profile in contentious matters, Steve Ronse and recently promoted partner Meindert Gees are acting for the Flemish government in the national airport noise case, which concerns noise pollution at Zaventem Airport. Other key clients include the City of Kortrijk, Decathlon and Ethias Insurance. Dirk Van Heuven, Günther L’heureux, Jan Beleyn and Sofie Logie are other notable partners.’

Blog Publius Nieuws
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/04/2019

Onverdoofd slachten naar Hof van Justitie

In de zaak over het Vlaamse decreet dat het verbod op onverdoofd slachten invoert, stelt het Grondwettelijk Hof 3 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, vooraleer het zich uitspreekt over de grond van de zaak. Het Grondwettelijk Hof ziet zich daartoe verplicht, aangezien er twijfel is over de interpretatie en de geldigheid van de Europese verordening uit 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden.

Het Grondwettelijk Hof licht het arrest nr. 53/2019 van 4 april 2019 als volgt toe in zijn persnota:

'Bij zijn arrest 53/2019 over het Vlaamse decreet beslist het Hof om drie prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, vooraleer zich uit te spreken over de grond van de zaak. Het Hof is daartoe verplicht wanneer er twijfel is over de interpretatie of de geldigheid van een bepaling van het recht van de Europese Unie die van belang is voor de oplossing van een geschil.

Verschillende verzoekers werpen op dat het verbod op onverdoofd slachten een schending zou inhouden van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in samenhang gelezen met de bepalingen van de Europese verordening nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. Die verordening verplicht in de regel verdoving bij het slachten van dieren. Ritueel slachten zonder voorafgaande verdoving wordt bij wijze van uitzondering toegestaan. Die uitzondering is ingegeven omwille van de vrijheid van godsdienst, die wordt gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De grote kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft dit bevestigd bij zijn arrest van 29 mei 2018 in de zaak C-426/16, waar het zich heeft uitgesproken over de vereiste dat rituele slachtingen zonder verdoving enkel mogen plaatsvinden in een erkend slachthuis. Het Hof stelt vervolgens vast dat de Europese verordening de lidstaten uitdrukkelijk toelaat om nationale voorschriften aan te nemen die de bescherming van dieren bij het doden uitgebreider beschermen dan de verordening zelf voorschrijft.

Het Hof wenst dan ook van het Hof van Justitie te vernemen of die toelating zo kan worden geïnterpreteerd dat de lidstaten een algemeen verbod op onverdoofd slachten, zoals vervat in het Vlaamse decreet, mogen invoeren (eerste prejudiciële vraag). Indien dit volgens het Hof van Justitie het geval zou zijn, vraagt het Hof aan het Hof van Justitie of de verordening in overeenstemming is met de vrijheid van godsdienst, gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (tweede prejudiciële vraag). Tot slot stelt het Hof op verzoek van verscheidene partijen een derde vraag aan het Hof van Justitie, indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord. Het Hof wenst te vernemen of de verordening geen discriminatie veroorzaakt doordat de lidstaten de uitzondering voor religieuze slachtingen kunnen inperken, terwijl het doden van dieren zonder verdoving wel wordt toegelaten bij de jacht, de visvangst en sportieve of culturele evenementen (derde prejudiciële vraag)'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
31/03/2019

Verzwaarde motiveringsplicht bij afbraak geïnventariseerd onroerend erfgoed

Dit wordt als volgt verwoord in het arrest nr RvVb-A-1819-0711 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 12 maart 2019:

'De verwerende partij is door [het advies van het agentschap Onroerend Erfgoed] niet gebonden en kan hiervan afwijken, wel heeft zij de verplichting om het andersluidend advies in haar beoordeling en besluitvorming te betrekken. Het volstaat hierbij dat de verwerende partij de andersluidende elementen van het advies in de motivering van de bestreden beslissing ontmoet, en dat uit de bestreden beslissing blijkt waarom zij afwijkt van de andere zienswijze van het agentschap Onroerend Erfgoed en op welke punten. De verwerende partij dient het andersluidend advies niet noodzakelijk punt voor punt te weerleggen. Uit de motivering van de bestreden beslissing moet expliciet of impliciet blijken waarom verwerende partij het advies niet bijtreedt.

Wanneer de verwerende partij, zoals in casu, in haar beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening, in het bijzonder wat betreft de erfgoedwaarden van het (te slopen) huis en de wenselijkheid van de afbraak, afwijkt van het gemotiveerd ongunstig advies van het agentschap Onroerend Erfgoed en de beslissing van de verzoekende partij in eerste administratieve aanleg en oordeelt dat het huis toch mag worden gesloopt, vereisen de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel dat zij haar beslissing op dit punt des te concreter en zorgvuldiger motiveert.

Zij neemt in die omstandigheden, waarbij wordt afgeweken van een advies aangaande een relevant en te beoordelen aspect, een niet evidente beslissing, waardoor grotere eisen kunnen worden gesteld aan haar verplichting tot formele motivering en zorgvuldigheid, in het bijzonder met betrekking tot de overwegingen van het agentschap Onroerend Erfgoed inzake de erfgoedwaarden van het huis en de vraag tot het bijsturen van het project en het zoeken naar een geschikte functie voor de woning’.

Referentie: pub6904

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Erfgoed
Stel hier je vraag bij dit blogbericht