09/02/2018

Hof van Cassatie bevestigt rechtspraak over voortgezet misdrijf

In een arrest nr. P.16.1161N van 30 januari 2018 spreekt het Hof van Cassatie zich nogmaals de 'verjaarbaarheid' van stedenbouwschendingen:

Dit is de zienswijze van het Hof aangaande het misdrijf van het bestemmingsstrijdig gebruik (het 'bestemmingsmisdrijf'):

‘Het niet-vergund gebruik in strijd met de bestemmingsvoorschriften is geen voortdurend misdrijf, dit is een misdrijf dat bestaat in een ononderbroken en door de dader bestendige wederrechtelijke toestand. Daden van gebruik in strijd met de bestemmingsvoorschriften vormen elk alsdusdanig een aflopend misdrijf, voor zover zij ruimtelijke implicaties hebben. Verscheidene daden van gebruik kunnen wegens eenheid van opzet een enkel voortgezet misdrijf opleveren. Onder voortzetten in de zin van artikel 146, 1e lid, 6°, Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.1, 1e lid, 6° VCRO valt dan ook het stellen van daden van gebruik van een weekendverblijf in een gebied bestemd voor dag- en verblijfsrecreatie voor andere doeleinden dan dag- en verblijfsrecreatie.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.’.

Het Hof van Cassatie stelt ook dat het onvergund gewoonlijk gebruik (het 'gewoontemisdrijf') eveneens een voortgezet en daardoor ‘onverjaarbaar’ misdrijf is:

‘Met gewoonlijk gebruik beoogt de decreetgever gunningsplicht voor de toevallige opslag van materialen, materieel of afval, maar een gebruik van de grond dat een zekere regelmaat vertoont en een zekere tijd moet duren. Het misdrijf bestaat van zodra door meerdere handelingen van gebruik zonder dat daartoe de nodige vergunning werd verkregen, het gewoonlijk gebruik ontstaat.

Het misdrijf wordt voortgezet in de zin van artikel 6.1.1, 1e lid, 1° VCRO en de verjaring loopt niet zolang bijvend handelingen tot gebruik, zonder een tussentijdse onderbreking die tot verjaring leidt, worden gesteld. Indien dergelijke daden niet langer worden gesteld, wordt het niet-vergund maar vergunningsplichtig gewoonlijk gebruik van de grond in stand gehouden, dit is de onthouding van de dader om door enige handeling aan het bestaan van de toestand van een rechtmatig gebruik van de grond een einde te maken.’.

Referentie: pub3233-1

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw, Strafrecht & strafvordering
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
23/04/2018

Een koopovereenkomst kan worden gesloten onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een blanco bodemattest of een bodemattest waaruit blijkt dat er geen bodemverontreiniging is!

Zo oordeelde het Hof van Cassatie in een (recent) arrest van 22 maart 2018 (C.17.0067.N):

"Gelet op de voormelde doelstelling van artikel 101, § 1 en § 2 Bodemdecreet, namelijk het beschermen van de verwerver tegen het onbewust aankopen van vervuilde grond, kunnen de partijen niet rechtsgeldig een overeenkomst betreffende een overdracht van een grond sluiten onder de opschortende voorwaarde dat het overgedragen goed niet zal blijken te zijn aangetast door bodemverontreiniging die aanleiding geeft tot een saneringsverplichting ten laste van de eigenaar. In dergelijk geval verbindt de verwerver zich immers reeds tot de verwerving van een goed voordat hij kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van een bodemattest waaruit blijkt dat het goed vervuild is, hetgeen de decreetgever precies heeft willen vermijden.

In het licht van de voormelde doelstelling kunnen zij daarentegen wel een overeenkomst betreffende de overdracht van grond sluiten onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een blanco bodemattest of een bodemattest waaruit blijkt dat er geen bodemverontreiniging is.

De omstandigheid dat artikel 116, § 1, Bodemdecreet bepaalt dat de verwerver de nietigheid kan vorderen van de overdracht die plaatsvond in strijd met artikel 101, staat hieraan niet in de weg. Het voorafgaand aan de overdracht opvragen en meedelen van een bodemattest en het opnemen van de inhoud ervan in de onderhandse akte zijn immers geen elementen die noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van de overeenkomst.

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Bodemrecht, Merlijn De Rechter, Vastgoed
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
18/04/2018

Wijziging verjaringstermijn voor bestuurlijke maatregelen bij milieuschendingen op komst?

De Vlaamse regering heeft op 29 maart 2018 een ‘Ontwerp van decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009’ neergelegd bij het Vlaams Parlement.

Dit wijzigingsdecreet omvat een aantal bepalingen i.v.m. de verjaring van de mogelijkheid tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen en de beroepsmogelijkheden dienaangaande. De regeling m.b.t. de bestuurlijke dwangsom wordt geïntegreerd in de regeling m.b.t. de bestuurlijke maatregelen. Deze wijzigingen beogen voornamelijk de huidige regeling te optimaliseren, zodat deze meer rechtszekerheid biedt voor de rechtsonderhorige. Daarnaast wordt dit wijzigingsdecreet aangegrepen om een aantal bepalingen verder te optimaliseren en in overeenstemming te brengen met de praktijkervaring van alle betrokken handhavingsactoren. Zo wordt de omschrijving van het toepassingsgebied van titel XVI van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) licht gewijzigd, wordt er op een aantal punten een terminologische uniformisering doorgevoerd, wordt het niet meewerken aan de identificatie strafbaar gesteld, etc. Tot slot wordt het DABM meer afgestemd op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO).

Opmerkelijk is de verjaringsregeling voor bestuurlijke maatregelen bij milieuschendingen. Milieu-inbreuken en milieumisdrijven verjaren thans 5 jaar nadat er een verslag van vaststeling of proces-verbaal werd opgesteld. Daarna kunnen er geen bestuurlijke maatregelen meer opgelegd worden. Maar wat als de milieuschending - bv. een bodemverontreiniging - pas veel later wordt ontdekt? Het ontwerpdecreet bepaalt dat er voortaan een dubbele verjaringstermijn zou gelden: de (eerste) bestuurlijke maatregel moet in elk geval binnen de 5 jaar na het pv of verslag van vaststelling opgelegd worden. En er kunnen geen bestuurlijke maatregelen meer opgelegd worden 20 jaar na het plegen van de feiten.

Dit verjaringsregime is bekend bij extracontracontuele aansprakelijkheid (artikel 2262bis Ger.W.), maar is nieuw in het omgevingsrecht.

We willen u niet onthouden van de reactie van de Minaraad:

'M.b.t. de verjaringstermijn van 20 jaar vraagt de Minaraad om verduidelijking en grondigere onderbouwing waarom de voorgestelde verjaringstermijn anders is dan de termijn die vervat is in bijvoorbeeld de VCRO en die veel korter is en waar het om een vergelijkbare functionaliteit gaat. In de memorie van toelichting werd dienaangaande verduidelijkt dat deze langere verjaringstermijn wordt verantwoord vanuit het gegeven dat milieuschendingen in aard essentieel verschillend zijn van andere (stedenbouwkundige) misdrijven, waarbij de gevolgen van (bepaalde) milieuschendingen zich pas veel later na het feit/milieu-inbreuk/milieumisdrijf manifesteren of kenbaar worden. Teruggrijpen naar de dertigjarige verjaringstermijn, zoals deze wordt vooropgesteld in artikel 2227ter, §1, van het Burgerlijk Wetboek voor vorderingen tot vergoeding van maatregelen ter voorkoming of herstel van milieuschade en ook is voorzien in het kader van de milieuschaderegeling, werd m.b.t. de bestuurlijke maatregelen dan weer als onredelijk lang ervaren.

De Minaraad wijst verder op het belang van een decretale bevoegdheid voor de overheid om de nodige herstelmaatregelen (zonder kostenverhaal) te nemen, ook na het verstrijken van de twintigjarige verjaringstermijn. De verjaring heeft immers niet tot gevolg dat de milieuschade verdwijnt. Het inschrijven van dergelijke decretale bevoegdheid wordt niet wenselijk geacht aangezien dit tot ongewenste gevolgen kan leiden. Zo zou men bijvoorbeeld kunnen denken aan de situatie waarin men plots zou besluiten tot het heraanplanten van een bos, jaren nadat dit
gekapt werd en waarbij er intussen mogelijk al een andere bestemming aan het perceel werd gegeven.

Wat de schorsingsmogelijkheden van de verjaringstermijnen betreft, vraagt de Minaraad verduidelijking aangaande de concrete toepassing ervan. De Raad gaat er terecht vanuit dat de situaties waarin de verjaringstermijn geschorst wordt, beperkt
blijven tot deze die expliciet voorzien worden in het ontwerp van decreet. De initiële bestuurlijke maatregel die wordt opgelegd naar aanleiding van een vastgestelde milieuschending, moet dus plaatsvinden binnen de 20 jaar nadat de milieuschending werd gepleegd. De twintigjarige termijn betreft een absolute maximumtermijn die niet wordt overruled door de korte vijfjarige termijn indien het eindpunt hiervan zou liggen na het eindpunt van de twintigjarige termijn'.

 

 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving milieu
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
15/04/2018

Over gemeentelijke en gewestelijke bevoegdheden inzake leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsgebouwen

In een vonnis van 27 maart 2018 stelt de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel dat ‘een bedrijfsgebouw niet noodzakelijk [dient] te zijn opgenomen op de gemeentelijke lijst om te worden geregistreerd, vermits het bevoegde departement ook ambtshalve kan overgaan tot registratie (artikel 3, §2, lid 2 van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten’. Hiervan moet de belastingsplichtige niet worden ingelicht’.

Eiseres stelde dat zij niet in staat was na te gaan of het registratieattest naar voldoening ondertekend was, met verwijzing naar artikel 5 en 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten. In artikel 5 van het besluit wordt gesteld dat de secretaris-generaal van het departement ruimtelijke ordening, woonbeleid en onroerend erfgoed, - thans departement omgeving – gemachtigd is om ambtenaren te machtigen om de nodige vaststellingen te doen. Artikel 11 bepaalt dan weer dat de secretaris-generaal de daartoe in aanmerking komende bevoegdheden subdelegeert aan de personeelsleden van het departement tot op het meest functionele niveau en dat elke subdelegatie wordt medegedeeld aan het Rekenhof en aan de minister.

De Brusselse rechtbank stelt:

‘Verweerder voert terecht aan dat noch het Decreet, noch het Besluit van 1 juli 1997 een bepaling bevat aangaande vormvoorschriften nopens het registratieattest.

De handtekening van de secretaris-generaal of een door hem aangewezen ambtenaar is derhalve niet voorgeschreven door het decreet of zijn uitvoeringsbepalingen en al zeker niet op straffe van nietigheid van het registratieattest.

Zelfs indien er geen geldig subdelegatiebesluit aan de heer A. zou bestaan, dan nog kan dit niet leiden tot de nietigheid van het registratieattest of de daarin vervatte beslissing om de bedrijfsruimten om te nemen in de inventaris. Dat de heer A. adjunct is van de directeur en werkzaam op het bevoegde departement, wordt door eiseres alsdusdanig niet betwist.’.

Wellicht zal beroep aangetekend worden tegen deze uitspraak.

Referentie: Rb. Brussel, 27 maart 2018, nr. 18/3967 ng. Rolnummer 2017/722/A, (Pub505740)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Leegstand
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/03/2018

Litigation van advocaten toch onder overheidsopdrachtenreglementering?

Het Grondwettelijk Hof werd gevat met een rechtstreeks vernietigingsberoep tegen artikel 28, § 1, 74° Overheidsopdrachtenwet 2016, dat van de verplichting tot overheidsopdracht uitsluit:

'4° een van de volgende juridische diensten :
  a) de vertegenwoordiging in rechte van een cliënt door een advocaat als bedoeld in artikel 1 van richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten, en dit in het kader van :
  i een arbitrage- of bemiddelingsprocedure in een lidstaat, een derde land of voor een internationale arbitrage- of bemiddelings-instantie, of
  ii een procedure voor een rechter of overheidsinstantie van een lidstaat of een derde land of voor een internationale rechter of instantie;
  b) juridisch advies dat wordt gegeven ter voorbereiding van de procedures als bedoeld in de bepaling order a), of indien er concrete aanwijzingen zijn en er een grote kans bestaat dat over de kwestie waarop het advies betrekking heeft, een dergelijke procedure zal worden gevoerd, mits het advies door een advocaat is gegeven in de zin van artikel 1 van voormelde richtlijn 77/249/EEG;
  c) het waarmerken en voor echt verklaren van documenten door een notaris;
  d) juridische dienstverlening door bewindvoerders of aangewezen voogden, en andere juridische dienstverlening waarvan de aanbieders door een rechterlijke instantie van de betrokken lidstaat, of van rechtswege, aangewezen zijn om specifieke taken te verrichten onder toezicht van die rechterlijke instanties;
  e) andere juridische diensten die in het Rijk al dan niet incidenteel verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag'

Deze bepalig, inzoverre  het de juridische diensten die erin worden opgesomd, uitsluit van het toepassingsgebied van de regelgeving met betrekking tot de overheidsopdrachten die zij bevat, vindt rechtsgrond in artikel 10, c) en d), i), ii) en v), van de richtlijn 2014/24/EU.  Daarin wordt bepaald dat de arbitrage- en bemiddelingsdiensten, de zogenaamde ''litigation'-diensten, de diensten van advocaten en de rechtskundige diensten 'die in de betrokken lidstaat al dan niet incidenteel verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag', worden uitgesloten van de bij de richtlijn geharmoniseerde plaatsingsregels voor diensten, hetgeen tot gevolg heeft dat lidstaten niet verplicht zijn om die specifieke diensten te onderwerpen aan de algemene plaatsingsregels, die uit de richtlijn voortvloeien.

Het Grondwettelijk Hof twijfelt in het arrest nr. 43/2018 van 29 maart 2018 aan de wettigheid ... van de richtlijn en stelt volgende prejudiciële vraag:

'Is artikel 10, c) en d), i), ii) en v), van de richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 februari 2014 « betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG » verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel, al dan niet in samenhang gelezen met het subsidiariteitsbeginsel en met de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, doordat de daarin vermelde diensten worden uitgesloten van de toepassing van de plaatsingsregels in de voormelde richtlijn die nochtans de volle mededinging en het vrije verkeer waarborgen bij de aanschaf van diensten door de overheid ?'

De advocatuur wacht het antwoord op deze vraag met een bang hart af.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags