26/04/2015

GAS-wet doorstaat de toets van het Grondwettelijk Hof

Op 1 juli 2013 werd de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De wet zelf trad in werking op 1 januari 2014. Deze wet voerde een op zichzelf staande regeling in van de gemeentelijke administratieve sancties, hetgeen ervoor geregeld werd door artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet.

De wet gaf aanleiding tot veel protest. Onder meer door het ABVV, de Kinderrechtencoalitie Vlaanderen en de Liga voor Mensenrechten werd vernietigingsberoep aangetekend bij het Grondwettelijk Hof.

In het arrest nr. 44/2015 van 23 april 2015 wees het Grondwettelijk Hof de diverse vorderingen tot vernietiging tegen deze wet af. Het Hof oordeelde dat er geen ernstige middelen werden aangevoerd door verzoekende partijen.

Eén van de kritieken die door verzoekers op de GAS-wet werden aangevoerd, betrof het gebrek aan definitie voor het begrip 'openbare overlast'. De GAS-wet maakt het gemeenten mogelijk straffen of sancties te bepalen voor inbreuken op politieverordeningen die beogen de 'openbare overlast' tegen te gaan. Doordat het begrip 'openbare overlast' geen voldoende normatieve inhoud zou hebben, zouden de strafbare gedragingen niet voldoende nauwkeurig zijn omschreven. Dit zou volgens verzoekers in strijd zijn met het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel 'nulla poena sine lege certa', dat stelt dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is.

Het Hof repliceerde als volgt:

'B.19.9. Artikel 2, §1, van de bestreden wet bepaalt op algemene wijze dat de gemeenteraad straffen of administratieve sancties kan bepalen voor de inbreuk op zijn reglementen of verordeningen. Uit de totstandkoming van de bestreden wet blijkt dat een van de belangrijkste motieven van de wetgever bij de invoering van het systeem van gemeentelijke administratieve sancties, het tegengaan is van openbare overlast. Hoewel het bestreden artikel 2 die vormen van openbare overlast niet zelf strafbaar stelt, volgt uit de combinatie ervan met artikel 135, §2, tweede lid, 7°, van de Nieuwe Gemeentewet dat de gemeenteraad straffen kan bepalen voor de inbreuken op gemeentelijke politieverordeningen genomen voor het tegengaan van alle vormen van openbare overlast. 

B.19.10. Het begrip 'openbare overlast' verwijst naar gedragingen in de publieke ruimte die afwijken van wat in het normale maatschappelijke verkeer betaamt. Het gaat om lichtere vormen van verstoring van de openbare orde, de veiligheid, de gezondheid en de zindelijkheid die schadelijk of hinderlijk zijn en die de normale druk van het sociale leven overschrijden (Parl.St., Kamer, 1998-1999, nr. 2031/1, pp. 8-9).

B.20.1. Ter uitvoering van de aan hen verleende machtiging dienen de gemeenteraden concreet te bepalen welke vormen van openbare overlast zij wensen te bestraffen, zodat niet het veroorzaken van 'openbare overlast' als dusdanig, doch enkel de gedragingen die beantwoorden aan die concrete omschrijvingen kunnen worden gesanctioneerd. Zij dienen tevens te bepalen, binnen de grenzen waarin artikel 4, §§1 tot 3, van de wet van 24 juni 2013 voorziet, welke straf, administratieve sanctie of alternatieve maatregel van toepassing is op de voormelde inbreuken.

B.20.2. Aan de vereiste dat een strafbaar feit duidelijk moet worden omschreven, is slechts voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. 

Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de gedragingen die zij willen bestraffen, te bepalen of de door de gemeenteraad gehanteerde bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel zouden schenden. Die controle ressorteert onder de bevoegdheid van de administratieve en justitiële rechter.'

Het Grondwettelijk Hof schuift de discussie met betrekking tot hetgeen onder openbare overlast kan begrepen worden, zodoende door naar de gewone rechtbanken.

Een ander punt van kritiek dat door verzoekers werd aangevoerd betrof de minimumleeftijd van 14 jaar voor het opleggen van gemeentelijke administratieve sancties. Voor de inwerkingtreding van de GAS-wet lag de minimumleeftijd op 16 jaar. Verzoekers zijn van oordeel dat het verlagen van de minimumleeftijd van 16 naar 14 jaar een schending inhoudt van de artikelen 10, 11 en 22 bis van de Grondwet, gelezen in samenhang met de bepalingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind.

Het Hof wees ook dit middel af als ongegrond:

'B.51.5. Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 6/2006 van 18 januari 2006 over het vroegere artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet heeft geoordeeld, kan de invoering van administratieve geldboeten ten aanzien van minderjarigen de door de wetgever nagestreefde doelstellingen van preventie en repressie helpen te verwezenlijken. 

Het staat niet aan het Hof om de opportuniteit van de leeftijdsverlaging of de opvoedkundige waarde van de administratieve sancties te beoordelen. Het Hof dient evenwel na te gaan of de bestreden bepalingen de rechten van de minderjarigen niet op onevenredige wijze beperken.

(...)

B.51.8. In zoverre zij in de mogelijkheid voorziet voor de gemeente om bepaalde gedragingen te bestraffen met administratieve geldboeten, opgelegd aan minderjarigen die op het ogenblik van de feiten de leeftijd van veertien jaar hebben bereikt, doet de bestreden wet, rekening houdend met de vermelde waarborgen, niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van die minderjarigen.'

Het Hof benadrukte wel dat de minderjarige te allen tijde - en zo ook indien de sanctionerend ambtenaar van oordeel is dat de administratieve boete die moet worden opgelegd lager is dan 70 euro - het recht heeft te worden gehoord.

De integrale uiteenzetting van de middelen en het oordeel van het Hof vindt u hier.

Het debat over de gemeentelijke administratieve sancties wordt ongetwijfeld nog vervolgd (voor de gewone rechtbanken)...

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Grondwettelijk Recht
Tags GAS, Grondwettelijk recht, Leandra Decuyper
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
23/05/2019

Grondwettelijk Hof vernietigt gewijzigde definitie van 'verkavelen'!

Krachtens artikel 4.2.15 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : de VCRO) is het verkavelen van gronden onderworpen aan de omgevingsvergunningsplicht.

Het begrip verkavelen wordt gedefinieerd in artikel 4.1.1, 14° van de VCRO. Artikel 52, 4°, van het decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving (hierna : het decreet van 8 december 2017) wijzigde deze definitie, waardoor er slechts sprake is van verkavelen indien een grond vrijwillig wordt verdeeld in twee of meer onbebouwde kavels om ten minste één van die kavels te verkopen of te verhuren voor méér dan negen jaar, om er een recht van erfpacht of opstal op te vestigen, of om één van die overdrachtsvormen aan te bieden, zelfs onder opschortende voorwaarde, zulks met het oog op woningbouw of de oprichting van constructies. 

Een en ander had dan tot gevolg dat een «omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden» niet langer verplicht was voor de opsplitsing van een perceel in één bebouwde en één onbebouwde kavel. 

Het Grondwettelijk Hof vernietigt nu deze gewijzigde definitie. Zij motiveert als volgt:

"De bestreden bepaling heeft tot gevolg dat een « omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden » niet langer verplicht is voor de opsplitsing van een perceel in één bebouwde en één onbebouwde kavel. Hierdoor wordt het mogelijk om, zonder beperking qua omvang van de percelen of het aantal ervan, de vergunningsplicht en al de daaruit volgende waarborgen voor het leefmilieu en de goede ruimtelijke ordening, te vermijden door wat in werkelijkheid een grote verkaveling is, op kunstmatige wijze te faseren.

Bijgevolg worden de omwonenden van dergelijke percelen geconfronteerd met een aanzienlijke achteruitgang van het door de vroegere wetgeving geboden beschermingsniveau, die niet kan worden verantwoord door de aan de bestreden bepaling ten grondslag liggende doelstelling van administratieve vereenvoudiging, zoals vermeld in B.1.2."

Een verkavelingsvergunning zal dus terug nodig zijn... 

Het arrest vindt u hier.

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Merlijn De Rechter, Omgevingsvergunning, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Verkavelingsvergunning
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/05/2019

Kansspelcommissie - Raamovereenkomst juridische adviesverlening en bijstand binnen en buiten het kader van de vertegenwoordiging in rechte (2019).

Publius staat de Kansspelcommissie al geruime tijd bij. Recent werd Publius opnieuw aangesteld door de Kansspelcommissie om haar bij te staan en haar belangen te behartigen. Publius kreeg in het kader van een overheidsopdrachtenprocedure zowel het perceel 3 (burgerlijk recht) als het perceel 4 (publiek recht) toegewezen en dit voor een periode van 4 jaar.

Blog Publius Nieuws
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/05/2019

Decreet houdende de gemeentewegen in aantocht

Op 24 april 2019 werd het Decreet houdende de gemeentewegen aangenomen door het Vlaams Parlement. Inmiddels werd dit decreet ook bekrachtigd en afgekondigd door de Vlaamse Regering.

Het decreet voert een uniform statuut in voor alle gemeentewegen. Het onderscheid tussen gewone gemeentewegen en buurtwegen komt zo te vervallen. Zodoende worden de Buurtwegenwet en de bepalingen in verband met gemeentewegen uit het Rooilijnendecreet opgeheven.

Vooreerst worden verschillende doelstellingen en principes ingeschreven waarmee rekening moet worden gehouden bij de beslissing over een gemeenteweg. De gemeente kan die decretale doelstellingen en principes verder verfijnen en concretiseren in een gemeentelijk beleidskader.

Verder voert het decreet een uniforme procedure in voor de aanleg, de wijziging, de verplaatsing of de opheffing van een gemeenteweg. De beslissingsbevoegdheid wordt volledig in handen van de gemeenteraad gelegd.

Er is tevens in een geïntegreerde procedure voorzien om de wijziging van een gemeenteweg samen te behandelen met de opmaak van een RUP of met een omgevingsvergunningsaanvraag.

Daarnaast wordt een georganiseerd administratief beroep ingevoerd bij de Vlaamse Regering tegen de definitieve vaststelling van een gemeentelijk rooilijnplan en tegen de beslissing tot opheffing van een gemeenteweg.

Het decreet voert ook enkele wijzigingen door aan het Omgevingsvergunningsdecreet. Zo wordt bepaald dat wanneer de omgevingsvergunningsaanvraag de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg omvat, het college van burgemeester en schepenen - in voorkomend geval op verzoek van de bevoegde overheid - de gemeenteraad samenroept om te beslissen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg. Het gaat dus niet alleen over de aanleg van nieuwe wegen in een verkavelingsproject, maar ook over projecten waarbij de wijziging van een gemeenteweg wordt voorzien. Tegen deze beslissing voorziet het decreet eveneens een georganiseerd administratief beroep bij de Vlaamse Regering. Dit beroep kan slechts ingesteld worden wanneer ook administratief beroep wordt aangetekend tegen de omgevingsvergunningsbeslissing zelf.

Het decreet verduidelijkt nu dat gemeentewegen niet kunnen teniet gaan door verjaring. Alleen een uitdrukkelijke opheffingsbeslissing kan de gemeenteweg doen verdwijnen.

Tot slot bevat het decreet onder meer een handhavingsluik en enkele bepalingen inzake het beheer van gemeentewegen.

Normaliter treedt het decreet in werking op 1 september 2019.

De tekst zoals aangenomen door het Vlaams Parlement kan u hier terugvinden.

Gepost door Celine Van De Velde

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht, Wegen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/05/2019

Geen rechtsplegingsvergoeding voor of tegen tussenkomende partij voor Raad van State. En dat is OK volgens het Grondwettelijk Hof

'In het arrest nr. 58/2019 van 8 mei 2019 werd het Grondwettelijk Hof geconfronteerd met volgende prejudiciële vraag:

'Is artikel 30 [lees : 30/1], § 2, vierde lid, in fine, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat stelt dat de tussenkomende partij voor dat rechtscollege niet kan worden gehouden tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding, in overeenstemming met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met artikel 9, lid 4, van het Verdrag van Aarhus, wanneer de genoemde (tussenkomende) partij in de loop van de vernietigingsprocedure afstand doet van haar vergunning, nadat die door de Raad van State werd geschorst?'

Na het schorsingsarrest had tussenkomende partij, titularis van de geschorste stedenbouwkundige vergunning (het betrof een Waalse zaak, dus de Raad van State is bevoegd), de aanvraag ingetrokken waardoor de vernietigingsprocedure zonder voorwerp werd. De Raad van State veroordeelde noch verzoekende, noch verwerende partij tot de rechtsplegingsvergoeding omdat geen enkele partij in het gelijk was gesteld. Ook de tussenkomende partij ging 'vrijuit'.  

Het Grondwettelijk Hof ziet geen probleem:

'Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 96/2012 van 19 juli 2012 staat het aan de wetgever te beoordelen of het opportuun is een regeling voor de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van de advocaat in te voeren die van toepassing is op de rechtsplegingen voor de Raad van State.

Bij zijn arrest nr. 48/2015 van 30 april 2015 heeft het Hof geoordeeld dat, indien de wetgever ervoor opteert een systeem van rechtsplegingvergoeding in te voeren voor de rechtsplegingen voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het hem toekomt bij de uitwerking van een dergelijk systeem niet alleen rekening te houden met de verschillen tussen de rechtsplegingen voor de Raad van State en de rechtsplegingen voor de burgerlijke rechter, maar ook met de vele andere aanwezige en soms tegenstrijdige belangen en beginselen.

Het feit dat de tussenkomende partijen zijn uitgesloten van de rechtsplegingsvergoeding voor de Raad van State kan weliswaar in uitzonderlijke gevallen ertoe leiden dat een verzoekende partij geen rechtsplegingsvergoeding kan verkrijgen ten laste van een tussenkomende partij, noch ten laste van een tegenpartij. Dat gevolg wordt echter gecompenseerd door de waarborg waarover de verzoekende partij beschikt dat zij nooit een rechtsplegingsvergoeding zal moeten betalen ten gunste van een tussenkomende partij. Immers, zoals voortvloeit uit paragraaf 1 van de in het geding zijnde bepaling, die rechtstreeks is overgenomen van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, is een rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van een advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Hieruit vloeit voort dat de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van een advocaat geen mechanisme is dat het een partij mogelijk zou maken een rechtsplegingsvergoeding te verkrijgen wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, zonder te kunnen worden veroordeeld tot de betaling ervan indien zij in het ongelijk wordt gesteld.

Een uitbreiding van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van een advocaat tot de tussenkomende partijen zou aldus niet alleen tot gevolg hebben dat die partijen kunnen worden veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding, maar ook dat zij in voorkomend geval een dergelijke vergoeding kunnen vorderen van de verzoekende partij.

Wanneer de wetgever alle in het geding zijnde belangen heeft afgewogen, heeft hij echter precies willen voorkomen dat de rechtspleging te duur zou worden voor de verzoekende partijen en tegenpartijen wegens de tussenkomst van een derde, hetgeen de toegang tot de rechter kan bemoeilijken en de kosten van een rechtspleging weinig voorzienbaar kan maken.

In zoverre daarbij het financiële risico van de rechtspleging voor de verzoekende partij in het algemeen wordt beperkt, draagt de keuze van de wetgever om de tussenkomende partijen uit te sluiten van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van een advocaat, zelfs voor de rechtsplegingen waarin zij afstand doen van de bestreden stedenbouwkundige vergunning na een schorsingsarrest, bijgevolg ertoe bij het recht op toegang tot de rechter te waarborgen'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtskosten, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/05/2019

Decretale planschaderegeling doorstaat toets van het Grondwettelijk Hof nogmaals

Het Grondwettelijk Hof heeft in het arrest nr. 57/2019 van 8 mei 2019 hiernavolgende prejudiciële vraag ontkennend beantwoord:

'Schendt artikel 35 van het decreet van het Vlaams Parlement van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening artikel 16 Grondwet en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM genomen in samenhang met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel uit de artikelen 10 en 11 Grondwet, in de mate dat deze bepaling een forfaitaire berekening oplegt van de planschadevergoeding, die geen of onvoldoende rekening houdt met het reële waardeverlies van het onroerend goed ingevolge de inwerkingtreding van het plan waaruit het bouwverbod voortvloeit onder meer omdat de verwervingswaarde enkel wordt geactualiseerd aan de hand van de index der consumptieprijzen, en waarbij bovendien een aftrek van 20 procent van de planschadevergoeding wordt gehanteerd ? '

Het Grondwettelijk Hof bevestigt zijn eerdere uitspraak nr. 66/2018, van 7 juni 2018 en dus ook volgende 'relativerende' overweging:

'Het valt evenwel niet uit te sluiten dat de decretale berekeningswijze in bepaalde gevallen afbreuk doet aan de rechten van de betrokken eigenaars. Dat kan met name het geval zijn wanneer de overheid reeds een vergunning heeft uitgereikt en aldus een gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat het betrokken perceel mocht worden bebouwd of verkaveld. Dat kan eveneens het geval zijn indien de nieuwe bestemming van de percelen geen enkele ontwikkeling ervan meer toelaat en hen zo goed als onverkoopbaar maakt, of nog indien de eigenaars voor de betrokken percelen successierechten hebben betaald die niet in de planschadevergoeding worden verrekend'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Planschade
Stel hier je vraag bij dit blogbericht