17/10/2019

Geldt de 10-jarige aansprakelijkheid bij het uitvallen van (schuif)ramen?

Dit was het debat voor de rechtbank van eerste aanleg dat zich stelde nadat een schuifraam in een serviceflat, geëxploiteerd door een OCMW, zomaar uitviel waarbij een bewoonster licht werd gewond. Hetzelfde probleem stelt zich ook bij andere schuiframen.  In een vonnis van 2 oktober 2019 beslist de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, als volgt:

Opdat de tienjarige aansprakelijkheid van toepassing zou zijn, zijn vier voorwaarden vereist: 1) partijen moeten verbonden zijn door een aannemingsovereenkomst, 2) het gebrek moet een gebouw of een groot onroerend werk aantasten, 3) het gebrek moet ernstig zijn, 4) het gebrek moet het gevolg zijn van een fout van een ontwerper, toezichthouder of uitvoerder.

Enkel artikel t792 B.W. heeft het over het teniet gaan van het gebouw, terwijl artikel 2270 B.W. deze voorwaarde niet stelt. Vermits de Belgische rechtspraak er echter van uitgaat dat beide artikels eenzelfde toepassingsgebied hebben, is het dus niet vereist dat het gebouw geheel of gedeeltelijk zou moeten instorten om de tienjarige aansprakelijkheid in het gedrang te brengen. Om te kunnen spreken van tienjarige aansprakelijkheid moet het gebrek wel een zekere ernst vertonen. Onder een ernstig gebrek" verstaat men niet alleen het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een bouwwerk, maar is het voldoende dat het gebrek een bedreiging vormt voor de stevigheid van het gebouw of een belangrijk onderdeel ervan. Het is niet vereist dat de stevigheid van het gebouw op één bepaald ogenblik in het gedrang gebracht wordt. Het is voldoende wanneer met zekerheid kan gesteld worden dat de stevigheid op korte of lange termijn ondermijnd wordt. De rechter kan dus rekening houden met het progressief karakter van de vastgestelde schade.

Het kan naar het oordeel van de rechtbank bezwaarlijk betwist worden dat het uitvallen van kamerbrede schuiframen de stabiliteit van een belangrijk deel van het bouwwerk in het gedrang brengt, temeer daar dit probleem zich kennelijk bij 5 serviceflats voordoet (wat door verweerster wordt erkend). Er is sprake van het fysiek uiteenvallen van een belangrijk deel van het bouwwerk. Het gegeven dat hierdoor niet het volledige gebouw instort is niet relevant.

Referentie: Rb. Gent 2 oktober 2019, nr. 2019/10.691, ng. (Pub507789)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Vastgoed
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
18/11/2019

Jan Beleyn en Merlijn De Rechter schrijven artikel in STORM: Retail laat zich niet zomaar aan banden leggen (STORM 2019/3, 33)

Jan en Merlijn publiceerden onlangs een noot in STORM bij het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 2 juli 2019 (met nummer RvVb-A-1819-1167). In dat arrest heeft de Raad voor de eerste maal – naar aanleiding van Europese rechtspraak van o.m. het Hof van Justitie – een RUP getoetst aan de Europese Dienstenrichtlijn. De RvVb diende, via de omweg van artikel 159 van de Grondwet, na te gaan of het toepasselijke RUP van de gemeente Meise dat detailhandel in een welbepaald gebied verbood op grond van het motief dat men zo een ongewenste baanontwikkeling wou tegengaan, de toets aan artikel 15, derde lid van de Dienstenrichtlijn kon doorstaan. Zij oordeelde dienaangaande dat in het RUP geen antwoord kon gevonden worden op de vraag ‘in hoeverre het uitdrukkelijke verbod op detailhandel, bestaande uit kleinhandel, waaronder de verkoop van (kinder)schoenen, en in tegenstelling tot autonome kantoren en diensten, geschikt is om de baanontwikkeling langs de Nieuwestraat tegen te gaan’. Jan en Merlijn gaan de gevolgen hiervan na op de praktijk.

Blog Publius Nieuws
Tags Jan Beleyn, Merlijn De Rechter
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/11/2019

Rechtszekerheid tuincentra opnieuw op de helling

In een arrest nr. 179/2019 van vandaag, 14 november 2019, heeft het Grondwettelijk Hof beslist om de artikelen 77 en 79 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 december 2017 "houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving", kortweg: de Codextrein, te vernietigen. 

Het Hof kwam tot deze vaststelling om een aantal redenen. Het Hof diende na te gaan of er een objectieve verantwoording voorligt voor een verschil in behandeling tussen zonevreemde tuincentra en andere zonevreemde bedrijven in agrarisch gebied. De redenen van decreetswijziging waren daarbij drieërlei:

  • het historisch gegroeid karakter van de zonevreemde activiteiten;
  • de moeilijkheden om de betrokken tuincentra te herlokaliseren;
  • de inpasbaarheid van hun activiteiten in de agrarische context.

Wat betreft het eerste criterium, het historisch gegroeide karakter, bepaalde het Hof dat de vaststelling dat een bedrijf reeds bijna 20 jaar onvergunde en onvergunbare activiteiten uitoefent - de wijziging diende immers vóór 1 mei 2000 te hebben plaatsgevonden -, geen pertinent criterium is om dergelijke bedrijven een vereenvoudigde toegang te verlenen tot het instrument van het planologisch attest. Het historisch gegroeid karakter van de zonevreemde tuincentra verantwoordt bijgevolg het verschil in behandeling met andere zonevreemde bedrijven niet.

Aangaande het tweede criterium stelde het Hof dat niet aangetoond is waarom de moeilijke herlokaliseerbaarheid niet zou gelden voor andere zonevreemde bedrijven. De vaststelling dat er in vele gevallen onvoldoende alternatieven voorhanden zijn voor de herlokalisatie van zonevreemde bedrijven, was immers, zo merkt het Hof op, precies een van de motieven voor de invoering van het planologisch attest. Opnieuw geen objectieve verantwoording.

Ook het derde en laatste criterium kon niet voor een objectieve verantwoording zorgen, aldus het Hof. Het Hof stelt dat de vereiste dat minstens vijftig procent van het terrein moet bestaan uit serres of gronden die actief gebruikt worden voor het kweken of conditioneren van bloemen, planten of bomen zo ruim omschreven is dat zij nauwelijks kan worden onderscheiden van het louter in leven houden van de planten voor verkoop.

 

Het Grondwettelijk Hof besloot dan ook om de regeling, zoals ingevoegd door de Codextrein, te vernietigen omwille van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen gelijke categorieën, zijnde zonevreemde bedrijven in agrarisch gebied. 

14/11/2019

Raad van State bevestigt: planologische regularisatie door RUP is mogelijk

Zo staat het alvast in een arrest nr. 245.859 van 22 oktober 2019:

'Verder dient opgemerkt dat een ‘planologische regularisatie’ middels een gemeentelijk RUP niet a priori onwettig is, op voorwaarde dat een deugdelijke ruimtelijke afweging overeenkomstig artikel 1.1.4. VCRO aan het plan ten grondslag ligt’.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, RUP
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/11/2019

Wat als het beroep tegen een omgevingsvergunning enkel geldgewin beoogt?

In een heel interessant arrest van het hof van beroep te Antwerpen wordt de vordering tot betaling van een bemiddelingsvergoeding, met name voor het bereiken van een financieel zwaarwegende  'dading' tussen de vergunningsaanvrager van een retailcomplex en een nabuur die de Raad voor Vergunningsbetwistingen had gevat, verworpen omdat er sprake is van misbruik van beroepsrecht:

De bedoeling van de beroepsprocedure tegen de vergunning was niet dat de vergunning zou ingetrokken worden en had derhalve geen stedenbouwkundige finaliteit. De beroepsprocedure had daarentegen louter een financieel doel waarbij  [vennootschap S.] enkel optrad om de verschillende hoedanigheden van de heer B., meerbepaald de werkelijke initiatiefnemer van de beroepsprocedure en nadien tevens bemiddelaar waarbij hij daadwerkelijk aan zichzelf een rijkelijke vergoeding toekende en de woning verkocht werd aan een niet-marktconforme prijs en tevens onderhandelings- en procedurekosten betaald werden, te verbergen zodat er sprake is van misbruik van het beroepsrecht.

(…)

De doorslaggevende reden van de beroepsprocedure was derhalve om ‘de bemiddelaar’ te verrijken, onder andere door de onredelijk hoge bemiddelingsvergoeding die in werkelijkheid aan ‘de bemiddelaar’ zou moeten betaald worden, hetgeen ingaat tegen de openbare orde en de goede zeden, te meer daar ‘de bemiddelaar’, een ‘voormalig’ gemeenteraadslid is, die persoonlijk failliet is verklaard en geen bemiddelaar is. Vooraleer ‘de ontwikkelaar’ overging tot uitvoering van de kaderovereenkomst, heeft zij reeds bij een gerechtsdeurwaarder verklaard dat zij onder druk gezet werd, dat zij meende het slachtoffer te zijn van chantage en enkel meewerkte om de stedenbouwkundige vergunning veilig te stellen. (…) heeft duidelijk ongeoorloofd gehandeld.

Gelet op het voorgaande dient de bemiddelingsovereenkomst te worden nietig verklaard. Het hof dient immers geen verbintenissen te honoreren die voortvloeien uit een overeenkomst die strijdig is met de openbare orde'.

Referentie: Antwerpen, 22 oktober 2019, nr. 2019/9489 (ng) – PUB507121-3.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Omgevingsvergunning
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags