28/09/2018

Er komt STORM!

Begin 2019 wordt een nieuw juridisch tijdschrift gelanceerd onder de naam STORM. Niet zomaar een zoveelste tijdschrift. Bedoeling wordt om op korte en vooral bevattelijke wijze – ook voor niet-juristen - in te spelen op nieuwe ontwikkelingen in de thema’s ‘Stedenbouw, Omgeving, Ruimtelijke ordening en Milieu’. Hiertoe wordt ook een volledig digitaal platform uitgewerkt. Meer info op https://www.diekeure.be/nl-be/professional/9114/tijdschrift-storm. Binnenkort, op 11 december 2018, wordt een launch-evenement georganiseerd. Meer info volgt. Jan Beleyn zet mee zijn schouders onder dit nieuwe project.

Blog Publius Nieuws
Tags Jan Beleyn
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/12/2018

Ontwikkelingsmogelijkheden voor woonreservegebieden: voorontwerp wijzigingsdecreet Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

In een eerdere blog werd reeds aangegeven dat de Vlaamse Regering werkt aan een nieuwe regelgeving over de woonreservegebieden. De inhoud van het eerste ontwerp werd in die blog ook reeds kort toegelicht. 

De Vlaamse Regering hechtte, na advies van de SARO, de Minaraad en de SERV, op 14 december 2018 opnieuw haar principiële goedkeuring aan het voorontwerp van decreet dat de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wijzigt, wat betreft de ontwikkelingsmogelijkheden voor woonreservegebieden.

De regeling helpt de lokale besturen en de Vlaamse Regering de doelstelling realiseren om slecht gelegen juridisch woonaanbod te neutraliseren en zo het ritme van bijkomend ruimtebeslag af te remmen.

De adviezen vindt u hier

Het decreet wordt andermaal gevoegd. De bijhorende memorie vindt u dan weer hier

Over dit voorontwerp van wijzigingsdecreet wordt nu het advies ingewonnen van de Raad van State.

Wij houden u op de hoogte. 

14/12/2018

Thomas Quintens schrijft noot over de rechtsplegingsvergoeding in onteigeningsprocedures (RABG 2018, 1302-1306)

Thomas bespreekt het vonnis van het Vredegerecht Harelbeke van 26 mei 2016 en van het Vredegerecht Ieper II Poperinge van 14 april 2017. Beide geannoteerde vonnissen hadden betrekking op een onteigening bij toepassing van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte. Er wordt geconcludeerd dat de rechtsplegingsvergoeding terecht wordt toegekend aan de onteigende partij aangezien deze noodgedwongen wordt betrokken in een gerechtelijke procedure. Hoewel de rechtspraak ter zake wispelturig is, valt te verdedigen dat de hoogte van de rechtsplegingsvergoeding wordt berekend op basis van het bedrag van de toegekende onteigeningsvergoeding.

Blog Publius Nieuws
Tags Onteigeningen, Thomas Quintens
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/12/2018

Binnenkort ook digitale indiening van omgevingsvergunning voor kleinhandelsvestigingen

Op 7 december 2018 werd het Ministerieel besluit van 23 november 2018 tot uitvoering van artikel 153/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. 

In dit MB staat te lezen:

"De datum vanaf wanneer aanvragen die louter betrekking hebben op kleinhandelsactiviteiten of vegetatiewijzigingen digitaal ingediend kunnen worden en vervolgens digitaal behandeld worden, wordt bepaald op 15 januari 2019."

Het omgevingsloket zal dus vanaf 15 januari 2019 ook gebruikt kunnen worden voor omgevingsvergunning voor enkel kleinhandelsactiviteiten.

 

01/12/2018

Beroepstermijn voor Interministerieel Comité begint te lopen vanaf de ontvangst, niet vanaf de verzending van de beroepen beslissing (regime oude Handelsvestigingswet)

In de zaak nr. 242.757 van 23 oktober 2018 moest de Raad van State zich buigen over de vraag of de beroepstermijn van artikel 8 van de Federale Handelsvestigingwet begint te lopen vanaf de verzending, dan wel de ontvangst van de beroepen beslissing.

Artikel 11 van de oude Handelsvestigingenwet bepaalde dat het beroep wordt ingesteld ‘binnen 20 dagen die volgen op de kennisgeving van de beslissing’.

De Raad van State beslist:

‘Redelijkerwijze dient het begrip ‘kennisgeving’, zoals bedoeld in artikel 11 §3 van de Handelsvestigingenwet, begrepen te worden als de ontvangst en niet de verzending van de beslissing. De bestemmeling die tegen deze beslissing een administratief beroep kan indienen, moet immers tijdens de volledige duur van de eerder korte beroepstermijn daadwerkelijk van die beslissing kennis kunnen nemen’.

Referentie: Pub507519

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/11/2018

Worden lopende vernietigingsprocedures geïmpacteerd door de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten?

Op  1 augustus 2018 is de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten in werking getreden. Er verandert op het eerste gezicht weinig aan de vergunningsplicht voor grootschalige winkels. Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning kleinhandelsactiviteiten uitvoeren in een kleinhandelsbedrijf of handelsgeheel met een nettohandelsoppervlakte van meer dan 400 m² in een nieuw op te richten, niet van vergunning vrijgestelde constructie, dan wel in een bestaand, vergund of hoofdzakelijk vergund gebouw. Nochtans brengt de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviten een sterk verminderde vergunningsplicht met zich mee en dit lijkt ook zijn gevolgen te (kunnen) hebben voor lopende vernietigingsprocedures bij de Raad van State

Alvorens dieper ingegaan wordt op de vraag of een concurrerende handelszaak zijn belang kan verliezen bij lopende vernietigingsprocedures bij de Raad van State gelet op de verminderde vergunningsplicht, alsook om onderstaand arrest beter te begrijpen, wordt kort de (impact van de) categorisering van kleinhandelsactiviteiten en het verdwijnen van de meldingsplicht bij een beperkte uitbreiding van de netto handelsoppervlakte toegelicht. 

Over de categorisering van kleinhandelsactiviteiten.
Sinds de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten op 1 augustus 2018 zijn alle bestaande, niet-vervallen sociaal-economische vergunningen van rechtswege geherkwalificeerd tot een omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten van een welbepaalde categorie.

Artikel 3 Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid verdeelt de kleinhandelsactiviteiten in 4 categorieën:

  • eerste categorie: verkoop van voeding
  • tweede categorie: verkoop van goederen voor persoonsuitrusting
  • derde categorie: verkoop van planten, bloemen en goederen voor land- en tuinbouw
  • vierde categorie: verkoop van andere producten

Enkel een belangrijke wijziging van categorieën van kleinhandelsactiviteiten is op vandaag nog vergunningsplichtig. Onder een belangrijke wijziging wordt begrepen elke wijziging waarbij een categorie van kleinhandelsactiviteiten het vergunde aantal vierkante meter netto handelsoppervlakte overschrijdt met ofwel 10% van de totale vergunde netto handelsoppervlakte ofwel 300 m². Een wijziging in de categorieën van kleinhandelsactiviteiten onder deze drempels is niet vergunningsplichtig.

Deze nieuwe regelgeving staat in schril contract met de vroegere praktijk onder de Handelsvestigingswet. Immers was voor 1 augustus 2018 elke belangrijke assortimentswijziging - en niet categoriewijziging - aan de vergunningsplicht onderworpen.

Over het verdwijnen van de meldingsplicht bij een beperkte uitbreiding van de netto handelsoppervlakte.
Ten tijde van de oudeHandelsvestigingswet kon een vergunde handelsvestiging zonder bijkomende vergunning uitbreiden mits deze uitbreiding niet meer bedroeg dan dan 20 % van de nettohandelsoppervlakte, met een maximumplafond van 300 m² netto handelsoppervlakte. Het uitbreidingsproject diende wél gemeld te worden aan het college van burgemeester en schepenen waar het uitbreidingsproject plaatsvond en dit middels een voorafgaande verklaring.

Het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid, dat wat betreft het vergunningenbeleid op 1 augustus ll. in werking is getreden, behoudt de van de vergunning vrijgestelde beperkte uitbreiding, maar schrapt de meldingsplicht. Met andere woorden, sinds 1 augustus 2018 dient een uitbreiding van de netto handelsoppervlakte van 20%, met evenwel een maximum van 300 m², per handelsvestiging- of geheel niet langer gemeld te worden bij het college van burgemeester en schepenen van de stad waar het uitbreidingsproject plaatsvindt.

Let wel, in beide gevallen - zowel onder de Handelsvestigingswet als nu onder het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid - kan slechts eenmalig gebruik gemaakt worden van de van de vergunning vrijgestelde beperkte uitbreiding. In het bijzonder wat een handelsgeheel betreft, betekent dit dat van zodra op het niveau van het handelsgeheel deze 20% of 300 m² uitgeput is door één of meerdere individuele handelsvestigingen, geen andere handelsvestiging hiervan nog kan profiteren.
 
Verliest een concurrent haar belang bij een vernietigingsberoep indien de assortimentswijziging sinds 1 augustus 2018 niet langer vergunningsplichtig is?
De Raad van State lijkt dit in haar arrest nr. 242.417 van 25 september 2018 op het eerste zicht te suggereren van wél, zij het dat zij expliciet verwijst naar het standpunt van verzoekende partij ter zitting. Zij overwoog aangaande het actueel belang van verzoekende partij, die als concurrerende handelszaak beroep aantekende tegen een vergunde assortimentswijziging, het volgende:

'4.1. De tussenkomende partij werpt in haar laatste memorie de onontvankelijkheid van het beroep wegens gemis aan belang op. Zij steunt haar exceptie op het gegeven dat inmiddels het decreet van 15 juli 2016 „betreffende het integraal handelsvestingsbeleid‟ in werking is getreden. Zij betoogt dat artikel 3 van dit decreet thans in vier categorieën van kleinhandelsactiviteiten voorziet en dat het oude assortiment (meubelen) en het nieuwe assortiment (sportgoederen) beide tot de vierde categorie behoren, waardoor de assortimentswijziging niet langer vergunningsplichtig is. Evenmin is er onder het nieuwe decreet een vergunning nodig voor de beperkte uitbreiding van de netto handelsoppervlakte tot 20 % of maximum 300 m².

4.2. De verzoekende partij repliceert in haar laatste memorie dat het feit dat de tussenkomende partij geen vergunning zou nodig hebben niet ter zake doet. Integendeel zou dit volgens haar betekenen dat “een socio-economische vergunning zou volstaan om de exploitatie van het concurrerend bedrijf mogelijk te maken ten nadele van de belangen van [v]erzoekster wat het belang van [v]erzoekster alleszins niet zou verkleinen”. “Anderzijds” acht zij “de stelling van [de tussenkomende partij] onjuist nu duidelijk [is] gebleken dat [de tussenkomende partij] wel degelijk een stedenbouwkundige vergunning nodig heeft voor de door haar noodzakelijke parking”.

4.3. Het voormelde verweer in de laatste memorie van de verzoekende partij gaat ervan uit dat een socio-economische vergunning zou volstaan en valt niet te begrijpen. Ter terechtzitting nader ondervraagd over haar standpunt aangaande de onder randnummer 4.1 vermelde exceptie, antwoordt de verzoekende partij dat voor de kwestieuze aanvraag inderdaad “geen socioeconomische vergunning nodig is”.

4.4. In het licht van het voormelde ter terechtzitting ingenomen standpunt, komt de exceptie gegrond voor en ontbeert de verzoekende partij het vereiste actueel belang bij haar beroep.'

De Raad van State besluit aldus dat verzoekende partij niet langer over het rechtens vereiste actueel belang beschikt, nu zij ter zitting erkende dat voor het aangevraagde - zijnde de assortimentswijziging en een uitbreiding van de netto handelsoppervlakte - niet langer een vergunning noodzakelijk was. 

Bedenking bij het arrest.
De vraag die men zich kan stellen is of verzoekende partij gelijk had om zichzelf zonder belang te bestempelen wetende dat er benevens de niet langer verplichte assortimentswijziging ook een uitbreiding van de netto handelsoppervlakte met 269 m² (uitbreiding van het handelsgeheel van 8.147 m² tot 8.416 m²)? Wij denken dat het niet evident was voor verzoekende partij om nog een belang te doen gelden, nu zij als concurrerende handelszaak ons inziens niet ernstig kon beweren dat er significante commerciële impact in haar hoofde zou bestaan bij de beperkte uitbreiding van de 975 m² naar 1244 m²,  te meer nu de vergunningshouder ook zonder een vergunningsaanvraag hoe dan ook en zonder vergunningsaanvraag gerechtigd is om uit te breiden naar 1275 m² (= beperkte uitbreiding).  

Referentie: PUB505994-1